Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk [Amsterdam]

Rotterdam, 9 november 1933

R'dam, 9 Nov. '33

 

Beste Dirk

Dank voor je felicitatie! Ik hoop, dat ik, nu ik deze dobbelarij toevallig gewonnen heb, ook niet aan het kortste eind zal trekken. In ieder geval is de aanlokkelijkheid van een nieuw ‘dubbelleven’ voor mij momenteel groot, al spijt het me, dat ik deze school moet verlaten. Ik ben al half in dienst bij het Vad., maar het is al te veel eigenlijk. Ik verrek van de snertboeken om me heen, die ik moet wegwerken. Van Henny Scholte kreeg ik een werkelijk bijzonder aardig briefje met ‘sans rancune’; dat deed me bepaald wel pleizier. -

Ik moet je nog even serieus schrijven over je uitlatingen over du Perron, die ik me persoonlijk heb aangetrokken. Ik meende, dat jij nu tot de overtuiging was gekomen, dat ik niet een jaar of drie met een mensch had omgegaan, die verdient door jou zoo bejegend te worden, als je het nu in je brief doet. Heusch, ik ben de eerste, om de kleine belachelijkheden van den man te zien, maar dat belet mij niet om door de boomen (in casu dan kromgetrokken boomen) het bosch te zien. Dit ‘Written in Dejection’, met zijn inderdaad nogal ridicule laatste regels, is een stuk, dat ik voorzoover het de passages over Nietzsche betreft voor 100% en voorzoover het Tielrooy betreft voor zeker 85% voor mijn rekening zou willen nemen. Daarmee wil ik niet zeggen, dat ik het zou kunnen schrijven, omdat mijn reacties anders zijn; maar voor den geest, die het betoog beheerscht, wil ik absoluut instaan. En eerlijk gezegd, ik begrijp niet, waarom je het prettig vindt met mij als vriend om te gaan, terwijl ik, evengoed als ik dat voor jouw vriendschap zou willen doen, voor die insta van iemand, waarvan jij zegt ‘blij te zijn dat je hem nooit hebt ontmoet’. Ook tijdens ons conflict naar aanleiding van de poëzie ben ik jou tegenover d.P. als mensch nooit afgevallen; ik zal het nu evenmin doen tegenover jou, waar het d.P. betreft. Juist als mensch waardeer ik hem 100%, hoeveel dwaze kleinigheden zijn publiek optreden soms ook mogen aankleven; en omdat ik hem ken, weet ik, dat zoowel de dwaze kleinigheden als de onbevooroordeelde en felle denkwijze van d.P. symbolen zijn van één en dezelfde persoon, dien ik om zijn fouten des te meer als geheel accepteer. ‘Autistisch’: dat is gauw gezegd. Vergeet niet, zou ik zeggen, dat de belangrijke kant van d.P. evenzeer ondenkbaar zou zijn zonder dat ‘autisme’ als zijn belachelijke. En bovendien, wat kunnen mij al die nominale qualificaties schelen, wanneer ik weet, dat de mensch 100% is! Morgen aan den dag komt iemand mij vertellen, dat jij manisch-depressief of schizophreen of god weet wat bent; zal dat iets veranderen aan de waardeering en vriendschap, die ik voor je heb? ‘Een verkapte moralist à la Coster’: onzin! D.P. is een onverkapte moralist, maar net niet à la Coster! Trouwens, wie is er geen moralist, die zich veroorlooft een theorie te verkondigen, welke dan ook? Jij bent ook een moralist, ook al gebruik je het woord niet graag; als je zoo fel tegen d.P. van leer trekt, verdedig je een moraal, waarin b.v. vervat is, dat iemand niet autistisch mag zijn etc. etc.

Laat ik erbij zeggen, dat Ant, toen ze je brief las, het geheel met je eens was misschien meer dan ik, die misschien zulke dingen te licht wil nemen over de belangrijkheid van die ‘litteraire defaecatie’; maar zij protesteerde even goed als ik tegen den toon van je aanval.

Ik zou graag willen, dat wij bij een volgende ontmoeting eens een diepgaand gesprek hadden over de figuur du Perron. Hij heeft in mijn hart geen monopolie, daarin verschilt b.v. de tusschen hem en mij bestaande vriendschap al dadelijk van de tusschen ons in Amsterdam bestaande; ik ben die ‘absolute’ tijd voorbij, ik heb me daarvoor te veel op mezelf teruggetrokken; maar hij behoort tot de enkelen, waartoe ook jij behoort, die ik toch in volstrekten zin vrienden noem, en daarom is het mij uitermate pijnlijk, jou op hem te hooren afgeven, alsof hij de eerste de beste idioot, ruziezoeker of maniak was. Dat je hem zoo verkeerd beoordeelt, bewijst al weer eens, hoe het werk omtrent den mensch misleiden kan. Al schreef d.P. morgen werkelijk publiekelijk, dat hij overmorgen driemaal zou schijten, en wel in quadraatvorm met bolusfragmenten, dan nog zou ik aan hem vasthouden - zooals die heele poëziequaestie, die voor mijn gevoel uit futiliteiten bestond, niets heeft afgedaan aan mijn persoonlijke genegenheid voor jou.

Antwoord hier eens op; ik pleit voor een zaak, die me na aan het hart ligt.

een stevige hand,

en hart. gr. ook van Ant aan Enny van

je Menno

 

Nog wat: zijn Pascal en Nietzsche niet voorbeelden van je reinste ‘autisme’? Je moet maar eens zien, hoe die heeren als maar over zichzelf praten! Waarmee ik de fouten van den ‘autist’ niet wil goedpraten...

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie