Briefwisseling Menno ter Braak - A. Roland Holst

A. Roland Holst
aan
Menno ter Braak

Bergen N.H., 23 augustus 1931

Bergen. N.H.

Aug. 23. '31.

 

Zondag

 

Geachte Heer ter Braak,

In Bergen is Augustus - voor mij althans - geen geschikte maand, om u mijn gevoelens en mijn meening over uw essay te schrijven zoo als ik dat zou willen. Ik hoop echter, dat ik eens de gelegenheid zal krijgen mij over deze dingen mondeling met u te onderhouden, wat toch altijd tot vollediger gedachtenwisseling leidt.

Hoewel uw essay zoowel wat enkele overtuigingen als wat de geestelijke houding betreft mij natuurlijk allerminst verwant is, zou ik het graag in ‘De Gids’ geplaatst zien, omdat er - en dit is voor mij in zulke zaken het criterium, le bon genre zou ik kunnen zeggen - op stellige en soms bijna volkomen wijze een persoonlijkheid, een wezen, in tot uitdrukking komt, waarvan een bepaalde tijd zich rekenschap dient te geven. De scherpe, zoo vaak geestige en steeds klare formuleeringen en beelden, die gij herhaaldelijk gebruikt, verhevigen het stellige van die wijze; ik schreef echter ‘sóms bijna volkomen’, omdat ik, uw essay lezend, niet zelden den indruk krijg, dat gij, waar de belangrijksten der, door u gekozen, tegenstanders onbereikbaar blijven, wel al te zeer gepreoccupeerd schijnt, de minder belangrijken zoo pijnlijk mogelijk te krenken en belachelijk te maken. Dit nu - deze meest niet uitgesproken doch bijna steeds bespeurbare neiging - komt uw werk niet ten goede op dát plan, waarop het in zijn geheel had kunnen staan. Uw toon wordt te zeer - zij het dan à rebours - door Coster (om 't nu maar een naam te geven) bepaald. Hierin voel ik nu iets van de Humor, die gij huldigt, zonder dat uw woord er - dunkt mij - nog aan toe is, en hierachter hoor ik de Lach, maar die van b.v. Shakespeare of Meredith, die wérkelijk vrij is.

Had de geest, die uit uw essay spreekt, de kunst bepaald, dan waren niet slechts Leopold's gedichten, doch ook de werken van b.v. Beethoven, Milton, Rembrandt, nooit ontstaan. Het is mij onmogelijk mijn voorkeur voor subjectiviteit (die groot is) te prikkelen tot zulk een consequentie, en ik moet de geldigheid uwer inzichten voor de kunst (of hoe gij 't noemen wilt) dus wel betwijfelen. - Het feit, dat men met een vliegmachien boven de architectuur kan kruisen, bewijst nog niet, dat men met een polemische gedachte boven b.v. de laatste regels van ‘Paradise Lost’ kan komen. Gij zult wellicht voor mijn consequentie terugschrikken, en zeggen, dat gij u niet als tegenstander stelt voor een Rembrandt of een Beethoven; de geest van uw stuk doet dit echter wel. Waar dit uit de gedachten wellicht nog niet geheel zou zijn te bewijzen, blijkt het onmiddellijk uit de toepassingen. Want waar uw appreciatie-en-depreciatie van de estheten theoretisch zeer treffend is, staat gij in de toepassing wel bedenkelijk dicht bij de door uzelf terechtgewezen anti-estheten, die aan het estheet-zijn nog niet toekwamen, b.v. waar gij in de tegenstelling Adwaita-Leopold het doet voorkomen, alsof de poëzie van L. (die wel allerminst een ‘onberispelijke poésie pure’ is), vooral een poëzie voor estheten zou zijn. Hoe volslagen onjuist dit is, bewijst het feit, dat vrijwel alle bewonderaars van Leopold òòk bewonderaars van Henriette R.H.'s poëzie zijn, die bijna systematisch alle esthetiek schendt. Dit brengt mij weer tot wat ik de kern der zaak acht, want voor wie zóó bewonderen wordt alles in eerste instantie beslist door de vraag, of in een bepaalde poëzie een wezen zich noodwendig en dwingend uitdrukt (misschien óók nog, of een wezen in zijn poëzie volkomen middelaar is - doch dit stelt het geloof in een hierarchische orde, en zou mij veel te ver voeren). Dit criterium wordt door u al te zeer verwaarloosd, en ik vraag mij af, of gij door dit verwaarloozen der persoonlijkheden ten bate van - toch altijd min of meer theoretische - inzichten uwer eigen persoonlijkheid niet dichter bij het dogmatische komt dan gijzelf wellicht zoudt wenschen. Ook geloof ik, dat gij door de polemische wijze, waarop uw persoonlijkheid zich bijna voortdurend instelt, het gevaar loopt de onbevangen blik te verliezen op de vrije persoonlijkheid, die - in zichzelf als een land-en-volk zijnde - zoo noodig een weermacht hééft, doch niet een weermacht ís. In uw toon hoor ik te vaak de (geestelijke) militair, die een bepaald landschap veroordeelt om een tekort aan strategische mogelijkheden en van een bepaald volk de feesten of het geloof, omdat die zich niet weerbaar voordoen.

Ik heb wel zeer ‘at random’ enkele bezwaren opgegeven, die ik voelde bij het lezen van uw essay, en die minder uit verschil van meening voortkomen dan wel uit de overtuiging, dat gij, door de wijze waarop gij u instelt, uw eigen meeningen niet altijd tot hun volle waarde laat komen. Met die meeningen als zoodanig ben ik het dikwijls geheel eens; zoo b.v. op p. 19: ‘de schoonheid leidt den dichter van de natuur tot de kunst’ - en de volgende alinea: ‘die kunst is de derde mogelijkheid’ - en waar gij zegt: ‘de schoonheid opent ons de wereld van het verlies’. Slechts beseft gijzelf niet, hoe - door uw verkeerde kijk op wat esthetisch is en wat niet - de diepste mogelijkheden uwer eigen meeningen u ontgaan.

Ook het 2e gedeelte heeft mij, wat de meeningen en de formuleeringen aangaat, zeer geboeid. En toch: waar gij de kunst ziet als een botsing tusschen de twee begeerten alles vloeiende te laten en alles zinrijk geformuleerd voor te dragen, daar is het weer uw met alle scherpzinnigheid voorgedragen doch niet diepzinnige kijk op het esthetische, die u van ‘het grootste risico’ alle kunsten behalve die van het woord doet uitsluiten. Ook vraag ik mij dáár af, of de groote wagers (als Nietzsche) het grootste risico ooit namen omdàt het een risico was, dan wel omdat hun wezen zich daardoor vervulde. En zou hij, die het bewust en opzettelijk àls risico kìest eer hij het neemt, niet onbewust een ander risico nemen, een ongewenscht: dat van zijn meest volkomen vervulling te verzuimen? -

Wellicht verbaast het u na dit alles, dat ik uw essay toch in ‘De Gids’ hoop te zien. Ik vind echter, dat uw persoonlijkheid er zich op een hoezeer door het polemische ook beperkte, toch zoo klare wijze in uitspreekt, dat een geestelijke ontmoeting inderdaad, lezende, plaats grijpt. Bovendien geef ik graag toe, dat de zoo dilwijls polemische toon, door haar groote bekwaamheid, ook haar voordeel heeft - dát n.m. van te prikkelen tot verweer tegen díe dogmatiek- à rebours, waarvan de humor mij u nu eenmaal als een voorvechter doet zien.

Ik kan u natuurlijk nog niet beloven, dat uw stuk geplaatst zal worden, omdat ik er niet alleen over beslissen kan. Zoodra ik bericht heb, dat Nijhoff in het land terug is, stuur ik het hem. In elk geval schrijf ik u de beslissing zoodra die genomen is.

Met vriendelijke groet, hoogachtend

Uw dw A Roland Holst

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie