N.P. van Regteren Altena
aan
Menno ter Braak

Lochem, 18 september 1931

Lochem 18 Sept. '31

 

Amice,

Zooals je weet hebben Oom Janus en tante Lise bij ons gelogeerd en bij die gelegenheid is toen door de dames je roman Hampton Court voorgelezen. Voor mij was het eigenlijk een opluchting dat het nu eens niet een essai was noch een wijsgeerige overdenking waar je je lezers op wilde vergasten, maar een roman. Ik kon dus nu in zekeren zin al je bespiegelingen als aan de romanfiguren toegedichte overdenkingen laten voor wat ze waren. Ik kon bijvoorbeeld de kinderlijke (kinderachtige?) beperktheid van een Van Haeftensche wereldkijk zonder tegenspraak volgen; inderdaad zulke menschen komen voor, en waarom zouden ze in jou roman niet een rol spelen? En de indruk hunner oppervlakkige grootsprakigheid op individuen als Andreas, vooral ook de krachtige beslistheid hunner kortzichtige verzekerdheid heb je m.i. goed weergegeven, als ook de lebensgespaltenheid van Andreas ten slotte en als correlaat verschijnsel daarvan de leegheid van Hampton Court, want achter de gespaltenheit is natuurlijk niets te vinden, 't is de synthese die het hem doen moet. Immers wat zou er achter een leven staan, dat zich zelf leeft als een mozaïek van naast elkaar staande afzonderlijke belevingen, zooals Van Haeften naast zijn philosophie ook nog Eline bezit d.w.z. naast zijn philosophische helderziendheid ook nog zijn imbecielen-leven vasthoudt: point - counterpoint! Maar, zooals gezegd, al deze dingen kan ik in een roman accepteeren zoolang hun waarschijnlijkheid in de gegeven situatie kan worden toegegeven. Dientengevolge bestaat er nu voor mij een boek van Menno ter Braak waarvan ik de litteraire waarde zéér hoog acht. Misschien zou bij volgende lezing mijn waardeering in dit opzicht zich nog wel eenigszins kunnen wijzigen, maar op het oogenblik vind ik het hoofdstuk ‘Maffie’ het best geslaagd. Wat mij het meest aantrekt is de zuivere oorspronkelijkheid van dit boek, zoodat ik overtuigd ben dat een ander dan jij zelf zoo iets niet zou kunnen schrijven. Stellig heb ik van dit boek genoten. Oom Janus bekeek natuurlijk de inhoud van 't boek meer met ‘medische’ oogen, toch vond ik een uitlating van hem typisch genoeg om ze hier te herhalen. Hij sprak o.a. van een gecamoufleerde angstpsychose. Ik vond dit een gelukkige formuleering van wat ook mijn indruk was. Maar dit heeft natuurlijk met het boek als litterair werk niets te maken. Het is inderdaad wel zeer moeilijk bij het lezen van zoo'n boek je geheel los te maken van je toevallige relatie met den schrijver, ook het terugvinden van bepaalde romanfiguren in het dagelijksch leven schijnt een spelletje dat velen bekoort. Voor dit spelletje voel ik niets, integendeel ik vind het zelfs hinderlijk als 't boek me zoo'n vergelijking suggereert bijv. 't notariskantoor dat met de huiskamer in verbinding staat en de notarisvrouw die even aan ‘Tante Jo’ deed denken. Maar 't moeilijkst blijkt (niet onder 't lezen maar achteraf) voor mij 't uit elkaar houden van Andreas en Menno t. Br. - Ik hoop dat dit praatje naar aanleiding van je boek niet verkeerd wordt opgevat: ik heb over het boek eigenlijk niets dan lof: het is als altijd de taal en ook de beheerschte compositie van sommige gedeelten waarvoor ik meer bewondering koester, dan jij wellicht bij zoo'n verstokt prozaïsch redeneertype met sterk geprononceerde ethische strevingen kunt veronderstellen. Een zoo uitgesproken ‘burgerlijkheid’ kan het, volgens jou natuurlijk, zelfs moeilijk tot dichterlijke Carnavalsstemming laat staan tot ware dichterlijkheid d.w.z. tot Hampton Court leegheid brengen. Inderdaad de Carnavals dichterlijkheid, zooals jij die bedoelt, is mij niet vreemd, maar de ware positieve (!) dichterlijkheid van het niets blijft buiten mijn bewustzijn d.i. buiten mijn leven en de Hampton-Court-leegte is dan ook voor mij niet anders dan een ‘verbloemde’ gesublimeerde angst voor het leven, die ons op de vlucht dreef uit de eenheidssynthese van het bestaan, waar niet alles mozaiek-achtig uiteenligt maar waar 't verband als veeleenigheid gehandhaafd blijft, zoodat de omgang met Eline haar invloed op Van Haeftens wijsgeerigheid zal moeten doen gevoelen en omgekeerd. Inderdaad (en dit is o.a. zeer goed in je boek gedemonstreerd) zijn zulke types als Van Haeften en zijn praatjes voorbeschikt om het ‘bij de meiden’ te zoeken en te vinden: soort zoekt soort: Synthese! Maar wat die synthese ook meebrengt? Dat de misdaad der vaderen gestraft wordt aan de kinderen van het derde en vierde geslacht en dat de verkeerdheden der kinderen niet in een apart hokje van hun leven geïsoleerd blijven maar de Ganzheit d.w.z. de eenheid van dat leven kunnen verzuren als de bekende zuurdesem waarvan je in je ‘domineestijd’ wel eens gehoord hebt. Niet point - counterpoint, maar polaire samenhang is het leven in al zijn deelen, en de bewustheid van deze polariteit is het die in ons den levensangst wekt: het besef dat al onze daden elk afzonderlijk samenhangen met het geheel onzer daden en dat de komende daden weer afhangen van en samenhangen met de tegenwoordige kan tot een obsessie worden waarmee we geen raad weten. De geforceerde Lebensspaltung schijnt mij hier niet de meest aanbevelenswaardigen ‘uitvlucht’.

Adieu

H.

Oom Nico

 

N.B. Voor het gewenschte debiet lijkt mij de roman niet boeiend genoeg, niet populair genoeg geschreven en bovendien vooral voor den beginner, d.w.z. voor wie er nog niet in is, voor wie nog vreemd staat tegenover de visie en 't aanvoelen der feiten bij den schrijver van 't boek, in de eerste hoofdstukken te gerekt.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie