[p. 165]

JUNI 1926

NUMMER 6

DE GEMEENSCHAP

MAANDSCHRIFT VOOR KATHOLIEKE RECONSTRUCTIE

ONDER REDACTIE VAN JAN ENGELMAN, HENDRIK KUITENBROUWER, WILLEM MAAS, LOU LICHTVELD EN C. VOS

Wijsgeer of Wijsheidgeerige117

De ‘wijsgeer Kralik’ bestaat niet; evenmin als de ‘historicus Kralik’, of de ‘dichter Kralik’.

Er is slecht één individu, Richard Kralik, mensch. En telkens als ge Richard Kralik noemt, dan noemt ge heel dezen mensch, met al zijn vermogens en eigenschappen. Want de mensch is 'n eenheid, 'n samengestelde eenheid. Wel samengesteld uit 'n dubbel wezens-element, maar toch als samenstel is het geheel dat mensch heet een zelfstandige eenheid. En deze eenheid als geheel en dit geheel als eenheid is oorsprong van alle menschelijke handelingen!

- Men drukt ook dit uit door te zeggen dat de mensch een individu, beter, een persoon is, terwijl men de persoon verantwoordelijk erkent voor al de handelingen van het wezen dat mensch heet. -

De mensch is niet daarom mensch omdat hij een ziel heeft en een lichaam, of omdat hij een ziel is en een lichaam; doch daarom, wijl hij een samenstel is van ziel en lichaam, twee elementen tot één wezenseenheid gecomponeerd. Houdt dat compositum op te bestaan, dan houdt de mensch op te bestaan; of waar deze twee-eenheid niet is, daar is geen menschelijk wezen. Men kan de wezenselementen, ziel en lichaam, wel van elkander onderscheiden doch niet scheiden: ze zijn samen één, zoolang de mensch blijft.

En niet de wezenselementen alleen zijn voldoende om een concreet menschelijk individu, om eene persona, te vormen, - even noodzakelijk hiertoe zijn de aan die persona strikt eigene hoedanigheden.

[p. 166]

Al de bestaande eigenschappen, met het wezen bijeen, vormen de eenheid van dit bepaalde individu, zoo als het hic et nunc daar is. Gescheiden de wezenselementen van elkander, houdt de mensch op te bestaan. Gescheiden de individueele eigenschappen van het wezen, houdt deze mensch op te bestaan.

Maar wij volgen in dit boek eene gewoonte die traditioneel is en ook wel een redelijken grondslag heeft. De figuur van Kralik bestudeerend hebben wij deze als het ware ontleed en verschillende zijden ervan afzonderlijk beschouwd: Kralik als dichter, als geschiedschrijver, als mensch, christen en schrijver; tenslotte nu ook als wijsgeer. Dit, omwille van een systematische behandeling van het onderwerp, die vereischt, dat met één hoedanigheid ervan als 't ware abstraheert van de andere, om ze afzonderlijk onder het licht te zetten.

Doch deze abstractie is louter een quaestie van wetenschappelijke methode, ter vergemakkelijking van de studie. Deze abstractie bestaat niet in de werkelijkheid.

Abstracties immers, zijn dingen die enkel in de gedachte, niet als uitwendige werkelijkheden bestaan. 't Zijn dénk-beelden, gedachtedingen, ideeën, en niets dan dit. Aan die ideeën beantwoord wis en zeker iets objectiefs, doch dat objectieve bestaat niet afzonderlijk en op zichzelf, zooals de idee ervan.

Zoo, het algemeene begrip ‘mensch’ bestaat enkel maar als begrip. - Ja, dat spreekt vanzelf, dat 'n begrip niet anders dan 'n begrip is! Doch ik bedoel, dat er naast dit begrip ‘mensch’, ook nergens, buiten het denkend verstand, 'n wezen bestaat dat, adaequaat en zonder meer, met dat algemeene begrip overeenkomt. ‘De mensch’ bestaat niet, tenzij als begrip. Er bestaat enkel deze mensch en die mensch. Dit weet iedereen en iedereen begrijpt het. En toch ......

 

Abstracties zijn dienstig ter leering. Echter niet om natuurnoodzakelijk samenhangende dingen als gescheiden te denken, doch slechts om ze, in het denken en oordeelen, van elkander te onderscheiden. 'n Onderscheidingsmiddel. En daarom voor de didactiek onontbeerlijk. Qui bene distinguit, bene docet: wie goed onderscheidt, leeraart goed. Als hulpmiddel ter verschaffing en verwerving van waarheidskennis wordt de abstraheerende distinctie nog veel meer verwaarloosd dan onvermijdelijk is.

Niettemin, abstracties, bedoeld en geëigend als middel ter verduidelijking van begrippen, zijn oorzaak van veel begripsverwarring. Wie ongeschoold is in het gebruik ervan, sticht er misverstand mee, dwaling en wanorde. Met abstracties niet alleen, doch met alle

[p. 167]

indirecte, algemeene zegswijzen. Dus ook met romantische personificaties, met aanduiding van concreete zaken door algemeene begrippen. Gij laat, in uw spraakgebruik, ‘de wetenschap’ optreden als subject, als onderwerp. Toch, wetenschap kan niet anders dan voorwerp zijn. - Gij kunt, in romantisch figuurlijke taal, zulk een abstract begrip wel als een persoon doen optreden, het hartstochten toeschrijven en verlangens en handelingen, het roem laten winnen en geluk; maar blijf u dan bewust dat ge in romantisch figuurlijke taal spreekt. Anders zult ge, in uw oordeel, straks ongemerkt overgaan van de orde der gedachtedingen naar de orde der reëele dingen, ge zult van uw onwerkelijk onderwerp toepassingen maken op de werkelijkheid, en ge zult tot dwaasheden vervallen, ongemerkt.

Alreeds de zeer geschoqlde scholastieken hebben verwarring gesticht met hun gefigureerde abstracties.

Uit honderden dit ééne voorbeeld: ‘Philosophia ancilla theologiae’ = de wijsbegeerte is de dienstmaagd der godgeleerdheid. - Maar ‘Philosophia’ is een abstractie, is louter een gedachteding. Er bestaat niets tastbaars dat ‘philosophia’ heet. Hoe moet men zich toch een voorstelling maken van die philosophia als een levend wezen, in verhouding van dienstbaarheid tot een ander dergelijk wezen? Het was een ongelukkige wijze om uit te drukken, dat het bovennatuurlijk geloof van een denkend mensch geschraagd, gesterkt en verrijkt kan worden door zijn natuurlijk verstand; en dat wij geen hoogere waarde moeten hechten aan de uitkomsten van ons natuurlijk denkweten, dan aan die van ons bovennatuurlijk geloofsweten, doch omgekeerd. Maar tot wat 'n verwarring heeft die stoute beeldspraak, op het reëele leven toegepast, aanleiding gegeven. Tot wat een strijd, en haat en nijd. De ‘godgeleerden’ hebben zich deswege verheven gewaand boven de ‘philosofen’, en de laatsten hebben zich moe gemaakt om te bewijzen dat ‘godgeleerdheid’ toch ook maar een bloot menschelijke wetenschap was.

Doch als reeds de in logica gedisciplineerde scholastieken tot zulke dwaasheden vervielen, zoo veel te erger de menschen van den nieuwen tijd, die meenen met de metaphysica te hebben afgerekend, die verloren de wijsheid en de wijsbegeerte van het gezond verstand.

Hebt ge niet opgemerkt hoezeer juist hij die zegt: ‘á quoi servent les abstractions! Nous sommes dans le siècle de la pratique’ (Hello, Le Siècle, p. 214), hoe juist deze moderne en practische mensch steeds verdwaalt in de dwaaste abstracties! De middeleeuwer wist nog wat een abstractie was en hij zou toegankelijk zijn geweest voor een critiek op zijn fouten, maar: ‘Dans la bouche de ces sages tout ce qui est élevé porte le nom d'abstraction’ (Hello, ibidem), ‘abstractie’ is in

[p. 168]

den mond dezer wijzen een scheldwoord geworden waarmee ze hun verachting uitstotteren voor alles wat ze niet begrijpen, en den zin van hun scheldwoord zelf verstaan zij niet, en aan het ongekende gevaar zijn zij dubbel blootgesteld.

De moderne mensch wil niets weten van die onpractische abstracties: die spekken hem de beurs niet. Dat zegt hij. Dat is zijn standpunt. Abstractie is hem alle zedelijk beginsel en alle niet geheel aan de oppervlakte drijvende waarheid. Synoniem met droom. IJdele, broodelooze, suffe droom. Abstractie, al wat hem in zijn grijpzucht belemmert, al wat zijn geweten zou kunnen wekken. Hij wil er niets mee te doen hebben. Dat zegt hij. En hij is een practisch man. - En hij is een dubbel bedrogen man. Want niemand erger dan hij, is slachtoffer van abstracties. Hij kan er niet tegen op zijn hoede zijn, omdat hij ze niets eens kent. Hij weet niet wat het woord in ernst beduidt. ‘Abstractie’ geeft hij een plaats in zijn scheldwoordenboek, elders geen. Hij is een volslagen argeloos en weerloos slachtoffer. Van zijn eigen abstracties en van die der anderen: tijd is geld - zaken zijn zaken - gist doet leven - kunst is larie - reclame is maar alles - en soliditeit - en solidarisme - en democratie - en de ‘nervus rerum’, dan - en rerum novarum, dat is arbeiders vereenigt u. -

Daar is hem geen enkele abstractie bij al zulke diepzinnigheid. Dat ligt geheel buiten de sfeer van wat hij abstractie noemt. 't Is zijn nuchtere, practische levenswijsheid. ‘DE ervaring’ heeft hem zoo wijs gemaakt.

Dat begon al in de 18de eeuw, toen de wijsheid werd verkondigd, dat de mensch goed was. Neen, al veel vroeger, maar toen werd het algemeen. Ook Remy de Gourmont heeft dat opgemerkt118 ....‘Il faut remonter plus haut, à ces abstracteurs du dixhuitième siècle, qui se mirent à construire des systèmes sur l'homme, en oubliant qu'il y a des hommes. Joseph de Maistre a, le premier, relevé cette aberration en disant: ‘J'ai beaucoup voyagé, j'ai vu beaucoup d'hommes: je n'ai jamais rencontré l'homme.’

Sindsdien is de abstractie als metafoor in gebruik gekomen bij schoolvosjes, krantewurmen, beroepspolitici en bij alle geachte sprekers. En, naast het oude ‘ancilla theologiae’, heeft men de huidig meer gangbare voorbeelden, uit vollen overvloed, maar voor het grijpen:

 

1 ‘Politiek is zoo'n verfoeielijk bedrijf!’ - Maar niet de politiek, de politicus is verfoeilijk. ‘Politiek’ is onschuldig, kan geen zedelijke

[p. 169]

verantwoordelijkheid dragen. Alleen de mensch is zedelijk verantwoordelijk. Niet de politiek voert een mensch tot moreelen ondergang, maar de mensch zelf doet zich dat aan, door zijn ikzucht, die hem drijft. De mensch is zelf oorzaak van zijn verderf, want in zijn kwaadwillige domheid streeft hij, vecht hij om eer, aanzien, geld, invloed, macht, hetzij in een politieken zin, hetzij in een anderen rol. - Dat is ook een gevaar dier abstracties: men gelooft ten leste dat de mensch maar slachtoffer is, zelf-niet-verantwoordelijk slachtoffer van een vijand, een duivel, buiten hem, die ‘politiek’ heet, of ‘vuile handel’, of de ‘harde practijk van het vak’, of hoe ook. Die vijand echter, die satan, is de mensch zichzelf.

 

2 Nog zijn ze oorzaak van velerhand sofismen: ‘Kunst heeft niets uitstaan met zedelijkheid’. - Maar de mensch heeft er iets mee uitstaan, de kunstscheppende mensch en de kunstschouwende. De mensch, niet de onpersoonlijke ‘kunst’, maar de persoonlijke mensch is hier in quaestie.

 

3 Gij hoort kortzichtige geleerden betoogen, sluwe demagogen brallen over den ‘strijd tusschen kapitaal en arbeid’. - Maar abstracte begrippen voeren geen oorlog. Dat doen menschen. Vechten doen hebzuchtige kapitaalbezitters en hebzuchtige kapitaaldervers, en alle stofbegeerige menschen. En dat zijt gij en ik. Geen enkele mensch is vrij van lage begeerte. In onszelf, ieder voor zich in zichzelf, moeten wij de oorzaak zoeken van alle, ook maatschappelijk, kwaad. Juist dit evenwel doen die looze abstracties ons vergeten.

 

4 Niets wat zoo licht de begrippen vervaagt, het oordeel verwart, tot zelfbedrog voert: ‘De goede zaak eischt deze offers, het algemeen belang vordert dit en dat. Ik werk niet voor menschen maar voor de goede zaak, en aan de zaak moeten de menschen geofferd worden.’ - Maar uw abstracte begrippen zijn waarlijk zooveeleischend niet. Er is geen ‘algemeen belang’, er is geen ‘goede zaak’ buiten de menschen om. Die algemeene begrippen niet, maar wel menschen hebben rechten. En wie dit in zijn bewustzijn houdt, die zal zoo licht niet meenen, dat het dienen van ‘algemeen belang’ kan bestaan in het verwaarloozen van eigen plichten, dat het ‘algemeen belang’ gediend kan zijn met het verloochenen van vriendschapstrouw, met het verwaarloozen der rechten van het eigen of van eens anders gemoed; ofwel met het verwaarloozen der plichten van

[p. 170]

piëteit, jegens hen wie men moreel verplicht is, door persoonlijke verbintenis.

 

Zoo is het altijd. Abstracties bestáán niet: - de mensch bestáát niet - politiek bestáát niet - kunst bestáát niet - kapitaal en arbeid bestáán niet - de goede zaak bestáát niet.... in de objectieve werkelijkheid. De abstractie kan men denken, kan men niet voltrekken; de abstractie bestaat in de gedachte, niet in de werkelijkheid; wie in abstracties denkt - en dat doen we allen, we kunnen niet anders -, moet zich bewust blijven, dat aan de onderscheiding in de gedachte geen scheiding in de buiten-ik werkelijkheid beantwoordt. De scheiding die, in sommige gevallen, als bij lichaam en ziel, door natuurlijke of door bovennatuurlijke macht, wel kan voltrokken worden, is echter toch nooit mogelijk onder voortbestaan van hetzelfde, soortelijk of individueel zelfde, wezen.

Dit is de leer van St. Thomas, die het eendere uitdrukt, o.a. met deze woorden: ‘Zij het dat alles wat het verstand van een ding kent, ook in dat ding aanwezig moet zijn, zoo toch op een andere wijze. En daarom, ofschoon het verstand de mathematische elementen (als getal, vlakte, grootte, inhoud) afgezonderd van de zinnelijk waarneembare kent, en de universeele eigenschappen buiten de particuliere; zoo bestaan toch, in de objectieve werkelijkheid, die mathematische hoedanigheden niet buiten de zinnelijk waarneembare, en de algemeene niet afgescheiden van de eigene. Immers, zoo kan zelfs het gezicht de kleur van een ding waarnemen zonder den smaak ervan, terwijl toch in de zinnelijke waarneembare dingen smaak en kleur vereenigd zijn.’119

En laat ik hier dan nog een ander voorbeeld uit St. Thomas mogen aanhalen, van belang, misschien van verlossend belang, voor hen die zich soms de schijnbare tegenspraak tusschen philosofie en theologie niet kunnen verklaren. 't Is in de Summa Theologica (1-31-2) dat hij leert, hoe de namen Vader, Zoon en Geest in de goddelijke Drievuldigheid wel duiden op een onderscheid, niet duiden op verscheidenheid van personen in de godheid. Een distinctie, dus een abstractie, waaraan geen scheiding in de werkelijkheid beantwoordt. Want de éénheid van het goddelijk wezen is volstrekt.

[p. 171]

Dit alles om duidelijk te maken en te doen beseffen: Abstracties bestáán niet. Abstracties zijn gedachtedingen, die zijn niet zonder meer toepasselijk op de werkelijkheid.

Dat klink nu wel erg vanzelfsprekend, een doodeenvoudige waarheid, waarom erbij blijven stilstaan, die ieder kent: Maar de eenvoudigste waarheden zijn het meeste vergeten. Ze mogen blijven voortleven in instinct en onderbewustzijn, uit het bewustzijn vervaagt er niets eer dan de vanzelfsprekende waarheden. En daarom is het niet nutteloos nog eens de aandacht ervoor te vragen.

 

Het begrip Richard Kralik bestaat ook enkel als begrip, maar naast dit begrip bestaat, als objectieve werkelijkheid, een levende mensch, Richard Kralik. En deze is geen abstractie. Doch Richard Kralik als mensch, afgescheiden van zijne eigenschappen, bestaande enkel uit de menschelijke wezenselementen, of Richard Kralik als wijsgeer, afgescheiden van wat hij overigens is, zoo iets bestaat weer niet als een objectieve realiteit, kan alleen maar als begrip bestaan in een denkenden geest, is dus een pure abstractie.

Maar ik heb niet te spreken over abstracties, doch over 'n levende werkelijkheid. En de mensch in Kralik is werkelijk niet gescheiden van zijne eigenschappen. Er is geen historicus Kralik, geen dichter Kralik, er is slechts een heele, volledige mensch, die Richard Kralik heet en die geschiedwerk schreef, en werk van woord- en toondicht, en ander.

En zoo, om Kralik als wijsgeer te beoordeelen, moet ge heel zijn werk kennen, niet louter het ‘philosofische’ gedeelte daarvan. Want alle geestesuitingen van een mensch, moeten van zijn wijsbegeerte doordrongen zijn, anders is zijn wijsbegeerte hem niet eigen. Want niet hij reeds is philosoof, zoomin als hij slechts, die ex professo een philosofisch werk geschreven heeft.

Iemand kan wijsgeer zijn, al heeft hij nooit methodisch over philosofie geschreven. En niet ieder die methodisch over philosofie schreef, kan terecht den naam van wijsgeer dragen. Er zijn ‘philosophi vulgares’, en er zijn verboekte sofiologen of sofiographen. En nog anderen zijn er, niet vulgair, noch verboekt, maar gegroeid en verdiept, - en dezen zijn meest waarachtig wijsgeer.

 

Wijsgeer is wie verklaring zoekt van verschijnselen. Wie vraagt en tot bevredigens of berustens toe, blijft vragen naar het waarom der dingen.

Verklaring zoeken is zoeken naar oorzaak en wezen. Alle andere

[p. 172]

verklaring is bedriegelijke schijn, hoezeer ook de meesten zich tevreden stellen met een verschuiving der moeilijkheid, met een classificatie of ontleding in termen. - Hierboven, blz. 230-232, vindt ge, in een citaat van Balmès, een voorbeeld van schijnbare en van waarachtige verklaring. -

Elke mensch wordt wijsgeer geboren: zoodra het vragen kan, vraagt elk kind ‘waarom?’ Doch ook allen nagenoeg wennen dra zich af, naar het waarom te vragen. Uit onbevredigdheid, of uit gemakzucht, of uit gebrek aan bevattelijkheid.

Wijsgeer is wie de wijsheid begeert, de wijsheid liefheeft en dus zoekt. ‘Philosoof’ is het in onze taal overgenomen Grieksche woord voor ‘wijsgeer’ en beduidt hetzelfde: wijsheidgeerige. Toch is er in ons spraakgebruik zinsverschil ontstaan tusschen beide woorden. En zoo zijn er nu veel philosofen die geen wijsgeer kunnen genoemd worden, die niet waarlijk begeerig naar practische wijsheid zijn. Zooals men de philosofie onderscheidt in speculatieve en practische, zoo kan men ook speculatieve en practische philosofen onderscheiden. Doch klaarder is de distinctie in zulken die philosofie geleerd hebben - maar zij lieten daarbij alle eigen gedachten in rust, zij deden niets dan klakkeloos opnemen, wat anderen hun voorlegden - en zulken die wijsgeer zijn. De eersten, al geven zij boeken uit, volledige leergangen van philosofie, zij zijn geen vrienden, geen zoekers, nog minder vinders van de wijsheid, geen wijsgeeren. De anderen kunnen ongeleerd, ongeletterd zijn, toch weten zij. - De eersten zijn de mannen van het vak, philosofie is hun vak. De vakman leert. De anderen strekken hun geest uit over de wereld en het leven, de wijsheid is hun liefde. De wijze denkt.

Wijgeer is wie iets verworven heeft van de wijsheid = sapienta = sofia (want de mensch kan niet slechts wijsheid begeeren, kan ook toch iets ervan bereiken): wie zich door wijsheid laat regeeren, sofiocraat.

Zoo erkent ook Jacques Maritain deze distinctie in zijn ‘Théonas - les entretiens d'un sage et de deux philosophes’.

Niet de school, maar de studie, maar de aanleg en het leven. En de gave van God, en genade.

Ook het leven, ook ervaring uit het leven. Voor zelfgewonnen, niet nageprate wijsheid noodig. - Och, ook de wijze man, die wéét hoezeer hij te kort schiet, wordt twintig jaar te laat wijs. Ook de te toch vroegrijpe van geest, die steeds uitstak. De anderen verwerven nimmer iets, niet uit de school, niet door de studie, niet in het leven tusschen twintig en veertig.

[p. 173]

Kralik moge dan al geen philosoof zijn in den schoolschen vakzin van het woord, hij zet u dan toch maar aanhoudend voor verrassende gedachten en oordeelcombinaties, voor vindingen en inzichten en doorzichten, die ge bij den louteren vakman vergeefs zult zoeken. Kralik zal dan ‘een denker’ genoemd worden.

Kralik is geen geleerde. Ook als philosoof niet. Wel heeft hij veel gestudeerd, zijn leven lang. Oneindig meer dan menig man die voor geleerde doorgaat. Toch is hij het niet. De persoonlijkheid van Kralik draagt dat merkteeken niet. Zij is anders gestempeld.

Hij is te waarachtig kunstenaar, en hij leeft te waarachtig, om geleerde te kunnen genoemd worden.

Het leven en de kunst, of beter, het leven en de schoonheid hebben hem wijsgeer gemaakt.

Verband tusschen wijsbegeerte en kunst?

Geen, indien beide als ‘vak’, buiten het leven. Alles, indien beide opgebloeid uit den vollen levensdrang zelf.

Alle ware philosofen, zeker ook die hun eigen gedachtenbouw bouwden, gingen uit van het leven, dat hen verwonderde, verbaasde en tot zoeken dwong.

Alle waarachtig kunstenaar schept onder den drang van het verrassende, wonderlijke leven.

Waarheid is schoonheid. Schoonheid is liefde.120

Waarheid en goedheid en schoonheid zijn één.

Schoonheid en waarheid zijn één.

Wijsbegeerte is dienst en vereering en uitdrukking van Waarheid in denken en oordeel. Kunst is dienst en vereering en uitdrukking van Waarheid in schoone beelden.

Alle kunstwerk moet iets beteekenen, iets zeggen. Daarom is het wezen van alle kunst symboliek. Daarom is een kunstwerk grooter, naargelang het universeeler en gaver en boeiender is van symboliek. Die moet in het werk ongedwongen zijn en sober, die kan ongezocht en opzettelijk zijn en geheel onbewust in den kunstenaar. Maar hoezeer ook onbewust, altijd noodzakelijk. Onontkoombare voorwaarde. Anders geen kunst. Symboliek is de ziel aller kunst. Die trekt de scheidslijn tusschen waar en valsch, tusschen wezensecht en schijnbedrog. Daar is geen tegenstelling in: gemeenschapskunst en egocentralisme. Gemeenschapskunst is 'n loos woord, en sluit egoïsme niet uit. De tegenstelling is in bezield en onbezield. In forma en ijle materie. De symboliek is de geest, is de forma van het kunstwerk.

[p. 174]

Zie, dit is Aristoteles-Thomas. De theorie van het hylemorfisme, hier toegepast. En zoo is er een uitgebreide philosofie, d.i. begrippenleer, aangaande schoonheid en kunst. Die den kunstenaar inspireert èn door dieper inzicht èn door sterker bewustheid.

Wie niets ervan weet, d.i., niets ervan in zijn bewustzijn heeft, kan onmogelijk kunstenaar zijn. Wie niets ervan geleerd heeft, kan toch wel kunstenaar zijn, maar óf heel gebrekkig, óf overweldigend geniaal. - Wie heel veel van die philosofie kent, kan best heelemaal geen kunstenaar zijn, o zeker! Maar de kunstenaar die een levend besef heeft van de philosofie der kunst, verrijkt daardoor zijn vermogen op onberekenbare wijze.

Verband tusschen kunst en wijsbegeerte?

Kralik leert in zijn ‘Kunstbüchlein’ (p. 3, 4, 5), dat geen kunstenaarschap mogelijk is zonder een klaar levende, philosofische overtuiging. Die religieus moet zijn en positief, niet negatief, niet critisch analyseerend. Die 'n sterk levend besef moet geven van de waarheid, dat het leven een strijd is van goed tegen kwaad, beïnvloed door hoogere machten; dat lijden voortkomt uit den aard zelf van dit samenstel van strijd, arbeid, moeite, vernedering en verheffing: dat echter dit lijden voorbijgaand is en ons eeuwig wezen niet kan deeren; dat dus de Vreugde de ondergrond van alle lijden is, en zekerder en meer waarachtig en meer werkelijk dan het lijden. Tenzij hij schept uit den drang van dit besef, is niemand waarlijk kunstenaar. - Zóó durft Kralik. Waarheid is veeleischend. Waarheid eischt sterken moed. - Verband tusschen kunst en wijsbegeerte?

Kralik zegt: ‘Wer schönes tut und schafft, der hat handelnd das Rätsel des Lebens gelöst’ (ten besluit van zijn ‘Weltschönheit’.) Omdat de schoonheid een uitingsvorm der waarheid en der goedheid zelve is. ‘Splendor veri’, de glans en schittering, de uitstraling der waarheid; naar de benaming der scholastici, die ook wisten dat schoonheid's natuurlijke taak was, de kenbaarheid (= waarheid) en de goedheid eener zaak te vergrooten, te verdiepen, te veredelen.

Zijn kunstenaarschap bepaalde in Kralik den wijsgeer.

‘Kunstbüchlein’ heette zijn eerste wijsgeerige werk van eenigen omvang (uitgegeven in 1891). De titel doet een volledige kunstleer vermoeden, doch het boekje beperkt zich tot een wijsgeerige beschouwing over de dichtkunst alleen; een poëtica, als wat ons van Aristoteles is behouden gebleven, doch in anderen trant, geen copie daarvan.

En ook van zijn philosofische trilogie is de chronologische orde tegenovergesteld aan de ontologische: het eerste verscheen de schoonheidsleer (‘Weltschönheit’, in 1894). - Later pas de zedeleer (‘Welt-

[p. 175]

gerechtigkeit’, in 1895) en ten laatste de zijnsleer (‘Weltwissenschaft’ in 1896). - Zijn kunstenaarschap was hem het eerste bewust. Dat wekte den wijsgeer in hem.

Verband tusschen wijsbegeerte en kunst? Tuschen deze twee in een mensch? Tusschen de eigenschappen die een mensch wijsgeer doen zijn en de eigenschappen waaraan hij zijn kunstenaarschap heeft te danken?

Voor Kralik is het leven der wereld een spel, een kunstwerk vol ideale schoonheid. En zijn taak is hem, te midden van dat wereldspel, zijn rol te spelen, den rol door God-auteur hem opgelegd.

Deze kunstzinnige visie is het wezen zelf van Kralik's levensphilosofie.

Van Kralik niet alleen, maar van Kralik toch heel eigen.

Wel meerderen vóór hem zagen het leven zoo, ondergingen het leven zóó, aanvaardden zóó het leven en de wereld. Echter toch is deze visionnaire philosofie, deze philosofische visie Kralik geheel eigen. Want hij heeft het den anderen niet nagezegd, niet nagezien. Het is hem geheel onmiddellijk en plots intuïtief bewust geworden. Gij kunt lezen, hoe hij daarvan vertelt in zijn zeer onderhoudrijke zelfbiografie ‘Tage und Werke’, vooral p. 79 en 80.

Kralik's pols sloeg onder de vreugdenrijke suggestie der intuïtief geweten synthese van waarheid, goedheid (dat is liefde) en schoonheid, spelend een verheven spel in de eenheid van een luistervolle harmonie.

En die suggestie boeide heel zijn wezen, al zijn aesthetische en philosofische vermogens, tegelijkertijd.

Kralik moest wijsgeer zijn, omdat hij kunstenaar was. Hij zegt het in zijn ‘Weltwissenschaft’, p. 170: ‘De kunstenaar is, op zijn manier, ook metphysicus, of in aristotelischen zin, theoloog. Hij moet het geestelijke beginsel der wereld als schoonheid zien en in schoonheid trachten weer te geven.’ - Zoo is het gemoed opgetogen om de schoonheid van wat het verstand klaar ziet, van wat het geweten erkent als hooge deugd. - En van heel zijn werk werd wijsgeerig het karakter.

Den wijsgeer Kralik kunt gij in al zijn werk vinden.

Dat kan ook niet anders.

Alleen bij den sofioloog zoudt ge een scheiding kunnen trekken tusschen zijn philosofisch en zijn ander werk, tusschen zijn philosofie en zijn leven.

Kralik wil, als philosoof, een echte wijsgeer zijn. Ook wanneer hij geschiedenis schrijft. En zoo hoort gij hem zeggen, dat 'n uitlating

[p. 176]

van 'n vrouw uit het volk hem even gewichtig kan zijn, als een authentiek politiek document. (zie p. 220)

Hij wil niets verwaarloozen, op geen enkel gebied. Hij weet dat de ware wijsheid evenzeer rekening houdt met de gemoeds- als met de oordeelsargumenten. Als Pascal: ‘Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît pas.’

Hij erkent het goed recht der analyseerende en abstraheerende distinctie, maar beseft dat deze analyse slechts halverwege wijsheid is, die behoeft volledig te worden door de opnieuw samenstellende synthese: Zeker, de moralist mag onderscheid maken tusschen rechtvaardigheid en liefde, maar, wil hij eenigszins wijsgeer zijn en een wijze moralist, dan mag hij niet vergeten, dat men, in een hoogere synthese, niet rechtvaardig kan zijn, zonder de rechten der liefde te erkennen.

Om den wijsgeer die Kralik is, te kennen en te beoordeelen, moet ge óók zijn historisch, óók zijn politiek, óók zijn aesthetisch en al zijn ander werk kennen.

Dit is echter niet gezegd om iets te verbloemen, niet als hadde hij geen direct philosofischen arbeid geleverd.

Hij heeft meer dan dat gedaan.

Kralik heeft een eigen systeem gedacht.

Dus niet thomist?

Niet anti-thomist. Maar Kralik's geest is tezeer zelfstandig en te weinig schools gevormd, te origineel daarbij van aanleg, - hij kon niet zonder meer een etiket dragen: ‘thomist’.

 

WOUTER LUTKIE Priester.

117Uit een binnenkort bij de Centrale Uitgeverij ‘Oisterwijk’ te Oisterwijk te verschijnen boek over Richard Kralik, geschreven door hemzelf en door Vincent Cleerdin en Wouter Lutkie, pr.
118‘Promenades philosophiques’ I p. 201.
119(Cfr.: ‘Commentarii in Metaphysicam Aristotelis’ - lib. 1, - lect. 10, - 158: Licet enim id in re esse oportet quod intellectus intelligit, non tamen eodem modo. Unde quamvis intellectus intelligat mathematica non cointelligendo sensibilia, et universalia praeter particularia, non tamen oportet quod mathematica sint praeter sensibilia, et universalia praeter particularia. Nam vidimus quod etiam visus percipit colorem sine sapore, cum tamen in sensibilibus sapor et color simul inveniantur.)
120S.Th. ½-27-1-ad 3: pulchrum est idem bono, sola ratione differens = ‘het schoone is hetzelfde als het goede, alleen vanuit een ander oogpunt beschouwd’.