Menno ter Braak
aan
Herman Robbers

Den Haag, 7 april 1934

den Haag, 7 april '34

 

Zeer geachte heer Robbers

Vriendelijk dank voor Uw schrijven. Mijn intelligentie zal inderdaad op sommige punten wel niet meevallen, want, hoewel ik het geheel met U eens ben over het verkeerde van het zenden van recensie-exemplaren, zijn mijn conclusies voor dit geval juist daardoor precies tegengesteld aan de Uwe! U zegt: de uitgevers Nijgh & v. Ditmar zenden zelfs gebonden exemplaren ter bespreking. U hebt de juiste reactie daarop m.i. gevonden; U hebt Uw onafhankelijkheid als criticus bewezen, door mijn (gebonden) Dumay ongunstig te bespreken, zeer tot mijn genoegen, want de critiek was de oprechte vertolking van Uw standpunt. Mij echter neemt u kwalijk, dat ik tegenover ‘Elsevier’ hetzelfde doe! Ook ik bewijs mijn onafhankelijkheid van dergelijke ‘zichtzendingen’ door mij ongunstig over Uw tijdschrift uit te laten... en nu wordt mijn recensieex. ingetrokken! Ik kan de parallel nog wat verlengen; als U b.v. in Uw critiek over ‘Dumay’ eens had gezegd, dat ter Braak nooit ofte nimmer een behoorlijk werk schreef of zal schrijven, dan zou, volgens Uw redeneering, daaruit volgen, dat Nijgh & v.D. het volste recht hadden U voortaan geen recensieex. meer toe te zenden!

Als U het systeem van recensieex. wilt bestrijden, ben ik Uw man; maar het wil er bij mij niet in, dat dit moet geschieden door de recensenten, die zich minder gunstig uitlaten, vast afzonderlijk te dupeeren. (U zult toch wel van mij aannemen, dat ik zelf niet iedere maand alle tijdschriften kan koopen.) Wat U dus met Uw index zou bereiken, zou zijn (als U op dezen weg zoudt willen voortgaan): dat ‘Elsevier’ geleidelijk uit alle kolommen zou verdwijnen, waar men het wel eens ongunstig beoordeeld heeft, en dat alleen de gunstiggezinden overblijven. Op die wijze is het onttrekken van recensieex. dubbel en dwars beïnvloeding van de pers. - Waaruit U overigens geconcludeerd hebt, dat ik alle jaargangen van Uw tijdschrift slecht heb genoemd, ontgaat mij. Ik bedoelde met mijn ‘volkomen onzinnige qualificatie’ slechts, dat tegenwoordig de litteraire afdeeling volgens mijn meening zeer veel te wenschen laat. De vroegere verdiensten ontken ik niet! Zelfs de tegenwoordige niet, maar bij ongeluk betrof dat de beeldende kunst, die geen voldoende tegenwicht bleek voor de litteratuur, helaas! Waarom heeft de heer Slagter mij nu eens niet een dubbel ex. toebedacht? Maar ook deze algemeene qualificatie wilt U niet voor mijn rekening laten, want U zette haar om in een soort boycot.

Het gaat hier echter niet alleen om mijn persoonlijke meening, maar ook om ‘Het Vaderland’; en als redacteur van dit blad heb ik er geen bezwaar tegen een belofte te doen, die mij als particulier zeer onaangenaam zou zijn. Ik wil U toezeggen, dat ik elk nummer van ‘Elsevier’ op zijn eigen mérites zal oordeelen, als ik U er een genoegen mee doe geen algemeene conclusies te trekken. Nadrukkelijk wil ik hier aan toevoegen, dat ik deze concessie doe, omdat U daarvan de toezending van het tijdschrift afhankelijk stelt.

Gaarne verneem ik dan van U, of de zaak hiermee geregeld is.

Als particulier, U houdt mij dat wel ten goede, heb ik toch heimelijk het gevoel, dat U mij hierdoor eenigszins gedwongen hebt de meesterlijke poëzie van den heer van [Deene] en het niet minder subtiele proza van Jacob Hiegentlich met een genegener oog aan te zien dan ik van nature zou willen doen. Maar soit, er zijn verschillen, die toch onoverbrugbaar zijn. U kunt er van opaan, dat ik mijn belofte over het vermijden der algemeenheid zal handhaven, en ook verder ‘Elsevier’ met dezelfde aandacht en uitvoerigheid zal bespreken, als waarmee ik dat vroeger placht te doen.

m.v.gr. en hoogachting

uw Menno ter Braak

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie