Afscheid van de kerk

Gerard Walschap zegt het katholicisme vaarwel
Het proces der geestelijke bevrijding

Gerard Walschap, Vaarwel dan. Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam 1940).

Een profeet is in zijn eigen land niet, of maar ten deele geëerd. Dat is ook het geval met den Vlaamschen romanschrijver Gerard Walschap, die thans een brochure heeft laten verschijnen, waarin hij afscheid neemt van het katholicisme. Het is een zeer bitter afscheid, maar men had het verwacht: wat men echter in Nederland, waar Walschap uiteraard vrijwel uitsluitend bekend is als een van de beste auteurs van het hedendaagsche Vlaanderen, niet wist is, dat hij in het land der talrijke letterkundige prijzen door de katholieke geestelijkheid en de publieke opinie, voorzoover die onder haar leiding staat, vervolgd is met een haat en een benepenheid, waarvan men toch nog verbaasd staat te kijken. Niet, dat Walschap deze soort inquisitie, gepaard gaande aan broodroof, in zijn brochure erger tracht voor te stellen dan zij geweest is; de inquisitie, waar het hier om gaat, werkt niet met brandstapels, en zelfs niet met processen. Zij tracht eenvoudig een eerlijk man te beletten om te zeggen wat hij te zeggen heeft; zij tracht hem op te sluiten in de sfeer van mufheid, waarin een schrijver van het formaat van Walschap niet kan ademen, op straffe van hem uit de leesbibliotheken te verwijderen. Walschap, die geen martelaarshouding aanneemt en opzettelijk een openlijk conflict lang vermeden heeft, is, zooals ook uit zijn brochure blijkt, een overtuigd katholiek geweest. ‘Iedereen’ zegt hij, ‘wordt grootgebracht in een groep, waarin hij met al zijn vezelen vastgroeit. We debuteeren als groepsdier. Geen individu kan zich uit zijn groep losmaken zonder tragisch te lijden. Veruit langdurigst en zwaarst is dat lijden voor den katholiek, omdat bij de zijnen de geestelijke vrijheid van het individu niet erkend wordt.’

Waarom ‘salut’?

Ik heb er meermalen op gewezen, bij besprekingen van Walschaps romans, dat deze katholiek - thans dus gewezen katholiek - niet door een polemische houding tegenover zijn groep is komen te staan. Hij heeft de katholieke wereld alleen geanalyseerd; hij liet alleen zien, hoe zij was, en op zichzelf is dat nog geen daad van ongeloof. Verbijsterend lang kan het duren, eer de katholiek voor zijn geweten moet constateeren, dat hij zelf niet meer is, wat hij was; veel minder dan de protestant, die geboren en getogen is met de bijgedachte aan splitsing, herziening, ‘afscheiding’, is de katholiek vertrouwd met het afscheid; de elasticiteit van de kerk maakt 't hem mogelijk vele dingen vaarwel te zeggen en toch in de kerk te blijven. Het definitieve vaarwel lijkt hem eigenlijk absurd, omdat de katholiciteit de heele wereld omspant, in theorie althans; en hoe zou men uit ‘de heele wereld’ kunnen vallen? De signatuur van het katholieke geloof is dan ook nog duidelijk genoeg in Walschaps boeken van de laatste jaren, waarin hij niet slechts de moraal, maar ook de dogmatiek der kerk aantastte: ‘Sibylle’. ‘Het Kind’. ‘Houtekiet’. Het zijn alle boeken van den twijfel, die - alweer: in theorie - altijd nog zou kunnen leiden tot een herontdekking van de genade. Lang heeft Walschap dan ook de dubbelzinnigheid in zijn bestaan geduld; hij had een gezin te onderhouden, hij had de elasticiteit der kerk, hij wilde niet als held poseeren, en daarom zweeg hij, voorzoover hij zwijgen kon. Omdat hij een kunstenaar was, kon hij in zijn romans niet zwijgen; en reeds dat was voor den clerus voldoende om te alarmeeren. Begrijpelijk trouwens; de twijfel, met meesterschap geschilderd zooals dat in ‘Sibylle’ geschiedt, is gevaarlijker dan een of ander onnoozel pamfletje van een slecht polemist; het weerzinwekkende schuilt niet in de oppositie der Vlaamsche geestelijkheid, maar in haar middelen, die blijkens Walschaps verantwoording van uiterst laag aHooi zijn geweest. Aan de inferieure qualiteit dier middelen heeft Walschap tenslotte erkend, dat hij het laatste woord moest spreken:

‘Ik heb niet salut gezegd omdat mij onrecht is aangedaan. Geen waarheid is aansprakelijk voor de gebreken en vergrijpen van haar aanhangers. Maar deze gebreken, door mij van al te dichtbij waargenomen bij ongeloovige priesters en wat dies meer zij, gaven mij den moreelen schok, zonder denwelken men niet overgaat tot een afrekening. Zij deden de verontwaardiging groeien tot ik mij bevond voor het dilemma: Hebben deze menschen de waarheid, dan moet ik mij ondanks alles neerleggen; hebben zij ze niet, dan laat ik mij al die gemeenheid niet langer welgevallen en ga mijn weg.’

‘Adelaïde’ en de katholieke moraal.

Deze brochure getuigt vooral van de moeizaamheid der geestelijke bevrijding. Walschap heeft zich niet anders voorgedaan dan hij geweest is; hij heeft hier verslag uitgebracht van alle compromishoudingen, die hij - van goeden wil zijnde - heeft trachten te vinden; men ziet hem o.a. ook aan het werk (in eenige beschouwingen uit zijn verleden) als katholiek begripsgymnast, die probeert den eierdans tusschen het katholieke geloof en de rigoureuze eischen van zijn kunst te dansen, die de kunst los tracht te maken van de moraal der kerk en zichzelf toch nog wenscht te onderwerpen aan die moraal; die, met andere woorden, zichzelf oprecht wil splitsen in een geloovige (met de andere geloovigen) en een psycholoog (die zijn eigen wegen gaat). Veel van deze compromistheorie zal den niet-katholiek hetzij hopeloos geforceerd, hetzij hopeloos naief lijken; maar ieder ‘groepsdier’ heeft zijn eigen manier om vrij te worden. De zuiverheid van Walschaps houding komt mij voor boven twijfel verheven te zijn; en daarom doet zijn conflict denken aan dat van Unamuno, aan wiens houding ik trouwens reeds herinnerd werd toen ik ‘Sibylle’ las. Interessant is vooral, wat Walschap hier meedeelt uit den tijd, toen hij ‘Adelaïde’ schreef... met ‘Celibaat’ en ‘Sibylle’ wel het beste werk van zijn hand:

‘Toen ik “Adelaïde” schreef, was ik niet een overtuigd katholiek die het met zijn katholicisme op een accoordje gooide. Dat het ons daarmee ernst was hebben Delbeke (een van Walschaps vrienden - M.t.B.) en ik ten overvloede bewezen door onze tendentieus-katholieke tooneelstukken, die wij nu beiden verloochenen zonder er ons over te schamen dat wij voor onze waarheid zijn uitgekomen, hetgeen wij trouwens nog doen, ieder afzonderlijk, in romans. Ik was er werkelijk en diep van overtuigd een in wezen katholiciseerend verhaal te schrijven. Ik vertelde immers hoe een vrouw, die haar katholiek - niet algemeen christelijk maar specifiek katholiek - geweten verkrachtte, daar moreel en physiek aan ten onder gaat. Ik onthield mij van elk rechtstreeksch betoog, omdat ik vooral door het valsch en onartistiek gepreek van “De Pelgrim” mijn eigen dwaling ingezien had en tot de overtuiging gekomen was dat kunst niet betoogen mag; en overigens omdat de gebeurtenis voor zichzelf sprak. Ik twijfelde slechts aan de decentie van zekere détails, die mij nochtans onmisbaar voorkwamen. Daar ik aan mijn verhaal niets kon veranderen zonder het artistiek te schenden, gaf ik het aan Frans Delbeke, met verzoek het voor te leggen aan een priester, die in Antwerpen algemeen bekend staat als tegelijk zeer vroom en ruimdenkend, en hem erbij te zeggen, dat ik elke letter behield, maar bereid was het boek nooit uit te geven, indien hij van oordeel was dat het niet mocht verschijnen. Frans Delbeke heeft mij het manuscript met imprimatur teruggebracht. Dan eerst heb ik het ingezonden aan Elseviers tijdschrift, toenmaals geleid door wijlen Herman Robbers.’

Er is geen enkele reden om op de juistheid van deze verklaring iets af te dingen. Men kan zich verwonderen over de naieveteit van iemand, die dit parallelisme van katholieke moraal en artistieke onafhankelijkheid voor bestaanbaar houdt, maar naïeveteit pleit niet tegen een schrijver; wij hebben allen onze naieveteiten, en zij zijn het meest typeerend voor onze persoonlijkheid. Nauwkeuriger gezegd: dezelfde naïeveteit, die Walschap ten tijde van ‘Adelaïde’ deed gelooven aan de mogelijkheid van het parallelisme, doet hem nu de vaak zoo corrupte Vlaamsche gemoedelijkheid op zij zetten en deze brochure schrijven. Het is de naïeveteit van den man, die de grenzen der individualiteit kent, maar die ook weet, dat men zijn besef van menschelijke waardigheid niet aan de collectiviteit mag prijs geven. ‘In modder vechten heb ik beneden mij geacht. Ik heb mijn walg verkropt. Maar ik heb het verdomd mij te bekeeren onder de zweep’.

Een waarschuwing voor velen.

‘Ik ben de eenige, die dit zeggen durft. Ik ben niet de eenige, die het denkt. Wij zijn legio. Het zijn mijn boeken niet, die Vlaanderen ontkerstenen. Het is ook niet dit brochuretje dat de dominatie van den clerus zal ondermijnen. Het is het zwijgen van al de anderen, ook van diegenen, die mij om deze regelen rustig nogmaals zullen laten banvloeken.. Het zwijgen der anderen vreet verbitterd de steunsels van de dominatie weg. Misschien blijft de langzame instorting vorderen zooals zij nu al sinds jaren voortgaat, ondanks de vlaggen en stoeten. Doch slechts een kleine schok, iets heviger b.v. dan die van het rexisme, en de geestdriftige stoeten van heden voor hulde aan Paus en Bisschoppen manifesteeren morgen woest tegen het clericalisme’.

Walschap zegt dit van de Belgische geestelijkheid, het Belgische katholicisme. Hebben wij eenigen tijd geleden in Oostenrijk niet zien gebeuren, wat hij hier als mogelijkheid voorziet, hebben wij kardinaal Innitzer niet zien capituleeren voor het hakenkruis? Waarachtig, het zijn geen sprookjes, die ons hier worden verteld door den scherpziendsten psycholoog van Vlaanderen! En wie dit alles wil beschouwen als een beetje teleurstelling van een miskenden auteur, heeft niets van deze brochure begrepen; Walschaps waarschuwingen gelden trouwens niet alleen voor de katholieke groep, maar evenzeer voor diverse andere, die ons nu nog enorm sterk lijken door hun aantal, hun ‘vlaggen en stoeten’; er staan meer autoriteiten op leemen voetstukken, die door den eersten den besten stoot van een of anderen geweldenaar pur sang zouden worden omgekegeld. Het is zaak brochures als die van Walschap minstens even ernstig op te vatten, als zijn romans, die over dezelfde onderwerpen in ‘gelijkenissen’ spreken. Hier is een eerlijk man aan het woord, die gehoord moet worden, in Vlaanderen, maar ook in Nederland. Hij heeft lang gezwegen: dat maakt zijn uitspraak des te belangrijker, want zij, die voor hun ideeën kunnen instaan, komen niet iedere maand met hun bekeering voor den dag. Hij deelt hier mede, dat hij twee manuscripten, ‘Bejegening van Christus’ en ‘Manneke Maan’, die volgens het oordeel van eenige vrienden niet met de orthodoxie overeen waren te brengen, eenige jaren in portefeuille heeft gehouden en dat zij nu binnenkort zullen verschijnen. Wij zien ze met de grootste belangstelling tegemoet; maar moge eerst deze brochure de verspreiding vinden, die zij verdient.

M.t.B.