[p. 837]

Nog

 
Dichten doe ik nog, maar als in droom,
 
In een droom waarover 't voorgevoel
 
Van te ontwaken in een werklijkheid
 
Die geladen is met ramp op ramp
 
Hangt als een zwaar onontkoombaar onweer
 
Dat in laatste stilt zijn donder uitbroedt
 
Over 'n lieflijk maar al rottend landschap.
 
Tusschen zwammenwoekring bloeien bloemen,
 
Pluimen rijzen uit vergrauwde grassen,
 
Maar de meren spieglen vuile wolken
 
En het bosch kromt al zijn volle kronen.
 
 
 
En ikzelf loop in mijn droom, dat landschap,
 
Eerst nog vergezeld, dan plotseling eenzaam,
 
Tegelijk loer ik van achter stammen
 
Om mijzelf van schrik te doen ontwaken
 
Maar ik ben verlamd - ik wil gaan roepen
 
Dat het onweer komt en de verwoesting
 
En daarna de doodlijke verdorring!
 
 
 
En ik roep, maar angst versmoort mijn kreet.
 
Ook 't geluid is hier gestorven?
 
 
 
Hoor
 
Als een beek, onder toeloopend rotsdak,
 
Die zoo snel stroomt dat zij niet kan spieglen
 
De bedreiging die erboven hangt,
 
Ruischt het dwars door 't droomland, van verbazing,
 
Dat ik dood voorzie en door moet dichten
 
En de beek, ontsprongen uit die bron,
 
Roept met stroomversnelling, stemverheffing,
 
Maar zoo diep dat 'k niet kan onderscheiden
 
Of 't is van verontwaardiging of toejuiching:
 
‘Dichten doe je nog?’

J. Slauerhoff