Menno ter Braak
aan
Elisabeth de Roos

Rotterdam, 4 april 1931

R'dam, 4.IV.'31

 

Lieve Bep

Het bericht van de dood van je moeder heeft me erg getroffen. Ik kende haar weliswaar oppervlakkig, maar ik wist toch genoeg van haar, om te begrijpen, hoeveel je in haar verliest. Jullie huis was zoo langzamerhand voor mij al een symbool geworden van iets onbeschrijflijk prettigs, helders; je moeder was me buitengewoon sympathiek, ik voelde, dat ze vanzelf dingen begreep, zonder dat er over gepraat werd.

Schrijf me vooral, als ik iets voor je kan doen. Ik heb vacantie, ben heelemaal tot je beschikking. Doe het, schrijf even, als je me voor iets gebruiken kunt. Ik zit zelf, na dat afscheid, zoo boordevol met ellendige dingen, dat ik je extra graag zou willen helpen.

Misschien wil je ook via dit briefje mijn hartelijke deelneming aan je vader en Bob overbrengen. Ik ken hen te weinig, om hen persoonlijk te schrijven, en toch al weer te goed, om een beleefdheidsformule te sturen. Zij zullen dit wel begrijpen.

Sterkte, hoor, en schrijf, als je me noodig hebt! Dag!

je Menno

 

Origineel: particuliere collectie

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie