[p. 595]

Het christendom

[p. 596]
Bij het volgende essay behoort als tegenhanger dat van Anton van Duinkerken over ‘Van Oude en Nieuwe Christenen’, waarmee het als schrift van ‘De Vrije Bladen’ werd uitgegeven onder de titel: HET CHRISTENDOM, Twee Getuigenissen in Polemischen Vorm.
[p. 597]

Anton van Duinkerkens verscheurde Christenheid

Het Christendom van Anton van Duinkerken, dat in zijn laatste boek, Verscheurde Christenheid, wordt getoetst aan een groot aantal feiten, zonder dat het echter zelf voor de schrijver een probleem wordt, heb ik eens trachten te karakteriseren door deze formule: Omdat Van Duinkerken in Brabant geboren is, is hij Rooms, omdat hij Rooms is, is hij katholiek; omdat hij katholiek is, is hij verdediger des geloofs, omdat hij verdediger des geloofs is, gebruikt hij zijn intellect, dat toevallig ook nog scherp is. Ik schreef dat naar aanleiding van zijn dichtbundel Hart van Brabant (in Het Vad. van 15 Nov. 1936) en dus zonder zijn Verscheurde Christenheid te kennen; het blijkt achteraf ook volkomen van toepassing op dit werk. Alleen valt in dit boek de nadruk op het laatste deel der formule (het scherpe intellect), zoals het in Hart van Brabant op het eerste (de Brabantse geboorte, de moederaarde) viel. Wat zich daartussen afspeelde is voor de niet-katholiek minder gemakkelijk te raden, al blijkt uit het resultaat, dat Van Duinkerkens Christendom nog nooit door het vuur van de twijfel is heengegaan, en dus ook nog nooit tot een definitieve bevrijding kwam van de ‘alma mater’. De moedermelk is voor deze merkwaardige auteur nog altijd sterker argument dan de critische drift, waaraan b.v. het katholicisme van Pascal of Bergamin, of het ‘afvallige katholicisme’ van Unamuno zijn betekenis voor de ongelovigen ontleent.

Van Duinkerken is, als Christen of als katholiek, door en door een maatschappelijk mens, d.w.z. een conformist. De verlokkingen van het individualisme en het non-conformisme zijn hem onbekend, tenminste onwelkom; àls hij ze kent, kent hij ze toch slechts als inblazingen van de Boze. Daarom is hij, die na de vroege dood van Gerard Bruning de morele leiding kreeg van het katholieke intellect in Nederland, een

[p. 598]

zeer speciaal soort katholiek. Als type behoort hij tot de joviale katholieken, waartoe Gerard Bruning te enenmale niet behoorde; deze zou zich waarschijnlijk hebben ontwikkeld in de richting van een pascaliaanse of unamuneske ‘agonie’, en als hij gelovig zou zijn gebleven, zou hij zijn geloof niet hebben gehandhaafd, door, zoals Van Duinkerken, boek na boek en brochure na brochure te schrijven zonder het geringste spoor van innerlijke strijd met de inblazingen der ketterij. De dood van Bruning, die nog te jong was om geheel vrij te zijn van de rhetoriek en het holle pathos van het expressionistisch proza, heeft de weg gebaand voor de alleen heerschappij van Van Duinkerken; men had een boeiend gevecht op leven en dood kunnen beleven, wanneer deze twee soorten katholicisme eens in volwassen staat op elkander waren gebotst. Dat schouwspel is ons onthouden, helaas; Van Duinkerken heeft tot dusver nog geen katholieke tegenspeler gevonden, die zich met hem gemeten heeft, zoals verschillende ‘ketters’ dat deden, en ik betreur dat. Want tegenover de ‘ketter’ staat de geboren en getogen katholiek nu eenmaal dadelijk in de verdedigende houding opgesteld, terwijl een gemeenschappelijke ondergrond van Brabantse traditie iemand als Van Duinkerken gemakkelijker zou kunnen bewegen tot datgene, wat hem het allerzwaarste valt, als maatschappelijk mens en als conformist: de twijfel, de ‘agonie’, de persoonlijke beleving van het Christendom. Voor een deel is de onwankelbaarheid van deze rots te danken aan het feit, dat er geen branding is in zijn eigen kamp. De katholieke wereld in Nederland komt gemeenlijk niet boven het peil van pater De Greeve uit; de hypocrisie speelt er zo mogelijk een nog groter en nog onsmakelijker rol dan in de protestantse wereld; de oprechtheid van een Van Duinkerken, d.i. de eigenaardige oprechtheid van de man, die niet oprecht kàn en màg zijn, is voor dit milieu met zijn compromissen en verleugende zedemeesters nog een wonder, waarvan het weinig begrijpt, of ex officio begrijpen dùrft. Ik zou niet over Van Duinkerken schrijven, wanneer ik de oprechtheid van de geboren conformist niet als een probleem zag, dat deze schrijver eert, voorzover hij Brabants Rooms-Katholiek is. Het is voldoende om zijn integere houding in de strijd tegen

[p. 599]

het nationaal-socialisme te noemen, om de lezer onmiddellijk te laten begrijpen, welke waarde Van Duinkerken ook voor ons vertegenwoordigt; hij heeft het stellig alleen aan zijn gebrek aan twijfel inzake het dogma te danken, dat men hem tot op zekere hoogte zijn gang laat gaan, ook daar, waar hij de kerk de scherpste verwijten doet over haar tactische fouten, haar absolute onmacht bij de vervulling van haar christelijke taak, kortom: over haar gebrek aan christelijke practijk. Zijn jovialiteit redt hem dan uit de impasse; de jovialiteit is voor de kerkelijke autoriteiten de assurantiepolis, die ernstige schade vrijwel onmogelijk maakt, want wie joviaal is, kent geen twijfel, denkt over de twijfel heen. De kerk weet dat; zij heeft niet voor niets een rijke ‘psychiatrische’ ervaring.... Het probleem der oprechte jovialiteit, waarvoor Van Duinkerken ons, het meest in zijn Verscheurde Christenheid, gesteld heeft, is het probleem der barok. De barok is een vorm van cultuurspel, die de Christen van het genus Pascal en Unamuno in wezen steeds onbegrijpelijk en antipathiek blijft, om haar verregaande belangstelling voor de overvloed van bijzaken en verfraaiingsartikelen des levens. Zo is zij ook mij antipathiek, en het heeft mij de grootste moeite gekost, langs allerlei omwegen iets voor een genie als Rubens te ‘voelen’ (het werd dus een soort ‘historisch voelen’). De barok wordt als een belediging beseft door degenen, die hun (on)geloof door de twijfel willen rechtvaardigen; want in de barok wordt de twijfel door het geloof gerechtvaardigd, is de twijfel eigenlijk niet veel meer dan een ornament onder de andere ornamenten. Toch moet ook in de vertegenwoordigers der barok het ‘agoniserende Christendom’ ergens te ontdekken zijn, al was het maar in hun toewijding, besteed aan de voluptueuze uitvluchten, die in hun vormenwereld als hoofdzaak verschijnen. De twintigste-eeuwse barok-mens Van Duinkerken, die een boek over het Christendom kan schrijven, zonder het kernprobleem van het Christendom (d.i. het probleem van de twijfel en de paradoxale zekerheid) ook maar één ogenblik aan de orde te stellen, schrijft een boek vol met zulke voluptueuze uitvluchten; hij beschrijft de historie van het Christendom sedert de breuk der Reformatie, en als beschrijver is hij, met al zijn scherpzin-

[p. 600]

nigheid, het tegendeel van een twijfelende geest. Men ziet hier iemand aan het werk, die boordevol zekerheid en maatschappelijkheid zit en die de grootste moeite heeft de twijfel in de allerbescheidenste gedaante bij zich toe te laten; het omgekeerde geval was het denkproces van Pascal, die, boordevol twijfel, eindelijk in de katholieke zekerheid belandde. Het opmerkelijke in het laatste boek van Anton van Duinkerken is echter, dat de twijfel er onder pseudoniem telkens om de hoek kijkt, en wel in de vorm van officieuze genegenheid voor de grote ketterij, met name voor die van Luther. Wel is deze twijfel even schuchter als de barok der beschrijving overvloedig en woordenrijk; maar hij is er, en daarmee staan wij schijnbaar even aan de grens der barok. Het Christendom is bij Van Duinkerken voor alles vormenweelde van syllogismen; de aanwezigheid van een zeer bedeesde twijfelzucht kan men daarin dan ook verklaren als een poging om het christelijke panorama zo compleet mogelijk te maken; ook de ketterse vormen wil Van Duinkerken, voorzover dat met behoud van het dogma mogelijk is, opnemen in zijn Rubens-schilderij van de ‘ecclesia militans’. Dat dit een geheel andere manier van twijfelen is dan die van Pascal of Unamuno, ligt voor de hand; de twijfel is hier nog slechts de oppositie van de royale barokmens tegen de bekrompenen in zijn eigen barok-sfeer, die om redenen van politiek belang aan zekere voluptueuze vormvariaties de toegang ontzeggen. Zo kan Van Duinkerken zich in zijn barok betoog voordoen als de verdediger van de katholieke kerk en tevens als haar criticus; hij neemt het begrip katholicisme in zijn weelderigste uitgebreidheid, en kan daarbij de ketterse variaties niet uitsluiten, zonder zich onbehaaglijk te voelen; maar zij blijven in het geheel van zijn compositie schaduwpartijen, die het katholieke licht in laatste instantie altijd flatteren, omdat zij er hoogstens een bescheiden glimp van opvangen.

Het Christendom van Van Duinkerken is dan ook voor alles een Christendom in de ruimte en de tijd geprojecteerd; de katholieke kerk is, ruimtelijk, een gewijde organisatie, en, tijdelijk, een stuk gewijde historie; het Christendom als psychologisch probleem ontbreekt in alle geschriften van deze au-

[p. 601]

teur, omdat hij meent door gelovig te zijn en scholastisch te kunnen redeneren, bij voorbaat al met de psychologie te hebben afgerekend. Zijn critiek op het katholicisme bestaat zodoende voornamelijk in ‘ruimtelijke’ en ‘tijdelijke’ verwijten; de organisatie deugt niet, of de dienaren der kerk hebben in het verleden fouten begaan in hun optreden tegen de ketterij. Als er een stuk donquichoterie in dit Verscheurde Christenheid aangewezen kan worden, dan zeker wel dit: ‘als de ketterij van Luther c.s. maar binnen de kerkelijke grenzen zou zijn gebleven, dan zou het nu anders zijn; en nu dat niet zoo is, kan het misschien toch weer goed worden, als de ketters maar inzien, dat de eenheid van het Christendom het best verzekerd is bij de katholieke kerk!’ Dat organisatorische en historische vraagstuk vervangt bij Van Duinkerken geheel het psychologische vraagstuk, met zijn polariteit van twijfel en zekerheid. De eenheid van het panorama is verstoord; laten wij trachten haar te herstellen, want ‘deze eenheid is het Christendom: de onverbrekelijke eenheid van de gelovige met Christus in de eenheid van de Kerk’.

In zulk een zuiver ruimtelijk-tijdelijke, onpsychologische conceptie van het Christendom moeten het natuurlijk de Jezuieten zijn, die hardnekkige strijders van het barokke katholicisme der Contra-Reformatie, waarin een Van Duinkerken zijn ware kampioenen ziet. ‘Nu het humanisme tot een spot voor nauwelijks beschaafden werd en de intellectueel gedoodverfd wordt als de vijand van den vooruitgang, zullen de menschelijkheid en de rede bescherming vinden bij diezelfde Kerk, aan wier bestaan de universeele humaniteit en de universeele rede een einde heeten te maken.’ (Dit is eigenlijk het argument van de agent ener levensverzekeringsmaatschappij, die de schade, berokkend door de dood, opheft door een polis. M.t.B.) ‘Het zijn de Jezuïeten, de meest gehate vertegenwoordigers van de katholieke Kerk, die deze cultuurhistorische zending van de katholiciteit het zuiverst begrijpen. Vooral van hen valt te verwachten, dat zij de geestelijke verworvenheden van het humanisme bewaren en verdedigen zullen met dezelfde trouw, waarmede de groote bedelorden de middeleeuwsche tradities bewaarden’, schrijft deze apologeet op pag. 237 van

[p. 602]

zijn boek. Met andere woorden: de Jezuïeten zijn de beste beschermers der humanistische brandkast, waarin de geconserveerde cultuurwaarden liggen opgetast; hun organisatie stelt hen in staat een perfecte veiligheidsdienst te onderhouden, die het marxistische en fascistische inbrekers onmogelijk zal maken van hun gevaarlijke steekvlammen te profiteren. Men moet niet nalaten met deze safety-first-opvatting van Van Duinkerken Unamuno's waardering van de Jezuïeten te vergelijken, die ik hier in de Duitse tekst van zijn Agonie des Christentums voor een deel zal citeren:

‘Und so gibt es heute kaum einen dümmeren Menschen als einen Jesuiten, oder wenigstens als einen spanischen Jesuiten. Alle Erzählungen von ihrer Schlauheit sind eine Legende. Jeder kann sie täuschen, und sie glauben einem die grössten Dummheiten. Für sie ist die Geschichte, die aktuelle Geschichte, die lebende Geschichte, die des Tages, eine Art magischer Komödie. Sie glauben an jede Art von Schwindel. Leo Taxil hat sie irregeführt. Und in ihnen agonisiert, d.h. kämpft, d.h. lebt das Christentum nicht, in ihnen ist es tot und begraben. Der Kult des heiligen Herzens Christi, die Hierocardiocratie, ist das Begräbnis der christlichen Kirche.’

De leden van de sublieme veiligheidsdienst verschijnen hier dus als stuntelige aansprekers en doodbidders van een Christendom, dat reeds lang is bijgezet in de groeve der historie! En men kan er van op aan, dat Unamuno zijn conclusies op grond van een overweldigend lijkenmateriaal heeft kunnen trekken! Nergens leert men het katholicisme beter kennen dan in Spanje, waar het, tot 1931, als organisatie oppermachtig en als ‘geest’ morsdood was; waar, in 1936 en 1937, de ‘agoniserende’ katholiek José Bergamin strijdt aan de zijde der zogeheten ‘roden’ tegen de aansprekers en doodbidders van generaal Franco! Wat zijn nu de Jezuïeten? Zijn zij de keurbende van Van Duinkerken of de troep quasi-sluwe stuntels van Unamuno?

Ik meen, dat men deze controverse oplost, door zich voor ogen te houden, dat de sluwheid der barok hetzelfde is als (of de tegenkant vàn) de oprechtheid en domheid der barok. De Jezuïeten (voorbeeld: prof. Jac. van Ginneken, de ijzingwek-

[p. 603]

kend knappe philoloog) zijn inderdaad ontzaglijk dom, wanneer men hen benadert met de maatstaf van het ‘agoniserende’ Christendom; men leze slechts de rede, die deze prof. Van Ginneken S.J. gehouden heeft bij het huwelijk van prinses Juliana over zijn duivel Azië, die ongeveer alles resumeert, waaraan men in het belang van de Keizer Karel-Universiteit te Nijmegen liever alleen maar denkt op de wijze der oude vrijsters; en toch is dezelfde Van Ginneken een groot geleerde, die in zijn vak zeer belangrijke dingen heeft gepresteerd. Het is juist de overmaat van geleerdheid en sluwheid op kleine gebieden, die de Jezuïeten dom maakt, en misschien soms zelfs oprecht; zij hebben zich van oudsher ingesteld op het herwinnen van zielen door bijzaken-barok en in deze tak van bedrijf hebben zij dan ook een vaardigheid verkregen, die weinigen hun zullen verbeteren. Zij zijn de moderne vertegenwoordigers van het relativisme der ‘augustijnse’ moraal, die leert dat goed en kwaad slechts tactische begrippen zijn, afhankelijk van de positie, die de bezitter van het aardse slijk of de bedrijver ener aardse handeling inneemt tegenover God; zij hebben zich bevrijd van alle evangelische aarzeling ten opzichte van organisatie, zij hebben de consequentie getrokken van een dood Christendom, dat zich door een levende organisatie het best kan blijven voortplanten door middelen als de ‘reservatio mentalis’ en het probabilisme. Inderdaad, deze techniek vereist toewijding aan een soort humanisme, men moet het Van Duinkerken toegeven. Maar wie is zo naïef bij deze dode Christenen een zintuig te verwachten voor een levend humanisme, een ‘agoniserend’ humanisme? Dat is alleen een man als Anton van Duinkerken, die met de oprechtheid van de barokmens is blijven geloven aan de ziel van een dood Christendom, omdat hij zich bij voorkeur vermeit in de levendige beweeglijkheid der organisatie, die de dood voortplant. Daarom: in Van Duinkerken ‘agoniseert’ niet het Christendom, maar slechts de organisatie der christelijke (katholieke) kerk; voor haar gebreken heeft hij een scherp oog, zoals hij een scherp oog heeft voor de tekortkomingen van Luther en Calvijn; maar bij het summum der organisatie, het Jezuïetendom, houdt zijn ‘agoniseren’ op, omdat hij hier de superieure ge-

[p. 604]

smeerdheid aantreft van de soepelste organisatorische motor. Het weinigje twijfel van de barok-mens verdrinkt in het ruimtelijk-tijdelijk panorama der Sociëteit van Jezus.

Het ligt dan ook geheel in de lijn van deze oprechte aartsconformist om de Jezuïet in zijn boek af te schilderen als de ‘onverzettelijken non-conformist’; want voor de barokke Van Duinkerken is de organisatie, die het ignatiaanse ‘age contra’ in practijk brengt, al het hoogtepunt van non-conformisme. ‘Door den mensch te dwingen datgene te doen, waartegen zijn persoonlijke smaak zich verzet, dwingt het (oorlogsbeginsel “age contra”) tot het aankweeken eener ontembare wilskracht, het behoedt hem bovendien voor een lichtvaardige toegevendheid jegens zijn omgeving, die schaden kan aan zijn persoonlijkheid. Het is - zoals Maurice Barrès heel goed begreep - het grondbeginsel van een superieur individualisme. Het kweekt den waarlijk “vrijen mensch”.’

Het was weer de werkelijke non-conformist Unamuno, die dit z.g. superieure individualisme der Jezuïeten met zijn ‘in necessariis unitas, in dubiis libertas’ enigszins anders formuleerde:

‘Um Freiheit spielen zu können, erweitern sie das Feld des Zweifelhaften, indem sie das zweifelhaft nennen, was es gar nicht ist. Man muss z.B. die Metaphysik des Paters Suarez lesen, um zu sehen, wie ein Mann sich damit beschäftigt, ein Haar in vier Teile zu spalten, jedoch in vertikale Richtung, um sodann aus den vier Fäden wieder ein Geflecht zu machen. Oder wenn sie historische Studien treiben - was sie nämlich Historie zu nennen pflegen und was nicht mehr als Archäologie ist -, unterhalten sie sich damit, die Haare im Schwanz der Sphinx zu zählen, um ihr nur nicht ins Auge schauen und ihren Blick nicht aushalten zu müssen. Eine Arbeit, die dazu dient, sich selbst und andere Leute dumm zu halten.’ En Unamuno laat er op volgen: ‘Der Einsiedler, ein wahrer Einsiedler, wie Pascal einer war, der Mann, der da glauben wollte, dass Jesus auch einen Tropfen seines Blutes für ihn, Blaise Pascal, vergossen hätte, konnte sich nicht mit diesen Kriegsleuten verständigen.’

Het ‘vrijheidje spelen’ is een van de pikantste bezigheden

[p. 605]

van de mens der barok, die de vrijheid nodig heeft om zich in het verband van zijn organisatie beweeglijkheid te kunnen verschaffen: de beweeglijkheid, die hij krachtens zijn temperament, zijn ruimtegevoel, niet missen kan; daarom keerde Vondel zich tegen de ‘staetzucht’ en keert Van Duinkerken zich tegen Calvijn, wiens schim hij het geïdealiseerde portret van Ignatius voorhoudt. Luther is hem (begrijpelijk, onder dit aspect!) kennelijk sympathieker, al ‘ontgingen hem alle juridische en casuïstische verfijningen’ (moet dat een verwijt betekenen?), al ‘is zijn karakter niet vrij van... schurkentrekken’ (zijn de Jezuïeten het wèl?) en al ‘valt er iets ziekelijks waar te nemen in zijn weergave van de kloosterscrupules’. ‘Het hart vergeeft hem lichter dan de rede’, zegt Van Duinkerken, en: ‘Noemt hem geen ketter zonder hem tenminste de eer te gunnen, hem van alle ketters den grootsten te noemen.’ De ketterportretten in Verscheurde Christenheid, die lang niet slecht zijn, zijn trouwens stuk voor stuk negatief-geschaduwde pendanten van het Ignatius-portret, zoals de hele Reformatie voor deze auteur slechts een negatief-geschaduwd pendant is van de Contra-Reformatie. Men moet deze beschouwing over de ketterij interpreteren als een picturale wijze van beschouwen; de harmonie der zichtbare kerk (zichtbaar: een picturale illusie der barok!) eist als ondergeschikt tegenmotief de disharmonie; alles streeft echter terug naar de verbroken harmonie, en de gedachte, dat men aan deze harmonie zèlf zou kunnen twijfelen, komt bij Van Duinkerken niet eens op. Hij voelt zich de nazaat van Erasmus, voorzover deze Erasmus zich critisch verhield tegenover de organisatie, zonder met de organisatie te willen breken, en als Erasmus is hij ‘in den grond een optimist’. Hij kàn dat ook gemakkelijk zijn, omdat hij de ‘agonie’ van de twijfel niet kent; hij heeft aanpassingsvermogen in overvloed, en hij is er eigenlijk voortdurend verbaasd over, dat de hele wereld zich niet wil aanpassen. Ook Luther had zich moeten aanpassen, in plaats van zijn ‘individueel hervormingsproces’ (het innerlijk conflict met de duivel) ‘op te dringen aan de christenheid’ (het uiterlijk conflict met de macht van Rome). ‘Het blijft een mysterie, dat de christenheid dit aanvaard heeft. Hoe men

[p. 606]

ook de kerkgeschiedenis beziet en beoordeelt, altijd stuit men op het raadselachtige feit der Hervorming.’ Zo zou men, doorredenerend, ook van zijn verbazing kunnen getuigen over het feit, dat zekere Jezus Christus zijn ‘individueel hervormingsproces’ aan de macht van (een ander) Rome heeft ‘opgedrongen’, in plaats van zich aan die macht op het geeigende moment gehoorzaam te onderwerpen; Pilatus, de Leo X van die dagen, zou hem dat aanpassingsproces ongetwijfeld zoveel mogelijk hebben vergemakkelijkt. Maar tot deze analogie, die zich ook ‘opdringt’, komt Van Duinkerken niet; hij spreekt niet over de oorsprong van het Christendom, aangezien men daarbij de psychologie zou zien opduiken, en de psychologie is de moeder van de twijfel, zoals Brabant de moeder is van Anton van Duinkerken. Dat het Christendom eens een invasie is geweest en een revolutie van de ‘armen van geest’, dat zonder de bemiddeling van Augustinus deze invasie niet denkbaar zou zijn in de sfeer van organisatie en barok, waarin Van Duinkerken leeft, is een omstandigheid, waarover de clan der Jezuïeten veel minder spreekt dan over de ‘heerlijkheid der kerk’...

Niet de crisis van het Christendom is het, die Van Duinkerken bezig houdt, maar de crisis der kerk. Vandaar ook, dat zijn boek eindigt met de apologie der absurditeit: de hereniging der kerken onder het patronaat van Rome. Deze conceptie getuigt niet alleen van een ongeneeslijk respect voor de katholieke autoriteit, maar ook van een algemener respect voor kerkelijke organisaties tout court. Wie meent, dat het levende Christendom in ere hersteld zou zijn, zodra de concurrerende belijdenissen (al dan niet onder hegemonie van Rome) tot overeenkomst zouden zijn geraakt, overschat de gevel ten koste van het huis. (De barok heeft, men moet het tot Van Duinkerkens verontschuldiging aanvoeren, altijd een voorliefde voor gevels gehad.) Zoals ik in mijn boek over het Christendom aannemelijk heb trachten te maken, is de ‘agonie’ veel verder voortgeschreden dan de gelovigen, Van Duinkerken incluis, wagen te vermoeden. Het Christendom ‘agoniseert’ in het liberalisme, in de wetenschap, in de democratie, in het anarchisme, in het marxisme, in het fascisme, in

