Zonderling geval van plagiaat

Hoe men als ‘paganist’ aan De Standaard kan meewerken
Met hulp van den bijbel

Een mijner collega's stelde mij gisteren een feuilleton uit het a.r. dagblad De Standaard van 2 Maart jl. ter hand, handelend over den roman ‘St. Sebastiaan’ van S Vestdijk en geschreven door een geregelden medewerker H.B. (wie dit is, weet ik niet, en men zal aanstonds zien, dat het er ook minder toe doet). ‘Dat moet je eens lezen’, zei hij, ‘dat is werkelijk nogal aardig voor een christelijke krant’. Ik las het artikel tot en met de tweede kolom en vond het ook nogal aardig, want op eenige onbeduidende wijzigingen en twee veelbeteekenende tusschenvoegingen na had ik het zelf geschreven! Weliswaar niet als H.B. in het blad van den heer Colijn, maar in Het Vaderland van 8 Nov. 1936, zooals mij een vergelijking met mijn plakboek leerde, en weliswaar niet naar aanleiding van Vestdijk, maar van ‘Reis naar de Volwassenheid’ door Herman Besselaar.

Hier volgt het artikel van den heer H.B., naar 's lands gelegenheid verchristelijkt uit het artikel van M.t.B.; ik heb laten spatieeren, wat mijn vindingrijke confrère er zelf bij heeft gemaakt en lichtelijk gewijzigd:

 

De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat de jeugd die periode van het leven is, welke (ik schreef: die. M.t.B.) het sterkst retrospectief geidealiseerd wordt en daardoor aan veel menschen ook volkomen ontvalt, nadat zij de dertig zijn gepasseerd. Wat zij behouden in hun herinnering - maar het is eigenlijk geen herinnering, het is vervorming - is een vaag verlangen naar, of een vage afkeer (ik schreef: haat. M.t.B.) jegens den kindertijd; men gaat generaliseeren, al naarmate men gestemd is zijn jeugd als een gelukkige of een ongelukkige periode te zien, en door het generaliseeren verliest men het intieme gevoelscontact met de jeugdsfeer.

Ik (d.w.z.: ik. M.t.B.) ben er van overtuigd, dat het oneindig veel moeilijker is door de herinnering contact te blijven houden met de kindsheid dan meestal wordt aangenomen. Wat wij van het kind, dat wij waren, vasthouden, is zoo willekeurig en zoozeer bepaald door allerlei belangen der volwassenheid, dat men vooral uit een roman maar hoogst zelden iets van die sfeer kan “terugvoelen”; schrijvers immers kunnen mede tot de grootste vervalschers van het verleden behooren, omdat het nu eenmaal hun vak is zich en ons iets te “verbeelden”.

Heel gewoon is in romans dus de schematiseering van het kind tot een volmaakt onschuldig wezen; en even gewoon is, vooral sedert de romanschrijvers gebruik kunnen maken van de ontdekkingen van Freud, de schematiseering tot het bij uitstek “schuldige” wezen. Het laatste is ongetwijfeld juister dan het eerste - immers wij zijnin zonde ontvangen en geborenen uit ons zelfonbekwaam tot eenig goed” -, maar met dat al heeft de psychoanalytische denkwijze in de literatuur meer kwaad dan goed bewerkstelligd, omdat zij een bedreiging werd voor de literaire spontaneïteit zoolang de schrijvers onder de suggestie van een methode bleven, waarvan daarenboven de uitkomst voor hen, die den Bijbel kennen, ook zonder Freud bekend was.

Het is nu eenmaal zoo, dat de psycho-analyse in de literatuur ons haast uitsluitend het exhorbitante heeft laten zien en dan meestal nog het extravagante van het perverse in den mensch en dat dit andere hebbelijkheden van het individu zoozeer in de schaduw stelde, dat het scheen of alleen het sexueele een rol speelt in de reis naar de volwassenheid en in de volwassenheid zelf. Hoe groot deze rol ook moge zijn, overheerschend is zij toch stellig niet. De romanschrijver kan zich inspireeren op de resultaten van een wetenschap, doch zoodra hij zich tot slaaf laat maken van de psychoanalytische terminologie of de psychoanalytische methodiek, is hij zijn onbevangenheid kwijt. Het opkweeken van een Oedipus-complex in romanvorm is heusch zoo moeilijk niet, wanneer men een en ander van de symptomen gelezen heeft en zelf zoo nu en dan wel eens iets gevoeld heeft in die richting. Het voor 't geheele verdere leven verantwoordelijk gestelde kind is thans in de literatuur zoo gewoon als het vroeger ongewoon was; zoo gewoon, dat men er bijna aan zou gaan twijfelen, of het in negen van de tien gevallen niet precies even conventioneel is als het “schuldelooze” kind van een vroeger tijdvak. Het intieme contact met de jeugdsfeer kan men echter niet volgens 'n recept bereiken; het ligt “jenseits” van alle wetenschappelijke methoden, omdat het altijd een persóónlijk contact is, dat uit persoonlijke ervaring moet worden gewonnen. Wie iets weet van de weerbarstigheid van het jeugdverleden, van de ongeneeslijke neiging van den mensch om dit verleden telkens weer te idealiseeren, in het goede of in het kwade, die beseft, dat iedere werkelijk concrete visie op de jeugd een verovering is en een bevrijding tegelijk, en dat men vergeefs naar een schema zal zoeken, dat verovering en bevrijding zal kunnen vervangen door een patent-verheldering voor iedereen’.

* * *

 

Tot zoover mijn geachte confrère van De Standaard; hij heeft er nog een stuk over 't boek ‘St. Sebastiaan’ aan vastgebreid, dat hij althans niet van mij heeft overgeschreven; te oordeelen naar den stijl zou het van hemzelf kunnen zijn; het komt erop neer, dat Vestdijk ‘het niet zoo gortig maakt als in zijn andere romans’. Hoewel ik het niet onvermakelijk vind om mijn opvattingen over litteratuur en psychoanalyse ook in het anti-revolutionnaire huisgezin te zien verbreid, voel ik mij toch eenigszins verontrust door het feit, dat dit geschiedt onder de initialen H.B. en dat bijbelsche toevoegingen den indruk moeten wekken, dat mijn inzichten gebaseerd waren op de Schrift, terwijl zij in werkelijkheid (ik bedoel in Het Vaderland van 8 November 1936) gebaseerd waren op de tegenstelling tusschen litteratuur en wetenschap! ‘Immers wij zijn in zonde ontvangen en geboren en uit ons zelf onbekwaam tot eenig goed’ is n.l. een conclusie van den copiist H.B., evenals zijn inlasch over den Bijbel, het ‘exhorbitante’ en het ‘perverse’; deze zinnen komen in het origineel niet voor. Pikant is, dat mijn confrère ook heeft toegevoegd ‘de eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat’; dat moet hem toch even raar in de ooren geklonken hebben; pikant is ook, dat hij mijn zin ‘schrijvers immers behooren mede tot de grootste vervalschers van het verleden’ heeft vervangen door ‘schrijvers immers kunnen mede tot de grootste vervalschers van het verleden behooren’; de bewering in haar algemeenheid leek hem zeker te sterk. ‘Het reine, schuldlooze kind van het victoriaansche tijdvak’ verving hij door het ‘schuldlooze kind van een vroeger tijdvak’; ‘rein’ en ‘victoriaansch’ kwam blijkbaar niet in zijn kraam te pas. De rest van zijn wijzigingen en weglatingen komt voort uit de voor zijn lezerskring dwingende behoefte om mijn artikel tot een bijbelsch pleidooi om te werken.

* * *

 

Men pleegt in deze, christelijke, kringen, nogal een hoog woord te hebben over de immoraliteit van zekeren Vestdijk. Andermans artikelen (copie van ‘paganisten’ die men vergeten waant) stelen (en vervalschen bovendien) geldt in dezelfde kringen blijkbaar als het schrijven van litteraire critiek, in strijd overigens met een der Tien Geboden. Ik stel er daarom prijs op te verklaren, dat ik in het vervolg niet meer onder het pseudoniem H.B. aan De Standaard wensch mede te werken, en dat een deel van H.B.'s overschrijfsel trouwens al werd herdrukt in het boekje Mephistophelisch, pag. 47, maar daar onder mijn eigen naam en zonder bijbelsche interpolaties. Of de redactie van De Standaard mij voor mijn onvrijwillige medewerking het honorarium wil overmaken, laat ik aan haar fatsoensbegrippen ter beoordeeling over.

M.t.b.