Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 9 april 1931

R'dam, 9 April '31

 

Beste Eddy

Na een paar momenten voor heete Strindbergsche vuren te hebben gestaan, ben ik weer terug, en deze zaak is voor mij definitief ‘erledigt’. Ik zal je alles uitvoerig vertellen; maar het was vrij walgelijk, de heele hysterische opzet, om mij, via een half bewust, half onbewust geënscèneerde vergiftigingspoging met veronal nog in het huwelijksbootje te loodsen. Nog nooit heb ik de vrouw zoo poedelnaakt gezien, in haar vijandschap, die n.b. tot het uiterste met den naam ‘liefde’ wordt bestempeld, het is niet om over te schrijven. Ik kan je verzekeren, dat ik gedurende de 12 uur sporens naar Berlijn ‘geknepen’ heb; maar in plaats van een doode of half doode vond ik een welbewapende colonne, gereed om mij tot iedere prijs te overweldigen. Hetgeen inmiddels niet gelukt is. Toch heeft het mij bevrijd, deze reis naar Berlijn; er is geen schijn van twijfel overgebleven, of dit huwelijk zou een hel geworden zijn.

Ik las onderweg, ondanks alles geboeid, Jenseits von Gut und Böse van Nietzsche, dat ik nog niet kende. Er zijn bladzijden in, die zoo meesterlijk geschreven zijn, dat ieder woord precies goed is! En dat, voor ons, terwijl het boek van 1885 dateert! Nietzsche is hier toch wel de absoluut ideale combinatie van denker en dichter. Ik weet er niets tegenover te stellen. Zelfs kan deze man het zich veroorloven, over de ‘duitsche ziel’ te divageeren! Wie kan dat, zonder oppervlakkig en rhetorisch te worden!

Ook vergat ik nog altijd, je te schrijven over Bringolf. Die huwelijksgeschiedenis heeft me alle continuïteit ontnomen. Ik las het eerste stuk (tot de wereldoorlog) zonder onderbreken uit. Het is inderdaad een zoo menschelijk, zoo burgerlijk avonturier, dat Cendrars er naar kan fluiten! Die heimelijke genegenheid voor de Zwitsersche heimat, en voor het verloren ‘fatsoen’: het is verduiveld aardig. Bij de oorlog wordt het plotseling gewone gevechtslyriek; ik kon toen met moeite verder komen en ben ergens in Servië blijven steken.

Vandaag heb ik, voor het eerst sedert weken, weer getikt, voor mijn pure pleizier, een stukje over Anthonie Donker, dat hierbij gaat. Ik wil het aan de Bladen sturen. Het zal me in dat geval wel weer een vijand erbij bezorgen; hoewel Anthonie bijna niet tot vijand te maken schijnt. Toen ik hem laatst sprak, vroeg hij zich af, of hij met jou ‘gebrouilleerd’ was of niet. Ik zei, dat ik het niet wist. - Stuur je me het stukje omgaand terug, met je oordeel?

Our dear Bows steekt hedennacht naar Londen over, om de perikelen van het vrouwelijk geslacht weer eens te beproeven. Ik heb eenig vermoeden, dat ook voor hem een kleine huwelijks invitatie wacht. We zullen zien!

Je komt binnenkort naar Holland, vertelde Bouws me, om bruine Ina te verschepen? Dan reken ik op je komst en op je verblijf hier!

Ben je heelemaal van de griep hersteld? Een hartelijke hand van je

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie