Menno ter Braak
aan
J.W.F. Werumeus Buning

15 januari 1928

15 I 28

 

B.J. (Excuseer me: het gaat me voorloopig nog niet af dezen brief met ‘Waarde W.B.’ te beginnen).

Je opzegging van persoonlijke relaties heb ik vanmorgen ontvangen. Als de jongere acht ik me verplicht en voel ik me trouwens gedrongen een poging te wagen mijn houding in dit conflict voor je toe te lichten; want, of je het gelooven wilt of niet, het is me iets waard je vertrouwen in mijn faits et gestes niet te verliezen, zeker niet op deze wijze. Zooals je zult begrijpen, laat het me ijskoud, of de jongeling Arntzenius mij onder jouw oogen (wat ik je toch overigens ook niet persoonlijk heb kwalijk genomen!) als grootvader en bezitter van alle wijsheid op een meer dan onhebbelijke manier ontvangt; ik ken den man niet en hij interesseert me niet, omdat ik nog nooit één persoonlijke daad van hem gezien heb. Tegenover jou staat de zaak anders; het interesseert me wél wat je van mijn gedragingen denkt en alleen daarom stel ik er prijs op je hier uiteen te zetten, waarom ik niet anders kon dan het artikel in Filmliga zoo schrijven als ik het geschreven heb. (Ik kom er hier persoonlijk tegenover jou voor uit, dat het van mijn hand is; doet er verder niet toe, daar alle vier mederedacteuren zich met toon en inhoud geheel hebben vereenigd).

De redenen, waarom je het artikel als een persoonlijke beleediging beschouwt, kun je m.i. gevonden hebben in de passage, dat je op de film Sunrise werd ‘losgelaten’, hetgeen je persoon als criticus aantast; verder in de passage waarin ik zeg, dat de Telegraaf zich van personen bedient na hun van hun persoonlijkheid ontdaan te hebben. Dat ik op je bespreking van Sunrise critiek oefen, zal je onaangenaam kunnen hebben aangedaan, het kan, voorzoover ik je ken, geen reden zijn geweest, aan een persoonlijke beleediging te denken. Inderdaad ben ik het volmaakt oneens met die bespreking, beschouw ik die zelfs als een voorbeeld van onbevoegde filmcritiek (je neemt me niet kwalijk, dat ik je in dezen brief alles ronduit zeg; uit het feit, dat ik hem schrijf, mag je blijken, dat het in dezen om andere dingen gaat). Maar deze onbevoegdheid is niet de reden, waarom ik het woord ‘losgelaten’ gebruikt heb. Ik heb dat woord gekozen, om aan te geven, welke houding de Telegraafredactie, en dat met naam en toenaam, inzake de film volgt; een houding, die het Handelsblad m.i. terecht niet wenscht aan te nemen. Dit schrijven over tradeshows van willekeurige films, uitgaand van bioscopen, die aan de 90% prullaria de pennen der kunstredacties niet wagen, gecombineerd met het negeeren van het toch systematisch vertoonde werk van de Liga, vestigt den indruk, alsof men met de film een loopje neemt. Om je de waarheid te zeggen: het zou me verwonderen, als één van jullie zich werkelijk intensief voor ook maar een haar voor de film interesseerde. Jullie gaat op een willekeurige film, die in een tradeshow gebracht wordt, af, ontdekt (allicht!) daarin qualiteiten, en beschouwt dat plotseling als de filmhemel op aarde! Deze methode, die ik funest vind en een criticus onwaardig, kan ik niet anders qualificeeren als een-worden-losgelaten-op, een zich geen rekenschap geven van het geheele filmprobleem. Als woordvoerder van de Liga was ik dus gerechtigd het woord te gebruiken; en zelfs heb ik, hoewel ik omdat jij er bij betrokken was, iedere niet stipt te verantwoorden uitdrukking heb vermeden, geen oogenblik gevoeld, dat ik dit woord tegenover jou niet zou mógen gebruiken. Hetzelfde is het geval met het ontdoen van persoonlijkheid, waarvan ik de critici van de Telegraaf heb beschuldigd. Hiermee raak ik de kern van de kwestie, waarmee je je natuurlijk niet zult willen vereenigen. Ik ben van meening, dat de Telegraaf van den mensch een vulpen met een mechaniekje maakt, van den criticus een opgewekt verslaggever van anecdoten en van den schrijver een journalist. Ik meen, dat jij, die ‘De Wereld van den Dans’ geschreven hebt, niet met evenveel genoegen je naam zet onder een ‘Leven van Isadora Duncan’, dat je moet excerpeeren, en dat je door voor de Telegraaf een tradeshow van Tuschinski te verslaan, niet dezelfde ongepreoccupeerde critiek kunt schrijven, die je in een onafhankelijk tijdschrift zou schrijven. En ik wil je eerlijk zeggen, dat noch critieken van Arntzenius, noch die van jou (in de Telegraaf!) me tegenwoordig verder interesseeren dan als verslag; het is verder toch altijd goed. Dit houd ik vol en daarom heb ik geschreven zooals ik schreef.

Waarschijnlijk zul je dit niet erkennen en zeggen, dat de scheiding die ik in je persoonlijkheid maak, fictief is. Goed, dat is je recht; en je zult het zelf beter weten dan ik. Maar mijn meening kun je me niet ontnemen en evenmin het recht die meening (zonder insinuaties dan, die ik bij mijn weten niet gebruikt heb) openlijk te zeggen, wanneer een aangelegenheid, waarbij ik nu bij uitzondering eens met hart en ziel geïnteresseerd ben, mijn meening, zooals ik het zelf zie, komt bevestigen. Maar zelfs als je die scheiding niet erkent, zul je me toch ook het recht niet kunnen ontzeggen, dat ik je als persoonlijk bekende en als dichter van ‘In Memoriam’ etc. etc., hoog wil blijven schatten en dat ik voor mij niet in staat ben die twee figuren tot één te vereenigen. Dit dilemma heeft het mij zonder eenig bezwaar mogelijk gemaakt de woorden die ik geschreven heb te schrijven en ze thans ook te handhaven. Ik kan de publieke persoonlijkheid Werumeus Buning van de Telegraaf voor mijn gevoel aanvallen, omdat ik geen verband zie met de persoonlijkheid van den dichter, die voor de jongere generatie een soort samengaan van een voornaam schrijver en een uiterst hoog geschatte persoonlijkheid beteekent. Ik heb het daarover vanmiddag juist naar aanleiding van je brief met Henny Marsman en Dick Binnendijk gehad, die mij geheel hebben toegegeven, dat ik het artikel in dezen vorm volkomen kon verantwoorden, dat dit gezegd moèst worden, maar mij ook hebben gezegd, dat, wanneer jij deze onze kijk op de zaak niet aanvaardde, het stuk natuurlijk door jou als een beleediging kon worden opgevat. En, zooals ik je zeg, ik kan het niet anders zien.

De reden, waarom ik dus deze stap doe, is dus hoofdzakelijk deze: ik vraag je niets anders dan mijn beschouwing, die ik toch blijkbaar niet alleen heb, na te gaan en van dat standpunt uit mijn artikel nog eens te beoordeelen. Allicht kun je het standpunt niet deelen en blijf je je dus geheel met de Telegraafredactie vereenzelvigen; maar je zult in dat geval misschien willen toegeven, dat ik er geen oogenblik aan gedacht heb, je persoonlijkheid verdacht te willen maken. Ik houd alleen maar vol, dat een regime als dat van de Telegraaf het den grootsten dichter finaal onmogelijk kan maken een onbevooroordeelde critiek te schrijven.

Ik weet niet, of je persoonlijk beleedigd zijn, dat alle verdere discussie over een onderwerp bij voorbaat uitsluit, een sterk standpunt vindt. Ook is het me aan den anderen kant echter wel duidelijk, dat, wanneer je wilt aannemen, dat mijn bedoelingen niet zuiver waren en dat bij het schrijven van het artikel andere dan de boven genoemde motieven voorzaten, het moeilijk zal zijn je van den aard van die bedoelingen te overtuigen. Ik wil niettemin deze poging niet daarom laten loopen. Dit conflict moest eens komen, maar nu het er is, wil ik niet degene geweest zijn, die het met persoonlijke misverstanden vertroebelt.

Tenzij je me dus als een geestelijken plebejer als C. de Dood beschouwt (in welk geval ik je dus voortaan, als ik je op straat of elders tegenkwam, zou moeten negeeren), verzoek ik je dus bij dezen om een mondelinge discussie over deze onverkwikkelijke zaak, die ik van mijn kant graag zou zien opgelost, zij het dan, doordat wij elkaars standpunten als onverzoenlijk erkennen, zij het dat wij tot overeenstemming kunnen komen. De gegevens voor dit gesprek heb ik je boven gegeven: ik kan mijn standpunt tegenover de Telegraafredactie in geen enkel opzicht wijzigen, maar ik kan evenmin den mensch en den dichter W.B. mèt den journalist laten varen als iemand, waartegen ik altijd heb opgezien. Ik krabbel niet terug, maar ik wil graag expliceeren; meer kan ik niet doen.

gr.

 

Ik hoop, dat je in geen geval dezen brief als een arrogant oordeel over je persoonlijkheid zult beschouwen; ik moest de eenigszins ingrijpende termen gebruiken, om je te verklaren, wat ik bedoel. Wil je verder den brief als vertrouwelijk beschouwen.

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie