Tumult in den schouwburg
Bij de opvoering van De Beul in den Stadsschouwburg te Amsterdam, is het tot heftige demonstraties van bezoekers gekomen
Een verklaring van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging

Onze correspondent te Amsterdam schrijft ons:

De vertooning van ‘de Beul’, het veelbestreden stuk van Pär Lagerkvist, door de Amsterdamsche Tooneelvereeniging, onder directie van Albert van Dalsum en A. Defresne, heeft Zondagnamiddag, in den Stadsschouwburg tot tooneelen geleid, zooals in ons officieele theatergebouw misschien nog nooit zijn voorgekomen.

Het was bekend geworden, dat er van zekere zijde tijdens de Zondagnamiddagvoorstelling, tegen verschillende tafreelen en passages zou worden geprotesteerd. Vandaar dat de politie uitgebreide voorzorgsmaatregelen had getroffen. Een groote macht politie, in civiel, behoorend tot de centrale recherche, en in uniform, was in het gebouw aanwezig, en ook daarbuiten waren de noodige maatregelen getroffen om tegen ordeverstoring te waken, althans op te treden. De schouwburg was, op alle rangen, zoo goed als uitverkocht. Voordat de voorstelling begron, trad de heer Defresne voor het nog neerhangende gordijn, om een kort woord tot het publiek te spreken. Hij deelde mede, dat het bekend was, dat er zich een aantal personen in de zaal bevonden, die niet waren gekomen uit belangstelling voor de voorstelling, maar om andere redenen. Hij voegde eraan toe, dat alle mogelijke maatregelen waren genomen om stoornis te beletten of om daar een eind aan te maken, en verzocht het goedwillende publiek zich kalm te houden en zich vooral geen angst te laten aanjagen, als er met rookbommen mocht worden gegooid. Een angstreactie op het hier en daar opstijgen van rook, zou ernstige gevolgen kunnen hebben, omdat hieruit paniek zou kunnen voortkomen.

Men behoefde in zoo'n geval niet aan brand te denken, en kon rustig op zijn plaats blijven zitten.

Onder die omstandigheden begon de voorstelling. De verwachting was, dat de demonstraties zouden beginnen tijdens het tweede, in onzen tijd spelende deel, met zijn anti-fascistische tendenzen. Maar de eerste teekenen van onrust vertoonden zich reeds in de 1ste afdeeling, de midden-eeuwsche. Het visloen van den beul, die met de veroordeelde vrouw wenscht te trouwen, gaf aanleiding tot protesten uit de zaal. Iemand riep, en anderen vielen hem bij, dat de in dit verband gebezigde termen godslastering inhielden. Even ging het licht op, en toen gingen de protesten over in een algemeen gekuch. Een viertal personen werd door de aanwezige politie uit de zaal gezet.

Spanning na de pauze.

Men ging de pauze in, in spanning over hetgeen daarna volgen zou. En wat volgde was veel erger! Bij de behandeling van het spel werd de zaal niet meer geheel donker gemaakt. Er werd bij halflicht verder gespeeld, ten einde het verwekken van stoornis te bemoeilijken. En overal zag men nu bij de uitgangen der verschillende rangen, politiedienaren in uniform.

De eerste fascistische phrases verwekten applaus en tegenapplaus. Een paar bezoekers van de stalles en de fauteuils de balcon werden verwijderd. Toen een der laatstgenoemden zich blijkbaar verzette, zagen wij voor het eerst van ons leven op ‘het presenteerblaadje’ (zooals de vooruitgebouwde fauteuils de balcon in den volksmond heeten) den gummistok zwaaien. Ook een heer op de eerste rij stalles liep klappen op. Omstreeks dien tijd meenden wij een onaangename en prikkelende lucht te ruiken. Het was echter niet zóó, dat wij konden constateeren, dat er werkelijk met stinkbommen geworpen was, zooals om ons heen beweerd werd. Wel schijnt het, dat, na afloop van de voorstelling, toen de zaal dus reeds geheel ontruimd was, achtergelaten doosjes met dergelijke projectielen door de politie gevonden zijn; een viertal volle doosjes en twee leege. En toen volgden de protesten, die steeds, als automatisch, gevolgd werden door een verwijderen uit de zaal, elkander regelmatig en in steeds sneller tempo op; nu hier dan daar, nu boven, dan beneden, op de duurdere zoowel als op de goedkoopere rangen. Wat dan telkens een opdraaien en na verwijdering der ordeverstoorders, op min of meer hardhandige wijze een (half) neerdraaien van het licht, en - zooals vanzelf spreekt - vertraging van de voorstelling tengevolge had. Er werd echter steeds doorgespeeld. Tot staking van het spel kwam het niet; den geheelen middag niet. Het stuk werd geheel afgespeeld.

Wat er geschreeuwd werd.

Wij kunnen onmogelijk een eenigszins volledig overzicht geven van al wat er geschreeuwd werd. Van de meest karakteristieke noemen wij: ‘Het is een schande voor Amsterdam!’, en ‘Volk van Nederland ontwaakt, protesteert tegen die vuiligheid’. Ook: ‘En dat noemen ze nou kunst!’

Moesten ten gevolge van dergelijke protesten bezoekers naar buiten gebracht worden die eenigszins midden in de rijen stalles, parket of parterre zaten, dan zag men een enkele maal de rechercheurs zelfs over de stoelen naar den delinquent of de delinquenten (vaak was het een heel rijtje) klauteren. Meestal gingen ze gewillig mee, maar soms ging de uitleiding gepaard met heftig verzet, klampten de uitgeleiden zich vast aan de stoelen of anderszins en werden dan met geweld naar buiten gebracht. Dat het daarbij dan niet zacht toeging, valt te begrijpen. Een trachtte, tot tweemaal toe, op het tooneel te komen, wat hem echter belet werd.

 

En het waren niet alleen leden van het sterke geslacht, die demonstratief hun misnoegen over het vertoonde te kennen gaven; ook dames namen hieraan ijverig deel. In de stalles kwamen er naarmate de voorstelling vorderde, groote open plekken, en ook de andere rangen gingen steeds meer hiaten vertoonen. Zeker de helft van de zaal was leeg, toen de voorstelling geëindigd was (nadat een deel van het publiek ook nog: ‘Voor Koningin en Vaderland’ gezongen had. De overblijvenden - degenen die dus behoorden tot de andere helft - brachten aan van Dalsum en de zijnen eene stormachtige hulde. Minutenlang juichten zij de spelers staande toe. Daartusschen door klonk schel gefluit.

Buiten den schouwburg, op het Leidscheplein was het nog eenigen tijd rumoerig. Motorpolitie en politieruiters verspreidden de nieuwsgierigen binnen korten tijd.

Nader vernemen wij, dat tegen verschillende personen proces-verbaal is opgemaakt wegens verzet tegen de politie en mishandeling, alsmede wegens baldadigheid.

Verklaring van de Directie der Amsterdamsche Tooneelvereeniging.

Naar aanleiding van de wanordelijkheden, publiceert de N.V. Amsterd. Tooneelvereeniging de volgende verklaring:

De Directie van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging bericht, dat haar voor den aanvang van de voorstelling van ‘De Beul’ telefonisch medegedeeld is, dat er door ongeveer 100 fascisten georganiseerde wanonderlijkheden zouden worden gepleegd.

De directie nam dienovereenkomstig haar maatregelen, welke niet overbodig bleken te zijn. Voor den aanvang van de voorstelling heeft zij het woord tot het publiek gericht, met het verzoek, op deze georganiseerde provocaties niet in te gaan, aan welk verzoek door het overgroote deel van het publiek op voorbeeldige wijze werd voldaan. Dat deze wanordelijkheden georganiseerd waren, bleek van den aanvang af. Het eerste bedrijf, dat in de middeleeuwen speelt en daartoe geen enkele aanleiding geeft, werd bij herhaling onderbroken door vijandige elementen, zoodat reeds tijdens dit bedrijf een tiental personen verwijderd moesten worden.

Nu burgerlijke en politie-autoriteiten tegen de opvoering geen bezwaren hadden, heeft men in bepaalde kringen blijkbaar naar dit middel gegrepen om den autoriteiten, door georganiseerde provocaties een verbod alsnog af te dwingen.

De directie beraamt maatregelen, haar verkoopsysteem zoodanig te wijzigen dat de kans op het welslagen van relletjes in de toekomst uiterst moeilijk zal zijn.

 

* * *

 

Nader meldt onze correspondent te Amsterdam:

Volgens officieele opgave van de politie zijn gisteren circa 200 personen uit den Stadsschouwburg verwijderd. Dit betreft dan waarschijnlijk degenen die gedwongen zijn zaal en gebouw te verlaten. Het getal dergenen die onder protest de zaal verlieten was veel grooter. Hoezeer het publiek in twee kampen was verdeeld, bleek ook hieruit, dat de schuldigen telkens door hun omgeving met den vinger werden aangewezen aan de politie. Vermoedelijk hebben ook een aantal rustige bezoekers de voorkeur aan vertrek gegeven, uit angst voor erger.

Ook op verschillende demonstranten zijn rook- en stinkbommen gevonden. Voorts werden in de zaal zakjes met erwten gevonden. Vermoedelijk was de bedoeling die uit te strooien of weg te blazen.

Het nemen van maatregelen om het verkoopsysteem zóó te wijzigen, dat de kans op georganiseerde relletjes uiterst moeilijk zal zijn, lijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Intusschen, de Amst. Tooneelvereeniging overweegt het, en dat is zeker haar goed recht. Daar de eerstvolgende voorstelling van ‘De Beul’ te Amsterdam eerst over 16 dagen plaats vindt, bestaat er alle gelegenheid voor rustig overleg.

De nieuwe argumentatie

De incidenten, die zich gistermiddag in den Stadsschouwburg te Amsterdam hebben afgespeeld tijdens de voorstelling van ‘De Beul’, spreken duidelijke taal, zij het dan ook de taal der argumentloozen. Tooneelliefhebbers zouden nu, dunkt mij, moeten zeggen, dat het Nederlandsche tooneel eindelijk uit zijn isolement verlost is en niet langer een onnut spel is voor afzijdigen!

Men weet, dat in deze courant twee beoordeelingen van ‘De Beul’ zijn verschenen (de bespreking van het boek niet meegerekend); die van onze Amsterdamsche correspondent en die van mijzelf. De eerste critiek was buitengewoon gunstig, de tweede positie ongunstig. Een controverse, die bewijst, dat het stuk van Pär Lagerkvist althans niet behoort tot de groote hoeveelheid heele en halve amusementsartikelen, die op onze planken geregeld ter consumptie worden aangeboden en die zóó neutraal en onbelangrijk zijn, dat zij links, rechts en centrum koud laten. Ook voor dit soort ‘kunst’ wordt (wij mogen het De Telegraaf hier wel even in herinnering brengen) gemeentelijk subsidie uitgekeerd! Dat Van Dalsum en de zijnen trachten het niveau van ons theater te verhoogen door te breken met die sleurtraditie van het slappe, door den bioscoop eigenlijk al doodgeconcurreerde tooneelbedrijf, is bijzonder te waardeeren; dat zij zoo nu en dan een misgreep doen (gelijk m.i. met ‘De Beul’ het geval was), bewijst niets tegen hun verdienstens; integendeel, wie faalt als Van Dalsum in deze opvoering, heeft iets aangedurfd, dat juist door den durf van het experiment zich soortelijk onderscheidt van de lauwheid van het alledaagsche premièreleven.

Ik meen, dat de lof, dien ik Van Dalsum hier toezwaai, onverdacht is, omdat ik van zijn ‘Beul’-prestatie vrijwel geen goed woord heb gezegd. De incidenten, die gisteren hebben plaats gehad, eischen dit commentaar. De hetze, die door de Telegraaf is ingezet tegen ‘De Beul’ en de Amsterdamsche Tooneelvereeniging en die meer aanleiding gegeven zal hebben tot deze heroïsche relletjes dan het stuk zelf, maakt het noodzakelijk dat de argumenten pro en contra nog eens terdege worden afgewogen. Het feit, dat ‘De Beul’ een weinig geslaagd tooneelexperiment is gebleken, tracht het dagblad, dat met alle winden meedraait en dus in dit tijdsgewricht den NSB-wind in de zeilen tracht te krijgen, uit te spelen tegen het gemeentelijk subsidie; als zou de Amsterdamsche Tooneelvereeniging dit subsidie niet onder de andere tooneelgezelschappen dubbel en dwars verdienen, als zou ook deze mislukking niet pleiten voor haar streven naar een toonbaar répertoire!

En bovendien: de stof, die in het tweede deel van ‘De Beul’ wordt behandeld, moge rhetorisch zijn bewerkt en de vorm moge dus de materie meer schade dan goed doen: dat is nog geen reden om te ontkennen, dat er zich niet te ver van hier gebeurtenissen hebben afgespeeld, die in barbaarschheid de door Pär Lagerkvist ten tooneele gevoerde zeker evenaren. Mijn bezwaar, uitgesproken in mijn recensie, ging tegen den vorm, waarin dit protest is gegoten, tegen de phrase, waarmee phrasen worden beantwoord. Ik geloof, dat de werkelijkheid der concentratiekampen verschrikkelijker, want officieuzer, sluipender is dan het gedoe in de dancing van ‘De Beul’; al staat sedert jaar en dag vast, dat het mir nichts dir nichts neerknallen van menschen niet meer tot de slechte manieren wordt gerekend en hier en daar zelfs tot heldenmoed wordt verheven.

En wat de godsdienstige bezwaren tegen ‘De Beul’ betreft: het lijkt niet waarschijnlijk, dat zij, die daartegen wilden protesteeren, zich op Zondagmiddag in den schouwburg zouden bevinden en hun toevlucht zouden nemen tot een argumentatie als de hier vertoonde!

 

Laten wij dus de onwaarschijnlijkheid en de sentimenteele effecten van De Telegraaf vermijden, waar wij het stuk van Pär Lagerkvist ongunstig beoordeelen; er is geen enkele reden om de Amsterdamsche Tooneelvereeniging hard te vallen en in haar subsidie aan te tasten, er is nog minder reden, om de toestanden in het huidige Europa liefelijker voor te stellen dan zij in werkelijkheid zijn.

M.t.B.