Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Buochs, 29 juli 1937

Buochs, 29 Juli '37

Beste Eddy en Bep

Hartelijk dank voor jullie brieven, die mij hier in het vacantieoord bereikt hebben. Wij zitten hier in een aardig klein châlet, vol Jezussen en Maria's, dus zeer stichtelijk voor een nieuwen christen. Het plaatsje lijkt op Sils, maar ligt veel lager. Voor jullie critiek op mijn boek in de eerste plaats veel dank. Wat Bep schrijft over deel 1 is zeer juist. Ik ontdekte mijn probleem pas in het midden, en wat voorafgaat is ‘geprevel’ om dat probleem heen. De dialoog, die ik op Eddy's advies wegwerkte, bleef daar toch min of meer symbolisch voor een onbeslist en ongecentreerd praten zonder kernprobleem: naspel van Pol. z. Partij. Het tweede deel voel ik zelf ook als anders, en vooral de ‘terugkeer’ van mijn dissertatie was hier beslissend. Het specialisme bewijst hier plotseling zijn doelmatigheid, en het was me werkelijk een soort openbaring, dat die dooie Otto III plotseling een zeer levenscheppend element bleek te zijn. In zooverre loopt mijn ervaring dus geheel parallel met die van Bep (en niet alleen in dit opzicht: het specialistenboek heeft voor mij ook weer veel meer bekoring dan een paar jaar geleden, maar malgré het specialisme).

Wat de quaestie Saks betreft, waarvan Eddy - voor zijn gevoel blijkbaar op goede gronden - een kabinetsquaestie maakt, om een politieke term te gebruiken voor een bij uitstek onpolitieke zaak: ik heb er behoefte aan hem te antwoorden, dat ik in dit opzicht geen concurrent van Jan zal zijn en geen welwillende brieven zal schrijven. Ik heb, om zijn eigen woorden over te nemen, door dik en dun schijt aan zijn argumentatie, en zal dat onophoudelijk blijven verklaren, zoolang hij het blijft verklaren. Ik weet absoluut niet, op welke ‘democratische’ gronden Jan zijn oordeel fundeert, maar de mijne zijn allesbehalve democratisch en zeer direct. Bijna ieder woord, dat je tegen Jan en mij richt (ons ten onrechte onder één deken vermoedend), neem ik tegen jou, Eddy, over: ik vind je houding misselijk, en jou in dezen een would-be-onmaatschappelijke, volmaakt onbegrijpende kloen. Dit zonder eenige boosheid, want deze is allang verdwenen in de tijdsruimte, maar wel met de noodige zakelijkheid en preciesheid. Ik geloof, dat uit deze antithese veel vruchtbaars kan voortvloeien, en ik zal niets nalaten wat dienstig kan zijn om die antithese te verscherpen. Het laatste artikel van Saks heb ik er nog eens op nagelezen, en ik vind het vervelend, peuterig en nog meer, maar in geen enkel opzicht een rechtvaardiging van je beschuldigingen aan het adres van Jan. Overigens: heeft hij geschreven, dat vriendschap gescheiden moet worden van ‘litteraire liefhebberij’? Dat ben ik absoluut met hem oneens, natuurlijk. Ik vereenzelvig beide ‘liefhebberijen’, en uit naam van die vereenzelviging conspueer ik je quasi-onmaatschappelijke ‘verraad’-polemiek. De vriendschap had je moeten zeggen, dat men andere gedragslijnen kan volgen dan E. du Perron en toch geen ploert of conformist zijn. Blijkbaar zegt jou de vriendschap alleen maar, dat je aan al je vrienden je eigen maatstaven voor 100% moet opdringen.

Onze correspondentie begint te herleven, naarmate wij er afstand van doen. Ik hoop, dat deze brief je via een Züricher vliegtuig bereikt; een vorige ging verleden week af uit Den Haag. Hart. groeten, voor jullie beiden, ook van Ant, die aan Saks eveneens haar deel heeft.

je

Menno

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie