Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 26 maart 1931

R'dam, 26 Maart '31

 

Beste Eddy

De brief, die je me j.l. Zaterdag hebt geschreven, was in den volsten zin een vriendenbrief, die me geweldig opgekalefaterd heeft. In omstandigheden, zooals die, waarin ik nu verkeer, is ieder woord van ‘verwant advies’ een bron van weldadigheid, juist omdat ieder woord van het z.g. ‘welmeenend advies’ een gruwel en een ergernis is, omdat het de zaak altijd precies voorbijschiet. Maar het typische van zoo’n tijdperk als dit is, dat de beslissing over het kernfeit een gok blijft. Ik weet het niet. Ik weet het absoluut niet, wat ik eigenlijk ga doen. Gerda was nu een week hier, en ik weet minder dan de vorige week. Op één dag varieerde mijn geestelijke temperatuur tusschen nul – en … neen, niet kookpunt, dat is te veel gezegd, maar toch, ik houd van haar. De hoofdzaak, of liever het hoofdprobleem, is echter, dat zij van mij houdt, en daarvoor veel zal kunnen verdragen, dat zij van den eerste de besten minnaar zou afwijzen. Dat maakt voor mij alles veel gecompliceerder, ook, omdat er geen enkele indice voor mij is naar een bepaalden kant. De ‘bête, rijke, dikke illusie’ is er niet, god beware me, maar er is ook geen aanleiding, om direct tot liquidatie over te gaan, waar de andere partij zooveel heeft opgeofferd voor de ‘zaak’. Alleen een uitgesproken afkeer zou mij een besluit in negatieve richting kunnen ingeven.

Dus, bij gebrek aan levensernst en tevergeefs pogende, afstand te nemen, staak ik mijn vruchteloos verzet tegen de onbegrijpelijkheid van het leven. Zonderling eigenlijk, dat het eenige, wat mij in dezen duidelijk is, een soort verantwoordelijkheidsgevoel is, waarvan de oorsprong mij volkomen raadselachtig blijft. Dat zal in dit huwelijk nu wel opgelost worden. Eén ding is zeker: van mijn werk zal deze vrouw mij niet afhouden, ze is niet sentimenteel, hoewel gevoelig, en ziet goed in, dat ik een rarigheid naar dien kant heb. Ik fantaseer onderwijl druk aan een nieuw boek, waarvan het thema Barois-achtig is, denk ik: een man van ± 40 jaar, die ‘richting’ seniliteit krijgt, een ‘lijn’ in het leven gaat ontdekken, zich daartegen niet meer kan verzetten, en nu door een avontuur nog eenmaal totaal overhoop gesmeten wordt, juist als hij zijn richting meent gevonden te hebben. Eerste hoofdstuk: bezoek bij een tachtigjarige, die zich ingebeeld heeft, honderdvijftig te willen worden. Laatste hoofdstuk: groote huwelijksinzegening in kerk, met preek, orgelgebruisch, sluier en jacquet: de gevonden richting, een krakende caricatuur. Zooiets moet het misschien worden. Maar de idee van de richting is hoofdzaak.

Ik zal je nu werkelijk heel gauw Coster etc. zenden. Socialistische letteren bezit ik bijna niet, ik zal nog eens zoeken. Ik zal er ook een Hegeliaansch artikel over het Carnaval bijvoegen (motto: hij heeft de klok hooren luiden, maar weet niet waar Bolland's klepel hangt), benevens een niet onvermakelijk entrefilet van een vrijzinnig predikant over hetzelfde ‘armoedige’ boek, waarmee je je zult amuseeren. Dit heer krijgt van mij een speciaal presentexemplaar van Afscheid van Domineesland.

Hampton Court is verkocht, voor duizend gulden vooruit en 20% verder. Een uiterst ‘voorname’ firma, die Nijgh; geluidloos en discreet gepresenteerd honorarium, bijna als geschenk opgediend. Is al weer bijna op. Verder publiceert de mahatelooze de drie eerste hoofdstukken in De Stem; het ethische afscheid van Eline vormt dus het bemoedigend slot, waarmee de richting der 20e eeuw wordt aangegeven.

Zoo, nu weet je weer het één en ander, of liever, je weet nog niets, net zoo min als ik. Wij kunnen, geloof ik, niet meer leven, we moeten ons maar zoo’n beetje laten waaien. In een oogenblik heeft het leven ons zoo overdonderd, dat er geen lieve vader en moederen meer aan helpt. Zoo ben ik nu al dermate in prachtige consequenties betrokken (meubels, huwelijksvoorwaarden en weet ik veel) – dat een eventueele breuk minstens 20 menschen zou raken. (geschenkgevers, notarissen, etc, etc., zelfs timmerlieden!) Groote God, wat een soort menschen is het toch, dat dit au sérieux kan nemen! Ik ben zoo ver heen, dat ik alleen maar lachen kan om de gelukwenschen, die me bereiken. Geluk! Ik ben in een paar weken een paar jaar ouder geworden, het is geen overdrijving.

Kom in ieder geval gauw weer eens hier. Er zal veel te bepraten zijn.

Bouws is een patente vriend in deze dagen. Ik heb nu eigenlijk pas volkomen gevoeld, hoezeer bij hem gebrek aan oorspronkelijkheid vergoed wordt door intuïtieve juiste kijk op allerlei dingen.

Een hartelijke hand van je

Menno

 

Het beste met je griep! Vier deze uit!

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie