Elisabeth de Roos
aan
Menno ter Braak

30 januari 1932

30-I-'32

 

Lieve Menno,

Je symboliek heeft me veel plezier gedaan. Ik geloof trouwens niet dat het Eddy's bedoeling was dat jij geen nut van me mocht trekken - en trouwens, soep ook, wanneer je komt logeeren, wat, hoop ik, vaak zal zijn en je misschien naar diverse rare windstreken zal voeren.

Er is overigens juist een correspondentie tusschen hem en mij loopende over zijn en mijn warme gevoelens voor je manier van schrijven (we voelen ons daarbij aangenaam trotsch op ons onderscheidingsvermogen, en, let wel, dat alles zonder aanzien van perroniaansche heilgeneeswijzen). Treed jij hier niet een beetje in de voetsporen van Pudovkin - Grundlage der F. ist die M.; zou je anders de persoonlijke ‘zegswijze’ van de een met de journalistieke truc van een ander kunnen verwarren?

Ik denk dat je je in de niet-kunst-conversatie waarover je schrijft, best genoeg zult kunnen compromitteeren om geen compromettante indruk te maken. Bovendien heb ik al heel lang het gevoel dat de conversaties die de moeite van het houden waard zijn, over kunst of andere dingen toch vooral een begeleidend gedruisch zijn (contrapunt als je wilt!) van de eigenlijke conversatie die over en weer binnensmonds gaat!

Wèl compromettant vind ik het dat je zoo nonchalant schrijft: als ik Eddy's belijdenis tot de soep volmondig kan nazeggen. De combinatie van die twee begrippen lijkt mij, hoewel subtiel, geheel in strijd met Madame Etignette.

Mij gevoelend alsof ik me op het punt van symboliek nu afdoende heb gerevancheerd (‘j'aurai ma revanche, coquin.’ heet in het Vlaamsch: ‘ik zal mijne herkansing hebben, nietdeuger!’ - authentiek naar een filmtekst.), verblijf ik,

je Bep

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie