N.P. van Regteren Altena
aan
Menno ter Braak (Berlijn)

Tiel, 5 maart 1927

Tiel 5 Maart 27

 

Amice,

Je zult wel al eerder een antwoord van mij verwacht hebben op je vriendelijke toezending van het boek over Kandinsky. Ik was zeer vereerd met dit geschenk, maar voelde me tegelijk eenigszins bezwaard, zoodat ik nu voortaan geen nieuwe titels zou durven noemen van werken die ik wel zou willen bezitten als de prijs niet boven de gestelde grens gaat. Toch dank ik je zeer en behoud gaarne dit boek als een herinnering aan jou verblijf in Berlijn.

De lectuur ervan heeft me eigenlijk niet bevredigd: Kandinsky blijkt aanhanger van een absolute schilder - of beter kleurenkunst en de vrijwel ‘occulte’ wijze, waarin zijn intuitieve schoonheidsvisie in hem opdoemt, doet mij wat al te primitief aan. ‘Waar gaan we heen?’ als deze richting veld wint. Voor mij is het een averechtsche richting, tenzij ze bedoelt het primitieve in ons wakker te houden door het af en toe te prikkelen, zoodat het de basis kan blijven waarop een ‘hoogere’ cultuur kan steunen. Maar dat is hier niet de bedoeling. Bolland zeide eens van de muziek dat die was een kiele-kiele-kunst, die den zinnelijken mensch kon prikkelen tot hij er gek van werd. Theoretisch zou dit misschien kunnen gelden voor de absolute muziek, die gelukkig practisch in werkelijkheid niet bestaat en niet bestaan kan, omdat ze slechts in een bepaalde mensch tot bewustheid zou kunnen worden, waarbij dan noodzakelijk het absolute zoek raakt: er komt dan direct de opvatting bij van dien bepaalden mensch. En zoo ging 't mij en anderen ook bij het zien van Kandinsky's kleuren. - 't Lijkt me wel genoegelijk om eens te probeeren die vraag van de Stem te beantwoorden: ‘Waar gaan we heen?’ Maar als je, zooals ik op 't oogenblik, min of meer verdiept bent in een boek van Rickert over natuurwetenschappelijke en historische ‘Begriffsbildung’, dan leef je in een sfeer, waar zoo'n vraag ‘Waar gáan we heen?’ met een actief bedoeld accent op ‘gaan’ een beetje belachelijk klinkt. Oom Janus zou hier zeggen: ‘Man denkt man schiebt; man wird geschoben’. Zoo aangevoeld klinkt me de vraag niet zinnig ‘lefmakerig’ of opschepperig. Wel ja, jullie jongeren, met je gebrek aan vaste levenslijn, met je parmantigheid van richtinglooze alzijdigheid, moet nu ook nog gaan beslissen waar we heengaan, d.w.z. in welke richting we ons begeven! Neen hierop is slechts een antwoord te geven door menschen met een vaste maatstaf van eigen inzicht, waaraan het intuitief (!) pogen der jongeren kan worden gemeten. Niet dat het antwoord dan juist zou zijn, maar alleen van deze bewust-gerichte geesten kan men op een antwoord hopen dat eenige positiviteit bezit, al zal het uitteraard slechts subjectieve opvatting uitspreken. De richtingloozen en vooral de aestheten zullen antwoorden: het marcheeren, niet het doel van de tocht interesseert ons. Zoo zal de groote massa der aangroeiende Nihilisten zich waarschijnlijk doen hooren. Tegenover de verstarde, oudere, zelfgenoegzame wijsheidbezitters, doen deze nihilisten nog wel eens aangenaam aan; ze hebben maling aan alle betweterige aanstellerij - maar de ernstige buitenstaanders (waartoe ik dan nu eens mezelf wil rekenen) krijgen langzamerhand genoeg van het gedaas in de ruimte, van de veelpraterij, die als een proces zonder eind (dat niets bereiken kan omdat het geen einddoel heeft) langs ons heen rumoert met een geaffecteerd geluid van zelfingenomenheid dat op den duur onuitstaanbaar wordt: die geaffecteerdheid noemt men dan jong moderne stijl en als ze goed of schoon klinkt wordt het kunst, maar het is een kunst die haar eigen vorm aanbidt omdat ze inhoud mist; deze inhoudslooze vormkunst zal straks de kunstenaars zelf tegenstaan, zal hen vervelen en dan... zullen ze niet meer praten maar zwijgen en luisteren of uit het primitieve oergevoel in hen iets zal opwellen dat in ondoordachte schoonheidsontroering onmiddellijk wordt doorvoeld als inhoud, als het absoluut schoone, dat niet is uit te spreken maar slechts intuitief kan worden beleefd... Kandinsky!

Ik schei er uit! Ik voelde behoefte na jou vriendelijk gebaar van de toezending van 't Kandinsky-boek mijnerzijds mijn dank te uiten in een vierzijdjes-brief. Of de inhoud voor jou lezenswaard is kan ik niet beoordelen; ik voel soms in je brieven een jongere, die ik weldra niet meer zal kunnen volgen. Waarschijnlijk is dit een teeken dat mijn tijd nu voorbij, en daar zal ik me bij hebben neer te leggen. Maar in deze schemertijd van mijn laatste jaren voor de nacht ('t wordt tragisch!) meen ik toch nog wel eens een enkele Minerva uil te zien, en als ik die dan gevangen heb, laat ik hem soms aan een jongeren vriend kijken, in de misschien ijdele hoop dat hij daarmede toch nog wel eenig Contact zal voelen; of zouden de Minerva-uilen die ik hier bedoel jullie jongeren al geheel en al vreemd zijn geworden? De moderne Techniek met zijn overtalrijke en allernieuwste vormen op allerlei gebied, leert de jeugd zich te vergapen aan de boeiende nieuwheid van dien vormen, maar de inhoud, het innerlijke vindt weinig aandacht: de vervloekte film veruitwendigt het leven en decentraliseert de menschelijke ziel, die in verstrooiing zich zelf verliest. Dáár gaan we misschien heen!

Adieu van

N.P.v.R. Altena

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie