Menno ter Braak
aan
Constant van Wessem (Den Haag)

Eibergen, 5 augustus 1932

Eibergen, 5 Aug. 1932

 

B.C.

Je roman ontving ik heden van Bouws; ik zette mij dadelijk tot de lezing en heb die vanavond beëindigd. Zonder vooruit te willen loopen op het oordeel van mijn mede-redacteuren, wil ik je toch vast mijn persoonlijke opinie meedeelen. In de eerste plaats dan: onmiddellijk klasseer ik je boek onder de boeken, die ik voor mijn pleizier lees, onder de eenvoudig en zuiver geschreven romans, die, wat ik er hier en daar ook op tegen moge hebben, een herinnering achterlaten, dus niet bij de Rembrandts en de Moordenaars etc. etc. Ik vind overal je zeer persoonlijke stijl, en herken die stijl uit Lessen in Charleston; maar dit boek vind ik beter, vooral als compositie sterker. Het grondidee is suggestief; merkwaardigerwijze speelt het in mijn roman ook een rol, zij het anders; de ‘ethiek van de vuistslag’ en ook de niet-rechte-lijn zul je daarin analoog terugvinden. Daarom interesseerde mij het thema natuurlijk dadelijk bijzonder; maar het bleef me boeien, alleen komt er tegen het midden een verslapping, omdat je waarschijnlijk de spanning te lang wilt volhouden. Het op zichzelf goede slot (en ook uitstekend is de partij carnaval!) wordt daardoor minder effectvol, lijkt mij. Ik vind de eerste hoofdstukken het sterkst, hier en daar bepaald meesterlijk en strak geschreven; John, Jacques en Leopoldine scherp tegenover elkaar gesteld. Waarbij ik terloops wil aanteekenen, dat ik je kantoormenschen altijd nog wat boven hun stand vind; zij zijn in werkelijkheid, meen ik, nog minder raisonnabel, platter; maar soit, het komt in je stijl te pas, de menschen even te veel hersens te geven, zooals je ook m.i. de vrouwen iets te mooi maakt, hen te veel laat glanzen; ze zijn nog een tikje ideaal-vrouwen, waarop de auteur eigenlijk zelf verliefd is ; maar ook dat hindert me in deze stijl nauwelijks, omdat het met smaak gedaan is.

Mijn hoofdbezwaar is, dat je, evenals in Lessen in Charleston, nog te veel accidenteele dingen hebt laten staan, die de aandacht afleiden zonder die ook ondergrondsch te spannen. Bijfiguren kunnen de aandacht op de hoofdfiguren of de handeling vestigen door af te leiden, maar dat mag, dunkt mij, geen verbrokkeling worden. Alfred, Otto en Anka b.v. (met name de scènes waarin Alfred en zijn doode hoer, en O. en A. samen optreden) doen voor het geheel niet ter zake; ze illustreeren voor mijn gevoel ook niets wezenlijks in de hoofdzaak, zoodat ze gemist kunnen worden, zelfs als ik het voor het zeggen had, eruit moesten. Dan geloof ik niet in de scène met ‘Happy Days’; die is mij te dostojewskiaansch in dit lichte en sobere milieu, maar hierin zou ik mij kunnen vergissen. Ik moet trouwens een boek later (niet dadelijk) altijd overlezen, om te weten, wat werkelijk blijft.

Ik heb nu zeer over de bezwaren uitgeweid en wil dus nog even den nadruk leggen op mijn werkelijk groote bewondering voor de ‘lichte toets’ en vooral voor de directe zuiverheid; dit is tenminste weer een roman, waarin de intelligentie niet apriori verbannen wordt, die op een intelligent thema intelligent is opgetrokken. Dit zegt voor mij al zooveel, dat ik de bezwaren niet wil verbergen (wat voor bezwaren zou je in vredesnaam tegen Rembrandt moeten inbrengen; dat boek is één bezwaar!). Ik zou je adviseeren, na het midden hier en daar te snoeien, om de vuistslag-idee, die zoo goed is, strakker te houden; misschien voel je er iets voor, misschien niet; ook zonder snoeien stem ik voor opname in Forum.

Wat de practijk betreft; ik wil niet op het oordeel van du P. en Roelants vooruitloopen. Ik zend het manuscript door naar d.P.; je hoort dan spoedig nader.

m.h.gr.tt.

Menno ter Braak

 

Adres in aug.: Eibergen.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie