Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Den Haag, 11 juni 1935

den Haag, 11 Juni '35

 

Beste Eddy

In de verwachting, dat jullie nu wel weer in Parijs zult zijn, stuur ik deze brief maar weer naar de B. Murat. Dank voor de levensteekenen uit St. Germain. De Christuslegende heeft mij ten zeerste behaagd en in mijn ‘depressie’ troost gegeven. Want al is het dan geen emotioneele depressie, waaronder ik ‘zucht’, het is toch een diepgaand symptoom van misselijkheid. Sterk aangezet nog door nadenken over het stuk van Ton en het daarop gevolgde van den jaloerschen mislukten artiest Ernst Groenevelt, dat Hein je wel zal hebben gezonden. Die heer verkondigt, geloof ik, al vast, dat ‘de vrienden’ over het snertboek van du Perron ‘wel weer’ gunstig zullen schrijven, maar dat het toch heusch niets om het lijf heeft. De afgestomptheid en de openlijke gemeenheid van dit soort menschen is me momenteel sterker dan ooit een walg, en ik voel steeds meer de behoefte om mijn positie tegenover deze ratten zuiver te stellen door met een vervloekt hautain en met namen doorspekt stuk uit Forum te gaan, deze litteratuur van pissebedden voor goed den rug toe te draaien. Wat ik te zeggen heb, zal ik voortaan wel buiten tijdschriften om kunnen zeggen. Ik voel steeds meer, dat ik, door in Forum te blijven, het doel, waar Forum eens voor werd opgericht, verraad. Dit eene nummer was nu wel extra beroerd en er is betere copie, maar daarom gaat het niet meer. Onvermijdelijk wordt het tijdschrift ‘één van de litteraire tijdschriften’ (misschien het beste, misschien dat niet eens); en wat raakt mij dat? Ik geloof nu zeer positief, dat het tijd is weg te gaan uit de ‘beweging’. Wat wij te bewegen hadden, hebben wij gedaan in Forum 1932; ik bedoel, wat wij in de litteratuur te bewegen hadden. Jij had Coster te vermoorden (hij leeft nog, de hommel, dat garandeer ik je, met een Gesprek over het Bestaan van God in het pas verschenen nummer van De Stem, dat naar den vorm gegapt is van mijn Gesprek over den Zin des Levens en verder een paskwillig gedaas van een leuk geworden dominee schijnt te moeten voorstellen), en ik had iets over de aestheten te zeggen (dat zij niet hebben begrepen, et pour cause, want zij zouden hun bestaansreden er bij hebben ingeschoten). Laten wij ons niet wijs maken, dat wij verder in dit milieu nog iets bewegen kunnen, ook al zouden wij willen. Ik ondervind het iederen dag aan den lijve, op de krant; maar daar kan het me niet veel schelen, omdat ik van den gemiddelden lezer niets verwacht. Symbolisch voor mijn ‘verraad’ wordt mij langzamerhand Vestdijk. Ik kan hem, als talent, niet anders dan al maar prijzen en nog eens prijzen; hij blijft steeds even talentvol, wordt steeds een beter auteur... en langzaam maar zeker voel ik, hoe hij van mij wegzakt, naar de litteratuur toe, naar de kerels, die ik in het Démasqué heb trachten aan te tasten, en waarvan hij steeds meer een nieuwe, waarschijnlijk ongekend virtuooze vorm gaat vertegenwoordigen. Getuige zijn stuk over Het Land van Herkomst, dat je misschien meer zou hebben ‘opgebracht’ dan mijn stuk, als het toevallig voor Het Vaderland was geschreven; getuige zijn stuk over Verwey dat je in Juli in Forum zult lezen; alles voortreffelijk, voortreffelijk, voortreffelijk! En vreemd, het laat me steeds kouder! Van Vic spreek ik al niet eens meer; wat Vestdijk in het zeer groote vertegenwoordigt, vertegenwoordigt hij in het schoolmeesterachtig-kleine. Wat moet ik met deze menschen in een redactie blijven zitten! Omdat ze relatief nog het geschiktst zijn? Je voelt wel, dat polemiseeren hier niet meer mogelijk is, zonder de idiootste misverstanden aan te kweeken. In laatste instantie ben ik bovendien op menschen als V. & V. ook nog te veel gesteld vanwege hun behoorlijkheid gemeten aan kwallen als Coster, Donker en v. Duinkerken, om zulk een polemiek te verlangen; het zou trouwens een herhaling van het Démasqué zijn, met nieuwe namen en nieuwe beelden. Ik zie geen andere mogelijkheid dan: er uit gaan, na eerst Ton c.s., vooral naar aanleiding van hun gedoente over Ducroo, nog eens flink te hebben ingezeept. Maar dan ook bij wijze van afscheid aan Forum, en met een duidelijk algemeen accent.

De vraag is nu alleen maar, hoe het moment te kiezen. Donderdag komen nu eindelijk de Vlamen, na een dreigbrief van mij, naar Rotterdam. Ik zal daar nog eens goed poolshoogte nemen. Wordt er met het geval Virginia dubbelzinnig omgesprongen, dan ga ik direct. Dat is misschien nog het beste: als antipapist Forum verlaten. Maar gegeven de oneindige soepelheid van Rome, bestaat er kans, dat de fractie uit Vlaanderen toch alles weer slikt; dan is het moment misschien beter uit te stellen. Het vervelende is, dat allerlei consequenties van bijzakelijke aard in het geding komen: 1o zal vermoedelijk Zijlstra geen lust hebben om met Forum door te gaan als ik bedank, 2o zou dientengevolge Vestdijk een bron van inkomsten verliezen, die voor hem bijna onmisbaar is. Etc. Ik zou het liefst Zijlstra willen bewerken om in ieder geval zonder mij door te gaan, met Vestdijk als redacteur; hij is beroemd genoeg geworden voor de buitenwacht, kan zich, als hij een salarisje krijgt voor het secretariaat, als redacteur een soort vaste positie scheppen, zal bovendien voorshands niet zoo gearriveerd zijn, dat hij ‘onze soort’ weigert. Het is zelfs mogelijk, en dat hoop ik, dat hij heel lang geschikt blijft. In ieder geval, ik wil hem niet dupeeren, want niet alleen zijn materieel, maar ook zijn geestelijk bestaan hangt nauw samen met Forum; de litteratuur is voor hem tegelijk het bolwerk tegen de neurose, de mogelijkheid buiten de maatschappij te blijven; wat voor mij zuiver en alleen een quaestie van plaats bepalen is (hygiëne), is voor Vestdijk vulgairweg een quaestie van zijn pension. En ik wensch in geen enkel opzicht unfair tegen hem te zijn, omdat hij het tegen mij ook niet is. Waarschijnlijk voelt hij niet eens, dat er een kloof is ontstaan, dat hij heel goed in het Critisch Bulletin past als de opperste en ver boven het tuig verheven keurmeester; zijn excuses over het feit, dat hij in dat prulblaadje schrijft, worden trouwens steeds zwakker, het geldelijk motief verdwijnt steeds meer naar den achtergrond.

Het oordeel over Ducroo heb ik je voorspeld. Ik zal nu, na als ‘manager’ van je belangen te hebben gefaald, door over Ducroo te terughoudend te hebben geschreven, nog even wat ‘gas geven’ in de krant naar aanleiding van een herdruk van De Stille Kracht, (dat ik overigens met veel pleizier herlas; wat een afstand van de Székely's! Wat een talent juist op dit randgebied van de psychologie, het ‘mysterie’ en de society!). Al hindert het me, dat ik met bulderenden stem nog eens moet zeggen, wat ieder behoorlijk mensch uit mijn stuk Roman voor Jane haalt: dat ik het boek te goed vind om het met de openbare lof te vulgariseeren, waarmee ik een heel aardig boek als dat van meneer Preedy wel smakelijk kan opdisschen. Blijkbaar is het zwaarste geschut hier nog niet zwaar genoeg, om de ossen lezende, of liever koopende, te maken. Helpen zal je overigens zelfs de Stille Kracht niet; dit boek van je ontketent in den Nederlander alles wat hij aan objectiviteit, ‘romankunde’ en andere uitstekende eigenschappen sedert '80 heeft ingestudeerd in plaats van de deugd en de rijmwoorden van Prudens van Duyse.

(Deze brief onderbroken door een telefoongesprek met een dame, die zich presenteert als de gescheiden vrouw van Paul Koster en zegt, dat hij een ‘heel wreed mensch’ was, dat zijn optreden ‘zeer ongedistingeerd’ was en dat hij haar had gedwongen omgang te hebben met de maîtresse van Zaharof; waarvan nota.)

Ik las gisteren en eergisteren ook Le Temps du Mépris. Het is mij niet meegevallen, omdat ik, ondanks alle beweringen van Gans, die het heelemaal niets vond, geloof ik, toch meer verwacht had. Het geheel doet mij aan als een ‘luik’ van La Condition Humaine (het luik Kyo herschilderd in Kassner), en daarom als niet imperatief noodzakelijk. Bovendien valt het verhaal, dat toch eigenlijk een novelle is, in drie stukken uiteen, waarvan het middenste een soort documentaire herinnering aan het vliegavontuur boven de koningin van Sjeba lijkt, voor deze gelegenheid met de psychologie van Kassner zoo goed mogelijk verbonden. De obsessies van Kassner in de gevangenis zijn zeker beklemmend, maar toch absoluut meer litteratuur dan b.v. de schuur in La Condition Humaine. De ontmoeting met de vrouw in Praag is driemaal zoo goed als b.v. Karl und Anna van Leonhard Frank, maar toch... niet zoo bijzonder! En voortdurend het gevoel, dat ik iets anders verwacht had, dat dit ook niet het boek van de kameraden is, waaraan het is opgedragen. Maar het was zeker moeilijk, en allicht onmogelijk, vlak na La Condition Humaine iets te schrijven in denzelfden ‘adem’, dat er bij zou kunnen halen.

Nu nog even het Congres. Ik hoop stellig te kunnen komen. Maar over de Ned. litteratuur praat ik zeker niet. Om redenen boven vermeld. Ik ontving van Malraux nog geen antwoord; maar het eenige punt, dat mij van essentieel belang zou lijken om (desgewenscht!) te behandelen, zou zijn de vrijheid. Ik ga Vrijdag naar Huizinga, zal hem aanporren, maar vrees, dat mijn advies hem eerder huiverig zal maken.

Verhaal van Thelen zal ik lezen. Henri Mayer zal je De Tijd laten zenden. Op de krant was maar 1 ex. geweest.

Een hart. hand gezamenlijk van

je

Menno

 

N.B.

Ant heeft La Cond. Hum. in jouw vertaling gelezen en zegt, dat het uitstekend leesbaar is, en tegen het eind steeds beter wordt (de vertaling in casu).

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie