N.P. van Regteren Altena
aan
Menno ter Braak

Tiel, 16 september 1927

Tiel 16 Sept '27

 

Amice,

Ik heb nu je artikel in P.C. gelezen, maar zelfs de lectuur daarvan kan mijn waardeering van je standpunt niet veranderen. Je zegt o.a. ‘Een vrijzinnige moet het religieuze, krachtens zijn vrijzinnigheid, beperken tot het gevoelsmoment’. Hiertegen wil ik allereerst opmerken dat de vrijzinnigheid vrij algemeen en zéér bewust zich negatief verhoudt tot een bepaald soort orthodoxie: En hierbij gaat nu eens niet het vormlooze gevoel vooraan, maar vooral het redelijk besef dat 1) de absolute waarheid te groot is voor den mensch, die slechts een beperkt wezen is; en niet alleen voor den enkeling, maar ook voor een gemeenschap(!) dier enkelingen; 2) dat de absolute waarheid als zoodanig d.w.z. absoluut op geen enkele wijze, aan een mensch kan worden geopenbaard; 3) dat hypostaseering van een toevallige, hoe dan ook ontstane, individueele of communis opinio omtrent het eeuwige tot goddelijke waarheid per se verderfelijk moet werken, daar zulks slechts kan uitloopen op verstarring van 't religieus gevoelsleven en bovendien een farizeeïsme kweekt dat op den duur onze zedelijke energie verzwakt en vernietigt. Er zouden hier nog meer punten wellicht te noemen zijn, maar dit is overbodig als je maar toestemt dat hier bij den vrijzinnige het denken en niet in de eerste plaats het voelen aan 't woord is. De vrijzinnige weet waarom hij anti-dogmatisch is. - Toch zal hij de leerstelligheid historisch waardeeren als een onmisbaar doorgangsstadium, zonder hetwelk de vrijzinnigheid waarschijnlijk nooit aan de beurt zou zijn gekomen. Zoo heeft dan de vrijzinnigheid de vrijheid van individu en gemeenschap nagestreefd op 't gebied van het religieuse, daarbij aansluitend aan een algemeene ontwikkelingsbeweging die ook andere cultuurgebieden omvatte (renaissance, liberalisme enz. vertoonen een gelijksoortige tendens.).

Deze overgang naar de vrijheid hebben de vrijzinnigen altijd gevoeld als een verlossing uit gebondenheid, als verruiming en verwijding; als een soort religieuse romantiek: de godsdienstige mensch voelde hoe 't goddelijke in zijn ziel alle perken te buiten ging, alle banden brak en in zijn onstelligheid alle leerstelligheid ontkende. Deze onstelligheid van den vrijzinnige is, zooals je terecht opmerkt, onvatbaar voor concrete formuleering en leeft van gevoel voorloopig. Dat het echter op den duur bij gevoel alleen niet kan blijven, is door de vrijzinnigen zelf reeds lang ingezien en dat behoeft daar dus niet door M.t.B. nog eens te worden meegedeeld. De behoefte aan een dogmatiek is door vooraanstaande mannen als bijv. Prof. A. Bruining e.a. en ook in tallooze artikelen in de N.R.C. zonder eenige terughouding erkend. De Rotterdammer schreef eens dat 't tijd werd dat de vrijzinnigheid haar leerstelligheid vond, op gevaar af dat ze anders te gronde zou gaan. Me dunkt dat de vrijzinnigheid in dezen van M.t.B. niets meer heeft te leeren. Maar wat ze wel mocht verwachten is dat M.t.B. toonde althans een weinig begrip te hebben voor de geweldige problemen waarvoor de vrijzinnigheid zich ziet geplaatst. Ik voor mij geloof dat het Modernisme het ten slotte met een negatieve dogmatiek zal moeten wagen. Snethlage wil deze richting al op, en wil een ‘leeg’ geloof en een ‘blind’ vertrouwen. Maar de oppositie tegen hem is geweldig, en daarbij komt dan aan den dag dat de vrijzinnigheid nog maar zeer zwak is onder de menschen, en bij de meesten slechts een verkapte of beter een min of meer verdunde leerstelligheid. Wat te denken, als Prof. Heering op een jaarvergadering van Moderne Theologen verklaart dat hij zich dichter voelt staan bij Prof. Kohnstamm (orthodox personalist) dan bij Snethlage!! Maar genoeg want de détails mogen ons hier niet bezig houden. De hoofdzaak is deze dat de vrijzinnigheid de massa wil losmaken uit de banden ener àl te ‘primitieve’ achterlijke dogmatiek, en dat jij in deze strijd aan haar zijde moest staan als je erkent (en dat doe je, vermoed ik) dat die ‘primitieve’ leerstelligheid in vele opzichten anti-cultureele strevingen vertoont die wij geen van beiden kunnen dulden. - Dat de vrijzinnigheid in haar idealisme misschien wat hoog heeft gemikt en daardoor vaak de caricatuur vertoont van zijn eigen principieele bedoeling, wie zal het ontkennen? Maar dat het gemakkelijk valt elk hooger streven te caricaturiseeren, omdat hooger streven altijd te hoog heeft gemikt, dat had jij niet nog eens weer behoeven aan te toonen. Een klein beetje besef van de geweldige maar zéér belangrijke problemen, die de vrijzinnigheid heeft aan de orde gesteld en nog voortgaat aan de orde te stellen, had je lust tot spot kunnen bedwingen en misschien je eerbied kunnen inboezemen voor een beweging die, ondanks het paradoxale dat haar in vele opzichten aankleeft en mòet aankleven, toch maar niet verdwijnen wil doch in haar beste vertegenwoordigers (en die zijn er meer dan jij wellicht denkt) blijft zoeken en tegelijk met alle macht, door hun preeken ook, de massa of beter de gemeente tracht te winnen voor religieuse vrijheid, die naar zij vast vertrouwt geen religieuse ongebondenheid of vormloosheid zal blijken te zijn. De vrijzinnigheid is nog lang niet boven haar Crisis uit, maar toch schijnt zij mij op weg haar gebondenheid te zullen vinden, en vooral het feit dat, ondanks 't geridiculiseer van velen (waaronder helaas nu ook M.t.B.) de beste en voornaamste geesten hun krachten wijden aan de doordenking dezer zwaarste religieuze vraagstukken, vooral dat feit toont wel dat er meer aan de orde is gesteld, dan alleen maar de kinderachtigheden die jij hebt ontdekt en die natuurlijk hier ook wel bestaan (zooals trouwens bij alle menschelijk poogen)

met vr. gr.

je oom Nico

 

Ik heb je brief niet punt voor punt beantwoord, daarom alleen nog dit: je acht de strooming, die vrijzinnigheid heet, fataal. Waarom? Omdat er zooveel rare types in die strooming zich laten meezeulen? Maar dan moet je elke strooming fataal achten. Je noemde al het socialisme maar voeg er de orthodoxie, de Islam en wat je verder maar wilt bij. Elke strooming is in zekeren zin fataal en de mij onbekende strooming waarin jij mee drijft durf ik zonder aarzeling bij voorbaat ook fataal te noemen. Aan haar fataliteit gaat dan ook iedere strooming ten slotte ten gronde als ze haar plicht heeft volbracht in de openbaring van haar tekort, waardoor zij aanleiding geeft tot 't ontstaan van nieuwe stroomingen enz. enz. tot... daarover praten we nog wel!

Het P.C. artikel krijg je bij gelegenheid terug.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie