E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Parijs, [13 juni 1935]

Parijs, Donderdag.

 

Beste Menno,

Dank voor je lange brief. Ik antwoord er betrekkelijk kort op; ik ben nog altijd moe en ga het straks probeeren met zwemmen, aangezien al die vacanties niet helpen. Gisteren was Hendrik de Vries hier, wat heel aardig was, maar toch ook een vermoeiende dag gaf (van half 9 's morgens tot half 12 's avonds). Daarbij komt dat ik extra de pest heb aan schrijven, en dat Fermina nog altijd niet is afgedaan en mijn geweten knelt.

Hoofdzakelijk zou ik moeten ingaan op je verlaten van Forum. In principe heb je waarschijnlijk gelijk, maar laten we dit hier bespreken. Bovendien moet eerst die vergadering met de Vlamingen plaats hebben, die misschien zelf nog tot nieuwe overwegingen of handelingen leidt.

Dat telefoontje van mevrouw Koster was werkelijk prachtig. Nog eens: leg een soortement journaal aan van dit soort belevenissen.

Het stuk van Groenevelt zag ik niet. Laat Hein het mij zenden, want ik wou graag alle reacties hebben op Ducroo. Misschien vindt iemand als Gr. dat boek overigens werkelijk heel slecht. Om het goed te vinden moet men òf argeloos zijn, òf flink ver gevorderd in de kunst; kunstenaars à moitié chemin als deze Groenevelt vinden er hoogstwschl. in alle oprechtheid ‘niets aan’. Daarbij komt dan nog dat hij geloovig kan zijn, of wat anders.

Met Vestdijk zal het, ondanks die ‘kant’, toch vooreerst nog wel losloopen. Ina Damman en Else Böhler zijn toch ook van hem, en nog vòl dingen die geen ‘literatuur’ zijn; hij schrijft bovendien toch nog allerminst voor de rotlezers en -keurders van Nederland. Als jij weggaat, laat Marsman je dan vervangen; dat lijkt mij lang niet gek. Maar ook over jouw weggaan moeten we praten, - al kan ik je niet anders dan gelijk geven wat je gevoelens betreft.

De Stille Kracht is niet kwaad, maar wordt voor mijn gevoel verpest door razernij-aanvallen van woordkunst à la '80, die zich precies overal van Couperus meester maken, in dit boek, waar hij niets te zeggen heeft: bij vrij-partijtjes in het maanlicht, meen ik, enz. Het is of hij aan die heeren van de Nieuwe Gids heeft willen laten zien dat hij het wis-en-bliksems ook kon - hij doet het dan ook even rijkelijk idioot - en dus staat er telkens een lap van deze broderie door. Overigens vergis je je werkelijk in je idee dat de Vaderland-lezer je stuk over de roman voor Jane begrepen heeft, want Antonini die het stuk las en aan wien ik niets had gezegd, zei: Wat heeft Menno nu uitgehaald? iedere Vaderland-lezer zegt nu: ‘O, hier wordt mij tenminste duidelijk gezegd dat het niets voor mij is.’ En hij zei erbij: ‘En zij die er iets van afweten, zullen zeggen: Wat heeft Ter Braak dààrmee ingezeten, want hij is bevriend met du Perron en moet dus wel wat goeds over het boek zeggen, maar je kunt wel zien dat hij het heel leelijk vindt.’ Hij vond het stuk overigens, voor ingewijden, dus ‘onder ons’, ook heel aardig - hoewel éénlijnig. - Over Le Temps du Mépris mondeling. Ik moet heusch gaan zien hoe ik nog te water ga.

Hartelijk je

E.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie