Briefwisseling Menno ter Braak - M.C. van Wijhe

M.C. van Wijhe
aan
Menno ter Braak

[Lochem], [na 20 oktober 1927]

Am.

Met belangstelling las ik in de bladen het verslag van Uw lezing te Rotterdam voor de Rotterdamsche kring.

Juist omdat ik er zooveel in vind, waarvan ik het zoo van harte toejuich, dat het gezegd wordt, wilde ik toch gaarne een paar opmerkingen maken. Ik doe dit, omdat ik de Nederlandsche literatuur liefheb en mèt U voel, dat er in de stilstand van nu een wringen van nieuwe krachten is geboren.

Maar nu komt het mij voor, dat de jongeren tegenover allerlei aanvechtbare thesen alleen hun antithesen stellen en soms te weinig beseffen, dat een eenheid, een af-heid steeds een synthese moet zijn. Zoo treft het mij, dat U, althans volgens het verslag, een zoo scherpe scheiding maakt tusschen ‘de algemeen menschelijke normen van schoonheid’ van een boek en ‘wat het voor ons beteekent in het kader van onzen tijd?, ja, dat U zelfs zegt, er bestaan geen objectieve aesthetische voorwaarden.’ ‘Laat ons dus niet naar de schoonheid vragen maar of het werk epoche-machend is.’

Ik kan, historisch, verklaren dat dit standpunt door een der jongeren wordt verdedigd en met talent wordt verdedigd. Het positieve in dit standpunt n.l. de positieve waarden in de twee antithesen, wil ik gaarne erkennen dat U ze naar voren brengt is veel dank waard. Maar dit mag nooit leiden tot een volkomen relatief stellen van wat U noemt ‘objectieve aesthetische voorwaarden’. Laat mij nu alleen maar noemen ‘stijl’ en beeldend taal-vermogen.

U noemt de Boer. Terecht. Maar zijn schrijftalent als zoodanig, zijn ‘stijl’ zou ook in een andere periode het motief zijn om zijn werk tot kunst te verheffen. Denk aan de directe beelding van Alie Smeding's taal. Ik kreeg voor Kerk en Vrede een Overijselsche vertelling, die ik U bij plaatsing zenden zal. Lees de eerste twee bladzijden als epiek en dan is het m.i. niet vol te houden, dat er geen ‘objectieve aesthetische voorwaarden’ bestaan. Juist van haar verwacht ik veel. Meer eigenlijk dan van eenig ander auteur. Wanneer zij, wat men zou kunnen noemen ‘Enkhuizen’ radicaal heeft vermorzeld in zichzelf (en [U] ‘De Zondaar’ legt dat gedrocht knock-out) dan is het m.i. mogelijk, dat zij een werk kan scheppen, dat oneindig [onleesbaar], robuuster, en tevens streng-schooner is dan Merijntje Gijsen, Kleine Inez enz. enz.

Zij heeft wat ik als factor in Uw lezing teveel mis: Levensliefde, bezetenheid door vitaliteit. Dit kunt U wellicht bedoelen met Uw omschrijving: ‘Wat een kunstwerk beteekent voor het kader voor onze tijd’, want die vitaliteit moet dan in aanraking komen met ‘onze tijd’. Dán pas kan het groote kunstwerk voor nu ontstaan. Vandaar dat ‘het pure proza’ stellig onvoldoende is. Zie Arthur van Schendel, de vluchteling voor ‘onze tijd’.

Vandaar ook, dat ‘de goede roman’ méér moet zijn dan ‘de verbinding van het pure proza en de psychologische uiteenzetting’, al is in dit laatste bestanddeel de combinatie- ruimte voor wat ik bedoel. Evenwel Uw omschrijving zonden meer is m.i. juist aanvaardbaar voor een romanschrijverij, die, om een tooneelterm te gebruiken, meer en meer ‘amusements-kunst’ wordt en schabloon-werk wordt.

De roman van nu, die uit het roman-gedoe van deze tijden grootsch zal oprijzen zal moeten komen uit een ziel, die nieuwe levenswaarden heeft gezien. Hier zal de verwantschap zich moeten openbaren tuschen den auteur er van en den beeldhouwer, die een Ziener beeldhouwt.

Dirk Coster heeft dit stellig niet in zich.

De hemel beware mij ervoor, dat U zoudt denken, dat ik iets van tendenz-romantiek zou willen. Neen, iemand die proza schrijft als de Boer, als Alie Smeding, maar die zich dan laat verteren door zijn levensliefde.

In dezen geest ga ik accoord met Uw opmerking aangaande ‘Nu’, want dit alles, wijsgeerig doordacht als samenhang tusschen kunst en samenleving ontbreekt en zal vermoedelijk blijven ontbreken in Nu. De Jong's talent is te journalistiek en Quérido kan niet weer opnieuw de litteratuur gaan analyseeren zooals hij destijds in Heijermans' Jonge Gids deed. (Dit was ± 1900, als ik mij wel herinner!)

Nu, gewezen mede-Graafschapper, tijdens mijn schipbreukelingschap in het stedeke Lochem wilde ik je dit even schrijven. Je adres weet ik niet. Daarom adresseer ik naar Eibergen, vanwaar men het wel zal opzenden.

Beste groeten,

M.C. van Wijhe

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie