Kunst en Letteren
De bundel

Een ‘Nationaal Kultureel Maandblad’
Voor de gezonde organische eenheid van gansch het volk

Wellicht herinnert de lezer zich nog het betrekkelijk geruchtlooze verdwijnen van het tijdschrift ‘De Nieuwe Gemeenschap’, dat zich langzamerhand had ontwikkeld tot een fascistisch en antisemietisch orgaan onder leiding van Albert Kuyle. De polemische campagnes van dit gezelschap, die er op berekend schenen een gehoor van ressentiments-adepten te kweeken, zijn blijkbaar mislukt, want ‘De Nieuwe Gemeenschap’ werd ontbonden verklaard en Kuyle, de strijder voor waarheid en recht volgens fascistische inzichten, verdween van het tooneel. Maar in het uitzicht werd gesteld een nieuw orgaan, ‘De Bundel’ geheeten, volgens beproefd Italiaansch model; en dit lictoren-geschenk aan de Nederlandsche natie is thans verschenen met den ondertitel ‘Nationaal Kultureel Maandblad’.

Wat opvalt, is allereerst het ontbreken van Albert Kuyle. Hij blijft weg, en alleen zijn broer, die gewoon Henk Kuitenbrouwer heet, is in de redactie opgenomen. Hetgeen ik betreur, want Kuyle - Kuitenbrouwer heeft minstens vijf maal meer talent dan Henk, die in dit nummer als de apostel van den Jodenhaat optreedt om zijn eigen gebrek aan begaafdheid te vergeten. Hij toont zich zeer verstoord over het feit, dat een Nederlander den naam Marcel Baruch de la Pardo draagt; en inderdaad, men moet hem toegeven: Kuitenbrouwer klinkt minder verdacht en veel germaanscher! Ook ‘Joodsche cabaretmenschen’ hebben het bij onzen Ariër verbruid; hij knoopt er veel ergernissen aan vast; moge het hem opluchten.

De redactie wordt verder gevormd door Erik Lindner, ir Edm. Nicolas. Ad. Sassen (alg. leiding), mr Ferdinand Verenocke en dr C. de Vrankrijker. Sassen opent de aflevering met een soort beginselverklaring, die een ‘voor elck wat wils’ bevat, gemengd uit romantiek, christendom, nationalisme, humanisme, regionalisme en dietsch besef. Aangezien de theorie hier van minder belang is dan de beoogde ‘bundeling’ van het Nederlandsche volk, citeer ik hier alleen de conclusie:

‘Wie een kultuur verdedigt, zal een staatsbeleid moeten voorstaan, dat de belangen van deze kultuur de zijne acht. Het is lange tijd het noodlot van de “Vlaamse Beweging” geweest, dat men geloofde, een kultuur te kunnen redden met verwaarlozing van de politieke zijden van dit vraagstuk. Deze opvatting heeft Vermeylen eens tot een theorie geproclameerd. Wij echter geloven, dat er innig verband is tussen het politieke beleid der natie en haar kultuur. Wij menen daarom dat de belangen dezer kultuur alleen veilig zijn onder een gezag, dat gegrondvest is op de gezonde organische eenheid van gans het volk. Naar die maatstaf zullen wij oordelen ten aanzien van het nationale welzijn der tien oude Dietse gewesten, tussen Duinkerken en Delfzijl, welke wij hebben samengebracht onder het teken van de pijlenbundel’.

* * *

Het kan niet aan twijfel onderhevig zijn, dat de ‘gezonde organische eenheid van gans het volk’ (tusschen Duinkerken en Delfzijl) in de practijk gelijk zou moeten staan met de dictatuur van de heeren Sassen en Kuitenbrouwer, of van een persoon, die hun ideeën zou kunnen opdringen aan een volk van ganzen. Dat ideaal wordt in dit nummer dan ook al wat nader belicht door Erich Lindner, die eenige Goebbelsprincipes ten opzichte van de dagbladpers propageert in een artikel ‘Drukinkt en aether’. In plaats van de ‘tuchteloosheid, genaamd vrijheidlievendheid’ en de ‘dam-, schaak- en bridgerubrieken’ der tegenwoordige dagbladen wil hij beter en intensiever inlichtingen ‘over onze koloniale bezittingen (hoe ontstellend gebrekkig is hieromtrent de voorlichting) over onze vaderlandsche historie, over het hervinden van ons nationaal zelfbewustzijn, de ontwikkeling van onze nationale deugden, over de Nederlandsche kunst als waarachtige factor van bloei onzer samenleving, over de Christelijke gemeenschapsliefde, welke een moderne maatschappij in feite niet erkent’. En voorts wenscht Erich Lindner meer.... humor in de dagbladen. Wij zullen ons best doen voor één en ander.

De aflevering bevat verder poëzie van Ferdinand Vercnocke, Paul Vlemminx, gemelden heer Kuitenbrouwer en Gabriel Gorris; een verhaal van Edm. Nicolas, ‘Dodende Runen’; theoretische artikelen van dr A.C.J. de Vrankrijker (‘Gent en Utrecht’) en gemelden Vercnocke (‘Dichter en Volk’). Het formaat van het nieuwe orgaan is sympathieker dan de inhoud der aflevering, waarvan wij overigens de vervolgen met belangstelling tegemoetzien. De bundeling van het volk hangt er van af.

M.t.B.