Menno ter Braak
aan
Elisabeth de Roos

Rotterdam, 2 juli 1931

R'dam, 2 Juli 1931

 

Lieve Bep,

Graag kom ik Maandag eten; Truida is tot haar spijt beide dagen, die je voorstelde, bezet, dus je moet het met mij alleen doen.

Ik heb nog eens nagedacht over je brief. Het is mogelijk, dat wij in de laatste jaren te ‘gelijk’ zijn geworden; waaruit mijn vestinggracht positie dan weer te verklaren is. Misschien is het zelfs goed, als wij elkaar tijdelijk niet volgen met onze reacties (ik weet het niet, maar het zou kunnen zijn, dat wij daarna, opnieuw ‘ongelijk’ geworden, naar ‘gelijkheid’ op zoek zouden gaan!). Maar is het noodig, om deze verhouding der dingen met een positieve verandering in doen en laten te accentueeren? Ik voel die behoefte niet, integendeel, er is te veel voorrecht in een werkelijke ‘gelijkheid’, zelfs al ontbreekt daardoor soms spanning. Überhaupt voel ik me na die ellendige geschiedenis in het voorjaar teruggetrokkener dan ooit, alleen maar geschikt voor omgang zonder schokken (die te zijner tijd toch wel weer zullen opdagen). Misschien maak ik daardoor een verstandelijke, te verstandelijk-beheerschte indruk; maar het gevoel heeft me nu eenmaal wat erg veel kapitaal gekost. Ik hoop, dat je je daardoor niet zult laten misleiden, want de vestinggracht staat ook met die ‘stille meren’ in verbinding.

Dus tot Maandag? Veel hart. gr.

je Menno

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie