[p. 652]

III

Les sentiments de l'homme sont confus et mélangés; ils se composent d'une multitude d'impressions variées qui échappent à l'observation; et la parole, toujours trop grossière et trop générale, peut bien servir à les désigner, mais ne sert jamais à les définir.
Benjamin Constant

Het citaat uit Constants Adolphe, dat ik boven deze regels plaatste, drukt heel duidelijk uit, waarom ik de oude, verstarde elitepretenties evenzeer verafschuw als de voorbarige vormgevingen aan de toekomst, die men bij zoveel cultuurprofeten kan aantreffen, omdat zij het niet nalaten kunnen hun confuse en gemelangeerde sentimenten in geruststellende, zo mogelijk daverende woorden om te zetten. Hitler rekent met duizend jaar, de onnozele, maar hij is per slot van rekening niet alleen de plompe caricatuur, maar ook de consequente voortzetter van de ‘normale’ cultuurspeculant. De behoefte om gedachten te formuleren over een nieuwe elite is in wezen conservatief, schreef ik; welnu, dat geldt zowel van de ‘oude’ elites, die hun vooroordelen in de toekomst willen bestendigen als voor de voorbarige eliteconcepties, ‘trop grossières et trop générales’, waarin een mengsel van ‘oude’ voorstellingen tot een ‘nieuwe’ wensdroom is versmolten. De taal is een conservatief instrument en de definitie altijd nog een te gemakkelijk middel om zekerheid te scheppen, waar geen zekerheid heersen kan.

Als ik over een toekomstige Europese elite spreek, doe ik dat dan ook met de bedoeling vrij te blijven; vrij te blijven zowel ten opzichte van de ‘oude’ elitepretenties als van de voorbarige ‘nieuwe’. De als vorm en groep gedachte ‘nieuwe’ elite is immers reeds de dode elite, de caricatuur van elite, zodra men ‘désigner’ meent te kunnen vervangen door ‘définir’; misschien zal juist het verlangen vrij te blijven, niet de slaaf te worden van het woord, kenmerkend zijn voor het elitebesef in een onherroepelijk democratische wereld. De wens om zich niet vast te leggen op een wens betekent niet, dat men er van afziet wensen te koesteren, maar betekent uitsluitend, dat

[p. 653]

men zich met veel meer wantrouwen aan de definitie van die wensen waagt dan doorgaans het geval is.

In de christelijke cultuur is de elite vogelvrij geworden, nadat zij lange tijd plaatsvervangend en ‘administratief’ was: dat is een feit van kapitaal belang, dat is het feit der democratie. De plaatsvervangende elites, Regnum en Sacerdotium, hadden nog een betrekkelijke stabiliteit, omdat haar hiërarchie, hoezeer ook door voorlopigheid bepaald, ‘in de hemel’ werd gewaarborgd; met dat al hadden zij al een gedeeltelijk fictief karakter, juist toen zij zich in haar volle heerlijkheid gingen ontplooien... getuige de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk, getuige het bankroet van de politiek van de grote pausen der middeleeuwen. Hoeveel sneller echter wordt een vogelvrije elite fictief! De bourgeoisie was een fictieve elite, toen zij nauwelijks begonnen was heerschappij uit te oefenen; haar caricaturen liggen vlak naast de eerste documenten van haar élan op de barricaden; nochtans worden haar elitebegrippen maatstaf en weet zij zich tegen haar eigen caricatuur in te handhaven, zelfs aan het rebelse proletariaat haar cultuurnormen op te dringen. Van de adel kon men overigens hetzelfde zeggen, al is er een belangrijk verschil in tempo. Huizinga toonde in zijn Herfsttij der Middeleeuwen aan, ‘dat de adellijke levensnorm zijn heerschappij over de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te hoog, die van de burgerij veel te laag geschat.’ ‘Voor het kennen van het cultuurleven’, voegt Huizinga er aan toe, ‘behoudt de waan zelf, waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat leven mèt den glans van dat vernis wist te zien.’

De waan, die de waarde van een waarheid behoudt, is de elitewaan, is in laatste instantie altijd weer de waan van het ‘definiërende’ woord, dat geen ‘sentiments confus et mé-

[p. 654]

langés’ erkent; en aangezien die waan even representatief is voor de mensen als hun z.g. reële economische en politieke verhoudingen, kan men inderdaad geen geschiedenis schrijven, zonder zich intensief bezig te houden met die spanning tussen ‘waan’ en ‘leven’; maar evenmin kan men over de toekomst spreken zonder dat te doen. Alleen door zich telkens weer voor ogen te stellen, dat de elite niet is, maar wordt, kan men zijn vrijheid bewaren tegenover de toekomst. Aan de wordende elite kan men dus bepaalde kenmerken toeschrijven, op grond van het gewordene en van bepaalde verwachtingen, die iedereen reeds in zijn definitie van het gewordene neerlegt; maar die kenmerken zijn tevens eisen, die men aan de toekomst stelt, en of eisen worden ingewilligd, is niet in de laatste plaats een quaestie van eigen activiteit. Onze elitekenmerken voor de toekomst, anders gezegd onze elite-eisen, beantwoorden aan een doel; wie eist, wie b.v. van zijn medemensen eist, dat zij een hiërarchische ordening zullen erkennen, eist ook, dat zij een doel erkennen, en hij zal telkens weer gedwongen worden dat doel (‘confus et mélangé’) in woorden te formuleren. Voor de gelovige Christen was (en is) het doel boven de fluctuaties der begripskoersen verheven; zijn doel was (en is) ‘de hemelse zaligheid’. Wat hij zich daaronder voorstelt is bijzaak; hoofdzaak is, dat een definitie de richting bepaalt en dat de onzekerheid (‘confuse et mélangée’) niet daar optreedt, waar zij een ramp zou kunnen zijn: in de doelstelling. Regnum en Sacerdotium mogen elkaar hun bevoegdheden betwisten, hun doel is ‘boven aardse twist verheven’.

Sinds het christelijk doel problematisch is geworden, zijn dus ook de ‘wereldlijke’ en de ‘geestelijke’ macht problematisch geworden. Men oefent macht uit en men bedient zich van de theorie, zonder dat men weet met welk doel; en nochtans kan men geen handeling verrichten en geen gedachte formuleren zonder zich een doel te stellen! Het gevolg van deze paradoxale situatie is, dat handelen en denken, die oorspronkelijk beide denkend handelen en handelend denken waren in dienst van de hemelse zaligheid, zich van elkaar verwijderen: de befaamde tragedie der Europese cultuur, die telkens weer leidt tot gewelddadige en absurde pogingen om de oorspronkelijke

[p. 655]

eenheid te herstellen, die in onze eeuw geleid heeft tot de antithese bruut-schoolmeester, waardoor de afgrond tussen handelen en denken manifest geworden is. Zij, die handelen in het groot, zijn thans óók de ‘terribles simplificateurs’, terend op twee of drie gemeenplaatsen, die Burckhardt, nog midden in de negentiende eeuw, voorspelde; zij, die denken in het groot, zijn thans óók de verdorde, eigenwijze, ‘weltfremde’ kathederphilosophen, trots op hun objectiviteit en abstractheid; bij de handelenden is het denken via de gemeenplaats tot beroepsleugen geworden, bij de denkenden atrophieerde het handelen tot het houden van voordrachten, het bewegen van de mond en het bewegen van de pen; bij beiden werd het bestaan doelloos, omdat het oorspronkelijk doel was weggevallen, en kreeg een deel van het bestaan monstrueuze, schijndoelmatige vormen.

Tussen deze monstrueuze uitersten, bruut en schoolmeester, zijn allerlei overgangswezens (wij allen, zoals wij zijn), compromissen tussen handelen en denken, en onder hen zijn ontelbare babbelaars, rooms en onrooms, over een eenheid, die moet worden hersteld; alsof men het bestaan door zeuren een zin kon afdwingen, alsof men een doel, verloren gegaan omdat een ‘definitie’ bezweek aan de ‘sentiments confus et mélangés’ van de Europese mens, weer zou kunnen restaureren als een omgevallen kerktoren! Inderdaad, men zou het kunnen, maar het gerestaureerde doel zou een slecht geweten hebben, zoals de imitatiegothiek een slecht geweten heeft! Een ander kenmerk van toekomstig elitebesef is, dat men zich niet met dergelijke verzoeningspogingen inlaat; de komende, wordende elite in Europa zal opportunistisch zijn, of zij zal geen elite zijn. De eenheid van het opportunisme is de enige eenheid, die voor onze cultuur nog mogelijk is zonder romantiek, zonder ‘gelijkschakeling’ en zonder het geweld als ultima ratio.

Het is derhalve op zijn minst voorbarig, om, zoals Marsman, het opportunisme uitsluitend te beschouwen als een vorm van lijdzaam berusten, waardoor verdere perspectieven worden afgesloten. Het opportunisme houdt wel een element van berusting in, omdat de opportunist rekening houdt met het

[p. 656]

conservatieve karakter der taal en de betrekkelijkheid van iedere toekomstvoorspelling; maar het is tevens reeds zelf een perspectief, omdat het ons een wereld aankondigt, waarin de tot dusverre als contrasten gebruikte begrippen ‘aristocratisch’ en ‘democratisch’ (met de daaraan onvermijdelijk inhaerente doelstellingen) hun geldigheid hebben verloren; wij staan immers voor deze paradox, dat in de laatste jaren de democraat aristocratische waarden heeft moeten verdedigen tegenover een zogenaamd aristocratisch ‘Führerprinzip’! Hoe zou men zich ten opzichte van een dergelijke paradox anders dan opportunistisch kunnen verhouden? En hoe zou een toekomstige elite, zowel de handelende als de denkende, zich anders kunnen vormen om aan de demo-aristocratische politiek leiding te kunnen geven, dan in de leerschool van het opportunisme? Het gezicht dezer elite zal daarom een nieuw gezicht zijn, al zullen bepaalde trekken herinneren aan de aristocratische en democratische gedragingen van weleer; het zal niet nieuw zijn, omdat het zonder verleden uit de lucht komt vallen, maar omdat een nieuwe doelstelling ook een nieuwe physionomie schept. Demo-aristocratisch: wellicht heeft men in twintig of dertig jaar weer een woord gemobiliseerd, dat ons niet meer het recht zal geven van opportunisme te spreken; want opportunisme is een houding, die allerminst onzekerheid uitdrukt, maar alleen het voorlopig ontbreken van een woord (begrip) voor bepaalde handelingen, gevolg van of verbonden met bepaalde gedachten. Opportunisme is dus niet doelloos; de opportunist is zich juist zeer helder bewust van het risico ener cultuur, die tussen bruut en schoolmeester geen midden meer heeft, althans in woorden geen midden erkennen kan. Voor de ‘oude’ begrippensystemen valt derhalve het doel der opportunistische elite uiteen in een aantal onsamenhangende ‘doelpunten’ op de zeer korte baan; een observatie, die ook juist en intelligent zou zijn, wanneer men er niet de pretentie aan ontleende de opportunistische elite een doel te ontzeggen. Dit doel was er n.l. eerder dan de woorden, die het zullen moeten conserveren voor de bruikbaarheid en de propaganda; het werd geboren uit het verachte ‘schipperen’... een typisch-nationale werkzaamheid overi-

[p. 657]

gens, die men ten onrechte uit de hoogte behandelt. Onze elite, die niet is, maar wordt, is de ‘schipperende’ elite, de elite der geboren schippers of schipperaars tussen Scylla en Charybdis.

Ontdek het gezicht der schipperaars in plaats van naar het herstel van oude leuzen te zoeken of romantische dwaasheden als geestelijke herbewapening te cultiveren: dat is het eerste gebod. Ontdek degenen, die niet, zoals de ‘oude’ elites, met een slecht geweten schipperen; het schipperen tussen de leuzen van de bruut en de schoolmeester is een taak, die ik bijna verheven zou willen noemen, als men bij het woord verhevenheid niet weer dadelijk denkt aan het uitgestreken gezicht, dat de nieuwe elite zeker vreemd is. Heeft de schipperaar soms geen doel, terwijl hij bezig is zijn schuit tussen de perikelen van de wal (waar de beste stuurlui staan) door te loodsen? Of is zijn doel, op het moment van het schipperen, de veilige haven? Neen, gedurende het schipperen is het schipperen zijn doel, wordt dat doel bij iedere bocht en kreek anders geformuleerd; aangekomen in de veilige haven zal hem wellicht zelfs een gevoel van ontgoocheling bekruipen, omdat dit nu de plaats is, waarover hij zijn fantasieën heeft gehad, al schipperende, opgaande in de techniek van het labiele evenwicht; zijn grootste voldoening zal ook dan zijn, dat hij gedurende de vaart een goed schipper was. Misschien gaat hij aan de bereikte haven rentenieren, nemen anderen zijn schuit over, wordt zijn schuit gesloopt; weemoed zal zijn deel zijn, ook ouderdom met euphorie of gebreken, en daarna de dood. Van dat Grote Doel weten alle schipperaars; is het in strijd met de opportunistische doelstellingen der schipperaars?

Het Christendom schipperde naar de hemel, d.w.z. het schipperde de mens naar de dood met de illusie van een Hemel, van een Wederopstanding, later van een Evolutie (humanistisch), van een Hemel op Aarde (socialistisch), van een Wederopstanding van het Volk (nationaal-socialistisch). Wij, de erfgenamen van dit alles, kunnen met deze doelstellingen niets meer aanvangen; meer nog, wij weten, dat zij reeds zozeer aan de phrase en de propagandaleugen zijn vervallen, dat zij het schipperen nauwelijks meer vermogen te maskeren. Voor ons

[p. 658]

is het absolute einde de dood, het leven altijd een relatief doel; voor ons vervult zich het schipperen in de tactiek, voorzover wij handelen, in het toelaten der relativerende doodsgedachte, voorzover wij denken. Het ene is het noodzakelijke complement van het andere; een Regnum, dat zich in niets anders dan tactiek verwerkelijkt, veronderstelt een Sacerdotium, dat zijn waardigheid ontleent aan de openlijk erkende relativiteit van alle handelen door de dood.

Vraag: wat houdt een tactiek in zonder absoluut gesteld (eind)doel, zonder een premie op de dood, zonder een hemelse of aardse Heilstaat? Antwoord: niets, dat men onder woorden kan brengen; niets, dat ons voorgoed zou kunnen verlossen van de onzekerheid, waarin wij leven. Daarom is de blik van de opportunistische elite achterwaarts gericht, als zij aan haar doel denkt; want achter haar liggen de woorden, die de illusie van zekerheid gaven, en uit wier conflict het gevaar ontstond van vernietiging en verstarring. Op de bruut reageert de opportunistische elite dus met de woorden van het oude humanisme en de oude democratie, op de schoolmeester reageert zij met de woorden van Macchiavelli en andere tactici, die zich aan ‘heilige’ principes niet stoorden. Dat is het ook, waardoor de nieuwe elite de meeste aanstoot zal geven, links en rechts: dat zij bij het denken aan het doel niet vooruit ziet, of beter gezegd: de toekomst niet door een woord wil bannen, opdat de wereld van de verbale onzekerheid verlost worde. Het vooruitzien op korte termijn, de ‘balance of power’-tactiek, zij zijn in de practische staatkunde weliswaar zeer gebruikelijk, maar zij gelden toch ook als onzedelijk, wanneer zich daarachter, daaronder of daarboven niet een ‘hoger doel’ manifesteert. De nieuwe elite echter zal van het labiele evenwicht een erezaak maken; zij zal op korte termijn vooruit zien en bij het formuleren van haar doelstellingen steeds achteruit, hetgeen ongeveer op hetzelfde neerkomt. De leuze: ‘gevaarlijk leven’, is weliswaar door de bruten zo bevuild, dat men aarzelt haar in deze tijd nog te gebruiken en zelfs aan het gemakkelijke, comfortabele leven gaarne de voorkeur zou willen geven boven deze nieuwe vorm van hysterie; nochtans, ook zonder Mussolini en zijn piratenpolitiek, blijft het leven ge-

[p. 659]

vaarlijk, onzeker, oncomfortabel. Zolang het om mensen gaat, die in een cultuurverband samenleven, maar hun cultuur niet meer onder het patronaat vermogen te stellen van een bindend doel (woord), zolang zal het gevaar van de vernietiging door de bruut en van de verstarring door de schoolmeester aan de orde zijn. Men zou van de nieuwe elite kunnen zeggen, dat zij het tweezijdige gevaar als een noodzakelijkheid erkent (denkend) en tevens voortdurend doende is het te bezweren (handelend); daaruit volgt haar ‘balance of power’-tactiek, haar schipperen, haar opportunisme.

Als ik op korte termijn vooruitzie (en dus achteruit om de doelstelling der nieuwe elite te formuleren), dan zie ik daarom bij deze elite een grote verering voor de banale veiligheid, die de cultuur in dit democratische stadium inhoudt (zelfs nu nog inhoudt, nu zij haar eigen barbaren heeft gekweekt en haar laatste oorlogsspelregels heeft afgeschaft); want het gevaar van de bruut, die over de middelen der techniek beschikt om te vernietigen, kan men niet anders bezweren dan door de veiligheid te vergroten. Cultuur betekende steeds een zekere mate van veiligheid, en men zocht tijdelijk de onveiligheid om nieuwe veiligheid mogelijk te maken. In deze eeuw, nu de techniek de permanente onveiligheid betekent, kan de exaltatie van het gevaar slechts verleidelijk zijn voor degene, die zich niet van het werkelijke gevaar bewust is; dat werkelijke gevaar behoeft men niet door exaltatie op te roepen, het is er steeds, het is door geen veiligheidsmaatregelen te doden. Juist hij, die ‘gevaarlijk leven’ wil, zal daarom naar veiligheid streven, naar de platte, banale veiligheid der democratie, naar nationale en internationale ‘rechtsorde’, naar het verenigde Europa in plaats van de ‘erbärmliche Kleinstaaterei’; kon vroeger deze veiligheid een verstikking zijn, in onze dagen is zij een minimum; zij valt niet meer samen met de zelfvoldaanheid en de reactie, zij is slechts een ander woord voor bestaan en cultuur beide. (Zij is dus allerminst een panacee; wij weten niets van de tijd, die na de korte termijn komt, wij weten niet, of een verstarde veiligheid erger zal zijn dan de heersende onveiligheid van het internationale struikroverwezen.)

Permanent onveilig werd Europa door de techniek (uitwen-

[p. 660]

dig), maar niet minder door het schromelijk misverstaan der techniek. In de eeuw der machine, die de handenarbeid en zelfs een deel van de geestelijke arbeid overbodig gaat maken, vereerde en vereert men notabene het afgodsbeeld Werk, ontnam men de werkeloze zijn waardigheid door hem te ‘steunen’. Zoals het de taak der elite zal zijn om op de moorddadigheid der techniek de veiligheid te heroveren, ‘ferro’, zo zal het de taak der elite zijn de Werkman te onttronen, ‘verbo’, en voor hem in de plaats te stellen de waardigheid van de onproductieve mens, die de arbeid slechts als een noodzakelijk kwaad of een stalende discipline (sport) in ere houdt. Zij zal de wereld een sprookje moeten vertellen van de Éne Werkman, die in zijn centrale handles overhaalt en robots dirigeert, die voor allen het werk doet, dat gedaan moet worden, terwijl allen zich vermeien in het feit van het bestaan, spelen. Dat zal dan het sprookje der nieuwe veiligheid zijn, waarin de machines als de troetelkinderen der mensen verschijnen en de werkelozen niet langer onder de ontering lijden; misschien zal er een zo magische betovering van uitgaan, dat men de luisteraars er tegen waarschuwen moet, opdat zij het niet als een utopie gaan beschouwen en lui worden; want het sprookje is niet de utopie en de lediggang is niet de luiheid.

De veiligheid is de democratie, de democratie is de nivellering; de nieuwe elite zal de nivellering willen, omdat zij zelf uit de nivellering is voortgekomen en weet, dat de oude pretenties geen geldigheid meer hebben. Zij zal dus ook de ‘vooruitgang’ willen, ook de ‘internationale solidariteit’, ook de ‘algemene ontwikkeling’, ook, met andere woorden, de halfbeschaving; niet echter, om in de begeleidende phraseologie te zwelgen, maar omdat deze disposities niet ongedaan zijn te maken. Voor iedere elite was de bestaande wereld een springplank; welnu, men dient van de sprinkplank uit te gaan, wanneer men in het water wil springen. Het nieuwe elitebesef is niet gebonden aan een van de oude standen of klassen; het kan, dank zij de nivellering, overal ontwaken (zoals het nergens behoeft te ontwaken, noch bij de burger, noch bij de arbeider, die op weg zijn hun klassekenmerken te verliezen). Uit dien hoofde is de nieuwe elite een democratische elite; haar

[p. 661]

‘aristocratie’ zal van een democratische springplank duiken. Betekent dit liefde voor de democratie? Ja, want de duiker weet, dat hij zonder zijn springplank niet duiken kan; neen, want hij duikt niet om de springplank, maar om het water. Veiligheid, orde en democratie worden schoolmeestersattributen, zodra zij gebruikt worden om het ‘gevaarlijke leven’ uit te schakelen ten behoeve van een formule-veiligheid, een formule-orde, een formule-democratie; maar men behoeft daarop niet de nadruk te leggen, zolang een democratie van het water nog regelmatig aangewreven wordt aan hen, die niets anders doen dan de democratie van de springplank erkennen.

Ook de nieuwe elite zal uiteenvallen in een denkende en een handelende elite. Het gezicht van de denkende elite beginnen wij te onderscheiden; eigenlijk betreft alles, wat wij over een toekomstige elite schrijven, de denkende elite, het denken in de elite. Maar zoals het Sacerdotium het Regnum veronderstelde als ‘partner’, zo veronderstelt een denkende nieuwe elite een handelende nieuwe elite. Wij zien het gezicht nog niet van deze tactici, die hun aandeel in de bruutheid zullen hebben, die waarschijnlijk weinig met volle bewustheid zullen weten van het dilemma der denkenden en hen misschien zullen respecteren met een nuance van verachting (zoals iedere wereldlijke macht naast respect iets van verachting heeft gevoeld voor de clercken en philosophen). Er zal in de christelijke cultuur altijd een spanning bestaan tussen de handelende en de denkende, tussen de machtsuitoefening en de waardigheid; de handelende zoekt zijn waardigheid (àls hij haar zoekt) in de machtsuitoefening zelf, de rechtvaardiging van zijn spontane tactiek door de denkenden heeft voor hem steeds iets van overbodige aanmatiging... zoals, omgekeerd, de denkende de machtsuitoefening in het groot en zonder scrupules steeds ondergaat als een vorm van tyrannie;4 zulk een spanning sluit samenwerking echter niet uit, omdat zij iets anders is dan de onverzoenlijke vijandschap tussen de bruut en de

[p. 662]

schoolmeester, waarvan wij getuige zijn en die wij helpen aanwakkeren, omdat zij ondraaglijk is geworden.

Na de nivellering door de democratie kan de denkende zich niet meer in de ivoren toren terugtrekken zonder belachelijk te worden en kan de handelende niet meer de pure brutaliteit bedrijven zonder te vervallen in onverlichte despotie, de moderne vorm van barbarendom. De denkende elite zal dat beseffen en niets meer verafschuwen dan de allures van de kunstmatige afzondering; wat zal de handelende elite doen? Is er in Europa nog een heerser denkbaar, die de democratie veracht? Ik bedoel niet het respect voor haar phraseologie, haar paskwillige ‘rechten van de mens en van de burger’, haar scholastische partijverschillen; ik bedoel niet, dat een democratische heerser zich anders dan ‘schipperend’ zal ophouden met historische spitsvondigheden als daar zijn het onderscheid en de overeenkomst tussen liberalen en vrijzinnig-democraten, de overeenkomst en het onderscheid tussen anti-revolutionnairen en christelijk-historischen. Ik bedoel de democratie, die bewerkstelligt, dat ieder mens een kiezer is, de vertegenwoordiger van de kleine volstrekt niet belangrijke menselijke waardigheid, die zo nu en dan uitgedrukt wordt door ‘verschuivingen in de publieke opinie’, door veranderde getalsverhoudingen als resultaat van de stembus. ‘De stembus heeft gesproken’: dat wil zeggen, dat ongelijke mannen en vrouwen met ongelijke gezichten en gedachten door een eigenaardige uitvinding van de christelijke cultuur op één dag worden afgerond tot de zuivere cirkelvorm van evenveel rode stippen. Niet hun blonde of bruine ogen, niet hun originele of platvloerse bespiegelingen over leven en dood, maar een grof mathematisch principe, toegepast op een onoverzichtelijke werkelijkheid, geeft dan de doorslag. De doorslag? Zelfs dat niet; want na de stembus komen de politieke mannen, die het hunne denken van dit resultaat en naar combinaties gaan zoeken, die ten dele op het stembusresultaat zijn gebaseerd en het ten dele weer ongedaan maken. De afronding tot gelijkheid is geen doel van dit systeem, maar middel; doel zijn (of zouden moeten zijn) de mannen van het Regnum, de ware kiezers, de uitvoerders van onuitvoerbare wilsbesluiten der gedifferen

[p. 663]

tieerde massa, doel is (of zou moeten zijn) het regeren van die massa door haar talloze kleine opvattingen van menselijke waardigheid in balans te houden. Ongetwijfeld, daarvoor is nodig een goede dosis geringschatting; een staatsman, die zijn kiezers au sérieux neemt als waren zij ook staatslieden (in het klein), is een onmogelijke staatsman. Zijn geringschatting heeft echter niet te treffen de kiezende mensen als zodanig, op straffe van om te slaan in de mensenverachting van de bruut, die zichzelf isoleert door zijn tyrannie; want wat is de waardigheid van een staatsman zonder het voortdurend contact met de kleine waardigheidsopvattingen van zijn onderdanen?

Wij zien nog niet het gezicht van een handelende elite, maar wij zien de gezichten der democratische politici, die half en half in hun eigen phraseologie geloven (naar boven gevallen kiezers), en wij zien, met meer afgrijzen nog, de gezichten der tyrannen, die zich verbeelden heersers te zijn, omdat zij heersen met een apparaat van geheime politie, schreeuwende rhetoren en stille verklikkers; de eersten vleien, de laatsten verachten het wezen kiezer, en zo leveren zij beiden weer iets van het portret en ontzaglijk veel van de caricatuur ener handelende elite. Niet alleen de caricatuur; wie zich inbeeldt, dat een handelende elite uit modelmannen zal bestaan die gedienstig idealen van stemgerechtigde utopisten zullen uitvoeren, doet er beter aan over hun voorkomen niet te fantaseren. Handelen en heersen veronderstelt compromissen en combinaties, veronderstelt ook onderdrukking. De partij-democraat echter sluit compromissen, omdat hij in het compromis een ideaal verwerkelijkt, de tyran onderdrukt, omdat hij in de onderdrukking zijn doel meent te bereiken, en dat juist ziet men aan hun portret.

Is een handelende elite dan niet een contradictio in terminis? Niet meer dan een denkende elite. Men kan het elitebegrip alleen gebruiken, wanneer men het doel van handelen en denken voor ogen heeft; men kan het elitebegrip van een christelijke cultuur alleen gebruiken, wanneer men zich er rekenschap van geeft, dat het voormalige absolute doel is opgelost in het opportunisme en dat de voormalige plaatsvervangende

[p. 664]

elites, Regnum en Sacerdotium, schipperend een paradoxale beschaving moeten beheren. De paradox in plaats van de eenheid: dat is het ‘geheim’ der nieuwe elite. Zij zal met dat ‘geheim’ overigens niet geheimzinnig behoeven om te gaan, want het esoterische is hier geen clubmysterie; geen nieuwe riddermystiek, geen ‘Pfaffentum’ onder het motto: ‘A Roma si fa la fede - fuori ci si crede’! Wie met exoterische woorden ‘cultuur’, ‘beschaving’, ‘macht’, ‘waardigheid’, ‘doel’ zegt, maakt zich verstaanbaar in een taal, die voor de propaganda bruikbaar is: eenheid door democratie, maar die tevens, esoterisch, het geheim bewaart. De christelijke cultuur kan in dit stadium nog slechts een geheim bewaren door het op straat te brengen, zoals de nieuwe elite haar eenzaamheid alleen zal kunnen handhaven in het gewoel van een genivelleerde samenleving. Dat sluit iedere romantische opvatting van geheim en eenzaamheid uit; waar de retraiteplaatsen in een toekomstig Europa zullen zijn, weten wij niet, want wij weten niet, hoe en waar de elite de stilte zal scheppen, die door de radio van de natuur is afgegrist, tot in de stille boerendorpen toe.

Nochtans zal de nieuwe elite elite zijn door het geheim, dat in de dubbele functie der taal ligt opgesloten. Het geheim ligt op straat, maar de straat is ook een plaats, waar men voorbijgaat, waar men dóórlopend en doorlópend voorbijgaat. Die situatie, en geen andere, zal beslissend zijn voor de verhouding tussen ‘elite’ en ‘massa’; de elite zal daar, waar men aan het geheim voorbijgaat, ‘definiëren’ in plaats van ‘designeren’, volgens de onderscheiding van Benjamin Constant; in die tweeledigheid ligt ook haar dubbele werkzaamheid van handelende en denkende elite, ligt ook de spanning tussen beide opgesloten.

Europa zal voortaan moeten leven met dit geheim, of het zal ondergaan.

Maart-April 1939

4De afgrijselijke caricatuur (en dus ook reeds iets van het portret!) van zulk een moderne verhouding tussen Regnum en Sacerdotium vindt men in de samenwerking tussen de bruut Mussolini en zijn ‘verbale’ lakei Gayda.