Briefwisseling Menno ter Braak - Jean de Sturler

Menno ter Braak
aan
Jean de Sturler

19 maart 1937

Zeer geachte Heer de Sturler

Van een terug te zenden brief, die mij via Greshoff gewerd, maak ik (beter laat dan nooit) gebruik om U nog hartelijk dank te zeggen voor Uw proefschrift. Ik kwam daartoe niet eerder, omdat ik mij heilig voornam het te lezen (zooals U wellicht weet, ben ik zelf ook historicus vom Fach); van die gelofte kwam echter nog niet veel, want ik viel van de ene drukte in de andere, zoodat het boek nog te wachten ligt op betere tijden (den zomer, hoop ik). Na alles, wat Eddy mij over U vertelde en schreef, zou ik gaarne eens persoonlijk met U kennis maken; misschien komt die gelegenheid ook eens, als ik in Brussel ben?

Wat het geld betreft: Greshoff zal U al hebben meegedeeld, dat het betreffende honorarium reeds naar Tjitjoeroeg was gezonden. Ik hoop dus, dat U de zaak Gille op een andere manier kunt regelen. Een gemakkelijke zaak is het niet, gegeven de omstandigheden. Mocht ik in deze iets te uwer assistentie kunnen doen, dan hebt U maar te schrijven; ik zie echter niet goed, wat ik op dit moment zou kùnnen doen.

m.v.gr. en hoogachting,

Menno ter Braak

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum (P.346 P. Dossier inzake Gille du Perron).

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie