Menno ter Braak
aan
J.L. Faber [Zutphen]

9 januari 1933

Rotterdam, 9 Jan.'33

 

Beste a.s. schoonvader!

Ook deze aanhef is nog niet geheel vrij van storende klankelementen; maar ik wil niet te voorbarig zijn! Ik dank u zeer hartelijk voor uw brief, waaruit ik heb opgemaakt, dat wij het vrijwel eens zijn; iets, waaraan ik trouwens niet getwijfeld had, maar waarvan de schriftelijke bevestiging mij toch bijzonder veel genoegen doet. Een oogenblik was ik bang, dat ik in mijn brief te veel humor had verschoten en te weinig gewezen op de ernstige kant van mijn plannen; maar ik dacht wel, dat u die daar doorheen zou lezen. Nogmaals verzeker ik u, dat ik, zoover dat menschelijkerwijs gesproken mogelijk is, geloof in mijn gevoelens voor Ant, juist omdat zij geheel verschillen van mijn vroegere ervaringen op het gebied der (laat ik maar met één woord zeggen wat twintig dingen omvat) liefde. Een bewijs is mij daarbij (als ik het noodig had), dat mijn vrienden ook de hare zijn en dat zij haar waardeeren om haar zelf; zooals ik in alles haar genegenheid voor u begrijp en deel.

Wij hebben gedacht aan den maand Juli voor ons huwelijk, maar voor vaste plannen voor den zomer terwijl het nog winter is, zijn wij beiden te weinig eerzuchtig. Misschien wilt u er uw gedachte ook al eens over laten gaan.

M. hart. gr., ook voor de familie

Uw toeg.

Menno t.B.

 

Origineel: particuliere collectie

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie