[p. 630]

Ik dacht mij in...

 
Ik dacht mij in en droomde een Heel-Al,
 
- een Paradijs met licht- en waterval
 
het middenpunt - en weer, als in die dagen,
 
twee nieuwe mensen in een vruchtbaar dal.
 
 
 
En voor mijn oog gingen zij naakt en bloot.
 
Mijn hand wrong rond de polsen van de Dood,
 
want om de pracht van deze jonge mensen,
 
was mijn ontroering boven mate groot.
 
 
 
Zó blij keek geen naar mijne tekens uit:
 
zij achtten al': der voôglen blij gefluit,
 
en het schitterspel der stomgebleven vissen;
 
en nergens rijpte hun verboden fruit.
 
 
 
En eenmaal traden met een schaterlach
 
die twee gedrieën aan de jonge dag;
 
ik klemde vaster nog mijn sterke hand
 
Doods polsen rond, toen ik hun vreugde zag.
 
 
 
En op een ochtend klonk een zacht geschrei;
 
op kousevoeten slopen naderbij
 
de dieren al: beer, luipaard, tijger, loss...;
 
toen maakte ik Doods harde polsen vrij.
[p. 631]
 
Denkend: ‘Hoe is 't gedierte dezen toegezind,
 
die ouders bei' en dit zo kleine kind;
 
't is onrechtvaardig, als ik langer nog,
 
uit vete en vrees, Doods maagre polsen bind.’
 
 
 
- De loss, de tijger, 't luipaard en de beer
 
namen direct in het kreupelhout hun keer;
 
het peppelblad hing roerloos aan zijn stelen;
 
en licht- noch waterval stroomde er meer. -
 
 
 
Door mijne schepping klonk Doods hoongelach;
 
geen dier, dat niet vol vreze rond zich zag.
 
- waar was de Vrede, die dit Al doorvoer,
 
toen nog de Dood gebonden voor mij lag? -
 
 
 
En waarom liet ik toch Doods polsen vrij,
 
toen alles toesloop op dat teer geschrei;
 
de dieren al: beer, luipaard, tijger, loss...;
 
was van die drie 't Geluk te veel voor mij?
 
 
 
Nog lang, in droom, volgde ik dier schepselen lot;
 
d'ontbonden Dood dreef met hun angst de spot;
 
dit was 't refrein in het wijste boek dier mensen;
 
‘Dan, Onze God is een naijv'rig God...’

J. van Hattum