[p. 607]

het nationaal-socialisme; het is een discipline, die een harer dwangmiddelen, de hiernamaals-illusie, ziet vervluchtigen, en nochtans de consequenties heeft te trekken van de ‘eenmaal ingeslagen weg’, van de onomkeerbaarheid der geschiedenis. Wie de tragedie van het Christendom zoekt, zoeke haar niet in de eerste plaats in de kerken of de dogmata, en bedwelme zich niet aan het verleidelijk visioen, dat ‘hereenigd de christenheid in staat is, de huidige beschavingswende niet alleen te overleven, maar te leiden’, zoals Van Duinkerken zichzelf in het slothoofdstuk Herstel in Christus wijsmaakt. Wij staan voor andere problemen, zoals dat van het ressentiment, dat de christelijke gelijkheidsidee ons heeft nagelaten als erfenis! In de middeleeuwen was de kerk een macht, omdat zij als universeel en als denkgrens kon gelden; de christelijke kerken van thans, al hebben zij hier en daar nog politieke macht en al kunnen zij, zoals nu in Duitsland, soms nog met plaatsvervangende energie geladen worden, zijn nauwelijks machten meer, en zij zouden het evenmin zijn, wanneer zij een pact sloten met Rome, hetgeen op zichzelf echter al een onwaarschijnlijke onwenselijkheid is. Als er van een ‘beschavingswende’ gesproken kan worden, dan is die niet te overleven of te leiden door strategische schijnbewegingen met verouderde legercorpsen.

Van Duinkerken wordt, met al zijn vooruitstrevendheid en critiek, in dit laatste hoofdstuk van zijn boek de reactionnair der barok. Hij droomt van gedurfde gevelcombinaties, uit angst, dat hij anders over de ontbinding achter zijn eigen gevel zou moeten spreken; hij waagt utopistische sprongen in ruimte en tijd, hij prijst ons nogmaals zijn Jezuïeten aan, hij verklaart, dat ‘de hereeniging niet het Concilie van Trente, doch het feit van de Reformatie ongedaan heeft te maken’ (waarmee hij zijn kansen bij de predikanten weer verspeelt, hetgeen hij zelf ook heel goed moet weten, al is hij een barokke geest), en hij laat ten slotte veel in het midden, om èn Rooms èn Johannes de Doper der hereniging tegelijk te kunnen zijn. Zijn betoog eindigt in een volumineuze preek, die Bossuet niet zou hebben misstaan; het gonzen der grote woorden, die de gebaren van een redenaar door de drukinkt heen verraden,

[p. 608]

is het laatste wat men van hem verneemt. Een barok slot van een barok boek, en als zodanig geen wanklank; men kon niet anders verwachten....

Maar achter deze woorden hoort de lezer, in wie het Christendom ‘agoniseert’, de kreten der vermoorden van Guernica, de heilige stad der katholieke Basken, over welke kreten het Vaticaan, naar men fluistert, gedelibereerd heeft; deliberante senatu perit Saguntum. Achter deze woorden staat het concordaat met Hitler, waarmee deze kerk de ‘beschavingswende’ op de gebruikelijke wijze dacht... af te tappen, tot zij eindelijk met schrik en beven moest ontdekken, dat sommige pacten zelfs voor priesters onvoordelig zijn. Achter deze woorden staat ook de ons nog onbekende Anton van Duinkerken, die zich door de barok van de twijfel redt, om in de strategie een alibi te zoeken voor de confrontatie met de ‘espaces infinis’, die Pascal verschrikten en die misschien toch ook hem één ogenblik zouden verschrikken, wanneer hij ze ontmoette. Verscheurde Christenheid is een boek van een mens van goede wil. Maar het is zelf niet verscheurd, en alleen christelijk onder het aspect van de barok, die een maskerade is in het aangezicht van de twijfel.

1937