Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 5 januari 1933

R'dam, 5 Jan. '33

 

Beste Eddy

Zooeven kwam Bep's brief met het bericht van het overlijden van je moeder. Ik zal er nu, een uur na het bericht, niet uitvoerig over kunnen schrijven; wat heeft dat trouwens voor zin, tusschen vrienden? Je weet, dat ik je gevoelens tegenover je moeder ken en dat ik begrijp, wat dit verlies voor je beteekent. Maar als je in Holland bent, bel je me natuurlijk op en we praten erover.

Mijn laatste dagen zijn volkomen verpest door het individu van Vriesland, mede een van de grootste lafbekken, die er op gods aardbodem rondloopen. Als je mijn vorige brief kreeg, weet je, hoe hij zich gedragen heeft: een joodsche compôte van Valmont en le neveu de Rameau. Gelukkig heeft Truida de knoop doorgehakt en hem de bons gegeven; mij heeft hij op alle mogelijke manieren ontdoken, maar ik heb hem nu a.s. Maandag een gesprek opgedrongen, waarin hij het één en ander van mij hooren zal. Mijnheer is n.b. verontwaardigd, dat ik mij met deze zaak bemoei en vindt dat ‘burgerlijk’. Enfin, het heeft dit voordeel, dat ik mijn vriendschap nog iets precieser kan afgrenzen. Het meest irriteert mij de sloomheid, waarmee hij alles behandelt; in mijn bed maft en iederen opheldering als te veel moeite beschouwt. – De komische zijde van het geval zal zonder twijfel zijn, dat ik als medewerker uit de N.R.C. verdwijn en waarschijnlijk Forum voortaan ‘zuur’ besproken zal worden. Zoo zijn deze heeren nu eenmaal; ik weet het uit ervaring; het is zelfs duidelijk dat er in dit geval niet onduidelijk gespeculeerd wordt op mijn angst voor de machtigen N.R.C.-redacteur. Bah! Maar laat ik je hiermee niet langer vervelen; het voornaamste is, dat Truida nu den rol van de ‘boucher éloquent’ duidelijk ziet. Te voorkomen schijnt zoiets niet, zelfs een bescheiden aesthetiek schijnt bij de keuze van de ontmaagder te ontbreken. De smoesjes van den man zijn, als gewoonlijk, aandoenlijk libertijnsch; Kring-stijl…

Onder al dit weerzinwekkend gedoe is mijn stuk over Nietzsche tot een formeele bede om vriendschap geworden. Hoe meer pseudo-vrienden ik afsnijd, hoe meer behoefte ik voel aan het ‘blijf tot uw laatsten grom mijn vriend’!

Laat ik het hierbij vandaag laten. Je begrijpt, dat ik allerlei dingen met je zou willen bespreken; maar ik wacht tot ik je zie. Houd je goed in deze roerigheid om de practische gevolgen! En bel dadelijk op, als je hier bent. Eventueel kun je ook bij Ant (tel. 557038) te weten komen, waar ik precies zit.

Veel hart. gr. voor jullie beiden van jullie vriend

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie