Adriaan van der Veen
aan
Menno ter Braak

New York, 7 mei 1940

Adriaan van der Veen

 

(Voor Menno ter Braak)

 

New York City, 7 Mei 1940,

68 Washington Square South,

c/o Berthoud.

 

Beste Mijnheer ter Braak,

Ik hoop dat u er niets tegen hebt deze brief door bemiddeling van den heer Schilt te ontvangen. Dit is de eenige manier om uw gauw iets te kunnen schrijven. Een brief per boot verzonden blijft minstens een maand onderweg.

U heeft me veel plezier gedaan met de toezending van uw kroniek ‘Remember my forgotten man’. Inderdaad, Kuusinen is een verachtelijk persoon, maar misschien - waarschijnlijk zelfs - was hij doelbewust een schurk en gebruikte hij als nuttig de Waarheid van Moskou. De ‘domme, eerlijke, bigotte communisten’ zou men niet willen doodtrappen als een rat Kuusinen, maar men veracht hen daarom niet te heviger. Ik weet eigenlijk niet precies waarom, maar ik voel een misselijk gevoel van geïrriteerdheid opkomen, zodra ik hier hoor praten over Moskou en klassenstrijd. Uw stuk komt net op tijd om precies uit een te zetten hoe het van een redelijke strijd gegroeid is tot een dogma, mocht men soms nog wel eens weifelen tegenover den welbespraakten verdediger van Moskou. Sprekend over de verdediging van Moskou, dit maakte mij ziek den eersten avond dat ik hier op Times Square liep. En ik geloof dat ik daarom eigenlijk ‘gebroken’ heb met Alvena Seckar. Na Europa, dat kennelijk een goede invloed op haar had uitgeoefend, was zij weer geheel ‘bekeerd’ tot de leer. Ik heb mij toen voor het laatst nog eens laten verleiden tot een heel uitgebreide discussie, geheel zonder zin, omdat de geloovige niet gevoelig is voor argumenten - de communist doet alleen alsof - en ik heb er daarna niets meer over gezegd. Dit met het gevolg overigens dat ik nu communisten physiek ga haten, de Daily Worker - ‘waar het immers zelf in staat.’ - in een boog ontwijk, wat natuurlijk niet bevorderlijk is voor de groei van een ‘oprechte liefdesverhouding.’

Ik zie nu heelemaal geen communisten meer, ik hoor niets meer over communisten en ik voel, dat ik ook met de anderen: de reactionnairen hier, die meewerken aan een groeiende anti-semitische stemming, niets te maken heb en ik woon heelemaal alleen in een aardige kamer op Washington Square, waar ik mij volkomen gelukkig voel. ‘Gelukkig’ waarschijnlijk in de eerste plaats omdat ik geen idee heb hoe lang ik nog geld zal hebben om er te kunnen wonen. Nu en dan krijg ik een heel miserabel gevoel wanneer ik hoor hoe Nederland bedreigd wordt. De geruchten duiken weer op en ik vraag mij af of deze brief u nog zal bereiken. Misschien is het zoo erg niet. Ik heb ook geen idee of ik, mocht Nederland in oorlog komen, terug zal keeren. Er is tamelijk wat kans op. Ik ben benieuwd of er weer bijeenkomsten zijn, zooals bij het begin van den oorlog, in de huiskamer van de Van Liers, waar ik op gekste tijden kwam binnenloopen en er altijd iemand vond, die bereid was over den oorlog te praten. Maar voor uw werk moet zoo'n atmosfeer doodend werken. Zelfs hier krijgt men ditzelfde gevoel van nutteloosheid nog. Bijvoorbeeld: ik vraag mij af of het nog zin heeft uitgevers af te loopen, boeken te lezen en ze naar Meulenhoff te sturen. Toch ga ik door, net zooals u waarschijnlijk het hoognoodige zult doen. Hier heeft men trouwens niet en het zou nonsens zijn om net te doen alsof, het benauwende, drukkende gevoel dat men in Holland had en dat wel altijd op den achtergrond bleef, maar toch aanwezig was. Soms schaam ik mij erover, dat ik het niet meer heb, hoewel al mijn vrienden en mijn familie in Nederland zijn, alle menschen dus waar ik werkelijk om geef. Misschien komt dat, omdat ik hier druk bezig ben en misschien realiseer ik mij pas wat er is gebeurd wanneer ik zou hooren dat Nederland in oorlog zou zijn. Maar wellicht komt het nooit zoo ver.

Ik zei zoojuist: de ‘menschen waar ik werkelijk om geef’. Inderdaad, een gesprek vrijuit, rechtuit en heelemaal voor mijn plezier, te houden met du Perron, met u of Rudie, Fred of de Van Rantwijks, heb ik hier zelden, eigenlijk alleen met de familie Barnouw, de aardigste familie, die ik hier kon aantreffen. Een dochter, waar ik veel belang in stel en een zoon, die veel gevoel voor humor en ‘betrekkelijkheid der dingen’ heeft - een onbetaalbare eigenschap in Amerika - en lang niet gek schrijft. Zij zijn hier zoo ongeveer zooals de Greshoffs te Brussel waren. Maar niets herhaalt zich en hoe graag zou ik de familie Greshoff weer eens compleet willen zien. - Al mijn bezoeken, al mijn gesprekken - en men praat hier ongelooflijk veel - staan vrijwel alle in dienst van mijn doel hier. En wat is mijn doel hier? Dat weet ik niet precies, maar het houdt mij erg bezig. Het eerste doel wat ik mij voorstellen kan is natuurlijk: niet verhongeren. Er zit iets zeer sportiefs in deze bezigheid en daarom geloof ik ook, dat ik mij Amerika niet realiseeren zal voordat ik zou zijn ‘settled, very, very nicely.’ Misschien zou ik dan plotseling om hulp beginnen te roepen en de oceaan overzwemmen. Maar gezien het feit, dat ik vrijwel niemand heb met wie ik kan praten zooals met de Hollandsche vrienden en opmerkende, iederen dag met meer verwondering, dat ik mij hier niet verveel, moet ik wel tot het besluit komen, dat ik vrijwel genoeg heb aan mijzelf. Voorloopig althans. Want er is werkelijk niet zoo heel veel verstrooiing. Ik ben hier niet als een toerist en het nachtleven is mij volslagen onbekend. Alleen Harlem heb ik bezocht en daarover hoop ik Rudie uitvoerig te vertellen. (Ik werd weemoedig bij de gedachte, dat hij hier niet kon zijn om zich met mij te verheugen in het dansen van de jonge negers. De Boule Blance is afgezakt en vervelend vergeleken bij de dansgelegenheden hier, waar je niet eens sterke drank kunt drinken.) Gewoonlijk schrijf of lees ik des morgens thuis, des middags dikwijls ook en dan ga ik thee drinken in een drug store, want café's heeft men hier niet en ook 's avonds doe ik zoo iets. Ik zag wat toneelstukken en als ik anders de stad in ga, dan bezoek ik uitgevers en agenten van schrijvers. Misschien verheug ik mij vooral in het leven hier, omdat ik alleen word gelaten. Het leven op Het Vaderland - en in het vaderland - was wel niet erg drukkend, maar leek veel op een sleur, na eenigen tijd. Hier is niet zoo zeer sprake van een sleur, als van een orde, die ik vrijwillig schep. Niemand dwingt me om om acht uur op te staan en dat doet me plezier, hoewel ik toch om acht uur opsta. Wil ik hier overigens ooit nog eens geld verdienen, dan vrees ik, dat ik toch wel iets zal moeten doen voor iets, dat mij op geregelde tijden zal opeischen. Mijn Engelsch gaat goed vooruit en ik probeer al zoo'n beetje in het Engelsch te schrijven; mijn brieven aan uitgevers enz. zijn al een goede oefening.

Ik was een paar keer met Elsa Barnouw - zij praat Engelsch en was ook op een Amerikaans college - in Connecticut; een prachtige staat en in Juni ga ik professor Scott Nearing opzoeken in Vermont. Joris Ivens, die bijna naast mij woont op Washington Square, noodigde mij uit naar Colorado te komen, waar hij een nieuwe film maakt en dan is er nog een Amerikaan, die in Canada woont en die naar een jonge Hollander vroeg, die hem Hollandsch wou leeren. Ik zou die jonge Hollander willen zijn en prof. Barnouw heeft mij aanbevolen. Voorloopig is er genoeg te doen.

Wanneer u Kennie dezer dagen ziet, zoudt u haar willen vertellen, dat ik haar vaders boek dat pas in Engeland is uitgekomen - ‘The House of Haarlem’ bij Macmillan, een van de belangrijkste uitgevers hier, heb aangeboden. Zij zijn nu aan het onderzoeken of Engeland de rechten heeft voor de Engelsch sprekende landen of alleen voor Engeland. In het laatste geval krijgen zij weer met Meulenhoff of met den schrijver te doen. In elk geval hebben zij er veel zin in.

Zoudt u Annie Suyker hartelijk willen danken voor uw Zondagsartikelen, die zij mij heeft toegezonden? Ik zal haar zelf vlug schrijven en ik hoop, dat zij mij ook de volgende artikelen zal sturen. Als ik uw stukken lees, blijf ik in elk geval op de hoogte en de kansen verminderen dat ik word ‘a tough American guy’, waartegen du Perron mij zoo ernstig waarschuwde in zijn gedicht. Ik geloof niet dat er veel kans op is. Het klimaat beïnvloedt mij in zooverre, dat ik wel begrijp wat er verwacht wordt, wil men iets bereiken, maar dat ik er voor mijzelf niet in geloof. - Ik zou het erg prettig vinden als ik nu en dan eens iets van u zou hooren. Maar als u voor schrijven geen tijd heeft, dan ben ik even blij als u mij een artikel toestuurt, zooals nu bijvoorbeeld uw kroniek. Wilt u du Perron, 's-Gravesande, Rudie, Fred, Kennie, de Van Rantwijks, allemaal, mocht u ze zien, van mij groeten? Voor u hartelijke groeten, ook voor uw vrouw uw

Adriaan

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie