E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Bellevue, [10 december 1932]

Bellevue, Zaterdag.

 

Beste Menno,

Ingesloten een briefkaart die ik je gisteravond schreef; maar vanmorgen kwam er een N.R.F. binnen, met een artikel over Ch. de Laclos door Giraudoux, en dit bracht me op het idee, dat ik je nog heelemaal niet antwoordde over de Liaisons. Je vindt het nu zoo goed, intelligent, enz. - ik ook; maar evenals jij (denk ik) prefereer ik Mme de Mertueil verre boven Valmont. De legende dat Valmont zoo superieur zou zijn, is wat dom: l'homme à femmes is, als men hem niet alleen als een zieke beschouwt die zijn kwellend zaad nu eenmaal in gevarieerde schoten uitstorten moet, bijna ‘zonder aanzien des persoons’, intrinsiek ridicuul; en het idee van de verleider = held is een puberteitsdroom, of een speciaal wanbegrip van heele leelijke, of van alle charme verstoken, mannen. Ik schreef je gisteren in een badineerende toon over de ontmaagding; maar ik sta daar feitelijk veel ernstiger tegenover, en de waarheid is dat ik de maagd altijd nog een heel stuk sympathieker vind dan de ontmaagder. Nu is de ontmaagder specifiek de triumphator in zulke gevallen: ik bedoel van verleiding, mannelijk overwicht, enz. Als je bedenkt hoè drastisch-bête de mannelijke trots al is van den bordeelbezoeker, die na verrichte arbeid, weer ‘beneden’ komt, en die meestal moeite heeft om geen hooge borst te zetten van zwellend zelfgevoel na zijn mannelijke prestatie, dan heb je ongeveer een idee van het walgelijke triomf-element in de naroes van den ontmaagder. Valmont heeft, alles bijeen genomen, afgescheiden van zijn ‘eerlijkheid’ dan om alles op papier te zetten (maar deze was technisch al noodig, want anders had Laclos geen roman in brieven kunnen schrijven en niets kunnen maken van die boeiende 18e-eeuwsche compliciteit tusschen de ex-amants Valmont-Mertueil), maar één beter moment, één menschelijke troef: wanneer hij erkent dupe te zijn van zijn eigen pathos, als hij de présidente de Tourvel eindelijk verovert. Precies zooiets, en eerlijker nog, met nòg minder fanfaronnade, en dus beter, vind je in de mémoires van Lauzun, in de episode van Prinses Czartoryska, als de verleider gaat bloedspugen, omdat de vrouw hopeloos lijkt. Lauzun houdt effectief nòg meer van Prinses C., als Valmont van de presidente - d.w.z. is nòg minder dupe van de heldhaftigheid die hij zijn rol nu eenmaal verschuldigd is. - Ik geloof dat ik rijp ben voor een groot stuk over de verleider = de gebraden haan, de vulgaire pauw, de ridicule chance-fokker, enz. enz. bij uitnemendheid, en kortom, wat ik je vroeger al zei: de dappere haan tegenover de kip, die zich alleen maar ‘racheteert’ als hij ook nog een dappere haan tegenover een andere haan vermag te zijn. Valmont nu blijkt, als het erop aankomt, erg gauw weggeprikt te kunnen worden door iemand die hij den heelen tijd aanduidt als le petit Danceny. Ik zou dien petit Danceny wel eens beter belicht willen hebben dan Laclos het deed; Laclos heeft zóó'n interesse in de slimmigheden van Valmont, dat hij van Danceny een vage ‘poëet’ maakt, maar: 1e. is de verleidingshistorie van Cécile Volanges door Valmont niets dan een heldendaad voor de commisvoyageurstafel (ofschoon met 18e-eeuwsche allure verteld); 2e. bleek de kleine poëet kwaad genoeg te kunnen worden om handelend op te treden, en dan prikt hij opeens beter dan Valmont. Ik geloof niet dat dit een concessie van Laclos was aan de moraal - vooral in 18e-eeuwsche romans was dat geen mode, maar Laclos lijkt me voor zooiets ook te vrij èn te intelligent - ik geloof dat dit puur een menschelijke reactie in hem was; ook niet alleen een middel om te laten zien hoeveel sluwer Mme de Mertueil was dan Valmont, zoodat zij van Danceny gewoonweg haar werktuig maakte (na haar: ‘Hé bien, la guerre!’) Danceny is vaag gehouden omdat hij jong is; als Laclos het aangedurfd had om den roman nog wat meer uit te breiden, en niet, après tout, toch te concentreeren op het duo Mertueil-Valmont, had hij hem ook wat beter kunnen doen zien; want zoowel hij als Cécile Volanges zijn de moeite waard. Wat de jeugd doet in zoo'n verleidingsatmosfeer, is nog wel gecompliceerder te maken, en uit te werken, dan hier gebeurd is. De reactie van Danceny is die van een boosgeworden kalf, omdat het andere kalf, Cécile, voor hem bedorven werd, maar dit boosgeworden kalf maakt een eind aan de prikkunsten van den hengst Valmont, en al was het alleen maar omdat die hengst dàt zoo beroerd moet hebben gevonden (en de bewonderaars van den hengst, die hem in een eventueel vervolg - zooals toen de mode was - zoo graag nog eens hadden zien optreden) pleit die daad voor zijn figuur. Kortom, de jonge Intnest is mij alleen onsympathiek, summa summarum, omdat zijn jeugd hem tranen doet plengen bij het kreng van den heer Dalberg. Ik zou een vervolg willen lezen, met de verdere avonturen van hem en van de bedorven Engelvlucht, uit het klooster losgebroken.

Je moet de mémoires van Lauzun maar eens lezen - er bestaat een vrij goedkoope editie van, met portretten - en je zult zien dat Lauzun, die een model had kunnen zijn voor Valmont, met al zijn ijdelheid veel ‘grooter’ en boeiender is dan de libertijn die door Jan Greshoff zoo wordt bewonderd. (Als Jan over Valmont spreekt, zegt hij: ‘Ha, wat een vent!’ en trekt er de verlekkerde lip bij van iemand die 20 jaar achter zich heeft van een trouw en gelukkig huwelijk.) Mme de Mertueil is een Kring-madam, maar in het loederachtige werkelijk ‘groot’; Valmont is goedbeschouwd een heros voor schooljongens; ik kan me voorstellen dat Santos Iturria hem tot levensmodel gekozen had.

Ik zou graag weten wat jij van dit alles denkt. Tot zoolang dan maar weer vele hartelijke groeten.

Je

E.

 

Er staat niets in het heele stuk van Giraudoux, dat ik nu eerst inkijk, dat de moeite waard is. Alleen tegen het eind zegt hij dat Laclos de moraal niet heeft willen dienen, wat mijn gevoelen bevestigt. Maar ik heb de Liaisons hier niet, en ik las dat boek nu toch zeker wel 5 jaar geleden; mijn reactie van nu is gewoon een veranderde houding tegenover den verleider, en Valmont is natuurlijk een prachtig specimen van dat soort. Casanova is er een hevige opsnijder bij, beurtelings laf en moedig, wiens voornaamste kwaliteit is: zijn menschenkennis, want zijn gekees komt op hetzelfde neer, of je het nu 80 keer leest of 10. Bij een opmerking van Giraudoux: dat de confidentie tusschen Mertueil en Valmont zoo'n overwegend deel neemt in de libertinage van ieder apart, bedenk ik dat ook hier een element steekt van superioriteit voor Mertueil: nl. haar haat tegen het genre kuische vrouw als de présidente, en hoe zij Valmont als het ware aan het werk zet om haar stand van Kring-loeder te rechtvaardigen; zij maakt van hem de wreker van hààr hoerenstaat. Daarvoor in de plaats vertelt zij hem grappige anecdoten, die haar nooit iets anders kosten dan die brieven - ‘eerlijkheid’ waar ik het al over had: voor Valmont persoonlijk zijn haar bekentenissen zonder belang, of op z'n best streelden zij zijn ijdelheid. Terwijl het voor haar au fond natuurlijk een rechtvaardiging van haar bestaan was, wanneer de présidente ‘eraan ging’. Dupe van iemand die nog minderwaardiger is dan hij, het is alweer weinig vleiend voor Valmont. En als je dan bedenkt wat een pleefiguur de ‘groote’ Mertueil zou hebben geslagen bij een man, die met wat anders bezig zou zijn geweest - bv. bij een Saint-Just. Dit wordt te fantastisch, maar zoo'n man bestaat natuurlijk, en is dus wel in een historische of romanfiguur te bedenken: bv. hoe zou Mme de Mertueil behandeld zijn geworden door Diderot? Ik geloof dat zij in 2,3 brieven rondement haar vetje had gehad - zonder Diderot daarom aan te zien voor wat men later een ‘bourgeois’ genoemd heeft.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie