Briefwisseling Menno ter Braak - Johan Fabricius

Johan Fabricius
aan
Menno ter Braak (Rotterdam)

Den Haag, 16 oktober [1930]

Den Haag, 16 october

 

Zeer geachte Heer,

ingesloten 'n foto, dien ik, indien mogelijk, na gebruik van U terug zou willen ontvangen. Ik neem aan, dat de volgende biografische gegevens U voldoende zijn:

Geboren te Bandoeng (Java), 24 Augustus 1899, als zoon van den tooneelschrijver Jan Fabricius. Op veertienjarigen leeftijd kwam ik met mijn ouders voorgoed naar Europa. Mijn vader vestigde zich te Parijs, maar de oorlog maakte het wenschelijk om naar het eigen vaderland te gaan. Intusschen had Parijs en de omgang met artisten mij de eerste kunstontroering geschonken; na nog korten tijd de H.B.S. bezocht te hebben, meldde ik mij voor de Haagsche Academie van Beeldende Kunsten aan. Later slaagde ik voor de hoogste klasse der Amsterdamsche academie. In het laatste oorlogsjaar ging ik als ‘Kriegsmaler’ der Oostenrijksche regeering naar het Piave-front, leefde 'n half jaar in de loopgraven en publiceerde daarvan enkele indrukken in De Gids en elders. Het was Johan de Meester, die mij daarbij introduceerde. Ik schreef twee jongensboeken: Eiko van den Reigerhof en De Scheepsjongens van Bontekoe en twee tooneelstukken: Dole Wapper en Hans de Klokkenluider. Het eerste werd onder regie van den thans overleden dr. de Gruyter opgevoerd in de Kon. Ned. Schouwburg te Antwerpen: het tweede ging in den Haag bij Het Princessetooneel en Odeon; het werd ook in enkele Duitsche steden gespeeld. In 1922 vertrok ik naar Zuid-Amerika, zwierf in het binnenland op het grensgebied van Paraguay, Bolivia en Brazilië en verzamelde daar de stof voor mijn roman Mario Ferraro's IJdele Liefde. In Europa teruggekeerd wijdde ik mij weer 'n paar jaar geheel aan het schilderen, tot ik in 1925 de eerste van 'n reeks reizen naar de landen om de Middellandsche zee begon en mij daarbij bepaalde tot het schrijven van reisschetsen en zelf-geïllustreerde kindersprookjes. Ik moest, na lang uitstel, in Holland soldaat worden en schreef naar aanleiding daarvan Het Meisje met de blauwe Hoed, -terwijl de eerste van mijn Middellandsche Zee-reizen (waarbij ik van kleine Hollandsche vrachtbooten gebruik maakte) aanleiding werd tot Charlotte's Groote Reis. Thans werk ik aan 'n nieuwen roman: De Veelbeminde Pipistrello: dit werk is als trilogie opgezet; ik hoop het eerste deel in het voorjaar 1931 te kunnen publiceeren.

Misschien is dit overzicht U toch nog iets te lang uitgevallen, schrapt U dan maar wat U minder belangrijk voorkomt; ik geef U plein pouvoir en verblijf na vriendelijken groet,

gaarne hoogachtend Uw dw.

Johan Fabricius

 

Origineel: Amsterdam, UB

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie