N.P. van Regteren Altena
aan
Menno ter Braak

Tiel, 12 januari 1929

Tiel 12 Jan. '29

 

Amice,

Ik heb je boekje met belangstelling gelezen, en ook nu weer heeft me getroffen de gemakkelijkheid waarmede je styleert, je woorden kiest en treffende vergelijkingen of analogieën weet te vinden. Ook je betoog heeft een overtuigende ondertoon die den lezer vertrouwen suggereert in den schrijver, wiens kennis, belezenheid en ervaring in zake filmkunst bovendien uit iedere bladzijde spreekt. - En nu zou ik, na deze min of meer cliché achtige, schoolmeesterlijke lofspraken dezen brief kunnen besluiten met mijn vriendelijken dank voor de gewaardeerde toezending van dit keurige boekje, waarmede m.i. De Gemeenschap (R.K.?!) een extra pluimpje heeft verdiend.

Ik voel echter behoefte er nog wat bij te voegen, al was het alleen maar omdat ik het schrijven van dergelijke boekjes van het hoogste belang acht als vooroefening en voorbereiding voor later werk van grooter beteekenis. Je hebt, dunkt me, het doel dat je je stelde met deze Cinema Militans wel bereikt en het bleek me (tot mijn groote voldoening) dat ik het nu eens in vele opzichten met je eens kon zijn, althans wat de inhoud betreft. De vorm echter kon mij minder bevallen. Met die vorm bedoel ik hier de manier van betoogen. Zooals ik reeds zeide is het vooral de groote gemakkelijkheid waarmede je je inzicht neerschrijft, die mij telkens weer trof; het is bijna verbijsterend zoo vlot, zuiver beredeneerd en apodictisch beslist je critische uiteenzettingen en uitspraken in onafgebroken schnellzugtempo zich aaneenrijgen tot een woordenrijk, klinkend en pralend betoog van vele tientallen bladzijden. En als ik dan die uitspraken ieder voor zich wat kalmer overdenk dan erken ik op menige plaats de logische juistheid, de keurige formuleering en onderga onwillekeurig de zelfbewuste stelligheid die mijn opkomende tegenspraak telkens weer bij voorbaat het zwijgen oplegt: ‘luister verder, er komt nog meer, ik ben nog niet uitgepraat!’ En dan draaf ik maar weer gehoorzaam mee met het voortsnellend betoog, dat ook al weer nieuwe argumenten heeft gevoegd bij de vorige en er blijkbaar nog tallooze in voorraad heeft, die straks als hun tijd komt de redeneering zullen gaande houden.

Maar ten slotte begint me dit meedraven heftig te irriteeren en ik leg het boekje neer en onderbreek de lectuur mij afvragend wat mij dan toch zoo geweldig hindert in dit betoog, waarover ik tegelijk toch ook zoo veel goeds weet te zeggen.

En nu ben ik er wel zoo'n beetje achter: het is een oud zeer en mijn afkeuring geldt niet speciaal jou maar vele ‘hedendaagsche jongeren’ die toegerust met een groot meesterschap over de taal nu maar over alles meepraten met een gemak en een zelfgenoegzaamheid waar je van omvalt. En het is nog niet zoozeer de vlotte gemakkelijkheid als wel de listige handigheid die me ergert. De groote moeilijkheden en principieele problemen worden ontgaan, of zoo dit niet mogelijk blijkt, ‘stellt ein Wort zur rechten Zeit sich ein’ (in jou boekje bijv.: het onvoorstelbare, de voorstoffelijke idealiteit enz.) en met de aldus weggewerkte of ingekapselde moeilijkheden jongleert men dan met een vroolijke luchtigheid die den lezer voor een oogenblik geheel kan overbluffen. Het wordt zoo een stijl van dikke woorden en klinkende frasen. Toch blijf ik de virtuositeit bewonderen waarmede vaak deze ‘stijl’ wordt gehanteerd en ik weet niet zeker of er ook in deze ergernis niet een portie jalouzie meespreekt. - In jou boekje gaat het nu wel niet om diepe problemen, en in zooverre treft mijn veroordeeling jou niet, maar de dikke ‘stijl’ speur ik wel degelijk en al ben ik overtuigd dat hier van bewuste grootdoenerij geen sprake is, toch zou ik willen dat je iets kon meevoelen van hetgeen ik hier heb gezegd. In een tooneelcritiek in de Rotterdammer las ik zoo juist: En door dit op den spits gedreven ‘gewone’ in het uiterlijk der vertooning kwam de innerlijke mystiek in wonderbaarlijke zuiverheid over het voetlicht. - Ik wilde wel dat de jongeren wat gewoner schreven, wat soberder, wellicht zou dan bij het wegvallen der ‘dikke woorden’ die innerlijke mystiek, welke in die dikke woorden was weggemoffeld, weer vrij komen. Men mist bij de welbespraakte jongeren (Marsman bijv. in 't laatste Omhoog nummer) inderdaad zeer vaak die innerlijke mystiek, die de gedachten verwarren kan en die niet zoo gemakkelijk aan het woord komt.

Mijn papier is vol en ik eindig. Ik hoop niet dat je je stoot aan wat ik schreef, het was meer naar aanleiding van je boekje dat ik schreef en geen aanmerking op dat boekje, waarvoor ik overigens niets dan lof heb, voor zoover mij als leek het loven hier past!

Met vr. gr.

H.

N.P.v.R. Altena

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie