N.P. van Regteren Altena
aan
Menno ter Braak

Lochem, 11 januari 1931

Lochem 11 Jan. '31

 

Amice,

Van je moeder kregen wij het bericht dat je sinds eenige weken verloofd bent en in de Paaschvacantie hoopt te trouwen. Je toekomstige vrouw heb ik eenige malen zeer vluchtig ontmoet, maar ik weet dat jullie vriendschap reeds van ouden datum is en daar je voorgenomen plan een zéér goede pers heeft, durf ik met genoegen te vertrouwen, dat mijn gelukwenschen, die ik je hierbij mede namens tante Cato toezend, een redelijke kans hebben om vervuld te worden. Het verheugt me, dat je je blijkbaar na de tegenslag van 't vorige jaar, niet hebt laten ontmoedigen. Ik was toen bang dat je misschien alle huwelijksideeën had bonjour gezegd. Vooral je samen wonen met Truida versterkte mij in die veronderstelling. Des te meer werd ik aangenaam verrast door de brief van je moeder. Want 't huwelijk leek me altijd voor jou de gewenschte levensstaat en een rustig eigen tehuis voor je werkzaam leven onontbeerlijk. Dus zul je begrijpen dat je mijn felicitaties in dezen ten zeerste au serieu kunt nemen, hetgeen je (in verband met vroegere gesprekken) zonder deze uitweidingen misschien zoudt geneigd zijn te betwijfelen. -

Ik ben op 't oogenblik als altijd natuurlijk druk met de lectuur van ‘zware’ boeken en ik meen voor mijzelf niet zonder vrucht. Alleen zie ik met zorg den tijd naderen waarin mijn hersencapaciteit niet meer in staat zal zijn de geestelijke spijzen te ‘verdouwen’, die ik haar nog hoop voor te zetten. Het boek van Lessing heeft mij, evenals jou, geboeid, maar ten slotte is hij toch in vele opzichten een geweldige schetteraar en veel minder origineel dan hij zelf meent en telkens weer uitbazuint. Zijn ‘Untergang der Erde am Geist’ is nu niet wat je noemt een spiksplinter nieuwe opvatting. Dergelijke boeken die een eigen quasi- (miniatuur-) oorspronkelijkheid met honderden bladzijden verheerlijken, waarbij dan het miniatuurgedoe den schrijver zelf als zoodanig onbewust blijft en een vermeende oorspronkelijkheid hemzelf vervult met zelfverheffende hoogmoed, zulke boeken acht ik rhetorisch in den meest ongunstigen zin. Dergelijke rhetoriek vind ik ook in Spenglers Untergang en dan verbaast men zich telkens weer dat zoo geleerde, knappe, veelwetende menschen zoo weinig wijsgeerige bezinning vertoonen. Ik moest even over dit boek iets zeggen, omdat jij het ook gelezen hebt en naar aanleiding van een vroegeren brief van mij allicht zoudt denken dat ik deze rhetoriek niet doorzie. Maar genoeg, want ik wensch allerminst in dezen tijd met je in discussie te treden. Hoe gaat het met de roman? Keur je me nog een presentexemplaar waardig? Of zul je den ouden brompot maar laten voor wat hij is? - In den Rotterdammer las ik dat je je radio-rede over Mevr. V. Wijhe-Smeding in de Stem hebt doen opnemen. Ik vind deze daad van je niet sympathiek, en begrijp je pleizier niet om een ander noodeloos (want heusch dit boek is niet gevaarlijk voor de litteraire kunst en wil 't ook niet zijn) te grieven. Maar ik vermoed dat ook hier weer je naief-beroerde kijk op onze burgerlijke samenleving je parten speelt. Enfin, elk zijn meug en elk zijn vrijheid!

Met vr. gr. ook aan Truida

H.

Oom Nico

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie