E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Batavia, [7 maart 1938]

Batavia, 7 Maart.

 

Beste Menno,

Er zit iets griezeligs in de post tusschen Holland-Brussel en in Indië. Je bezwaar tegen mijn duo met den geest van Robbers, heb ik nu nl. 3 keer gehoord (eens van Jan zelf, toen per doorgezonden brief van jou aan Jan, nu van jou aan mij). En ik antwoord nu voor den derden keer: schrap Robbers eruit, zeg ‘men’ of zoo, of vind een andere draai, en laat jou als medeschuldige naast mij staan. Het vergt precies 5 minuten en kan op de proef worden verricht. Moet je daarvoor een paar woorden toevoegen, voeg toe naar je hart je ingeeft. Sjonge-sjonge, que de bruit pour cette chèvre-là!

Ik voel weinig voor een keuze, en vooral niet voor een kleine keuze uit mijn blocnotes, omdat dat het heele karakter ervan vervalscht. Het geeft er - evenals in de eerste reeks bij Boucher trouwens - iets precieus aan, dat het genre niet verdragen kan. Het geheel heeft meer van een ‘intellectueel dagboek’ (à la dat van Gide, of een collectie invallen en nog wat à la Samuel Butler) dan van een portie fijngeslepen aforismen, en dat zou zoo'n fraaie Ursa Minor-uitgave er al gauw van maken. De dingen onderverdeelen onder hoofdjes naar het onderwerp is ook akelig, althans het deel van Butler dat zoo uitgegeven werd is heel wat minder leesbaar dan het deel waarin de boel door elkaar staat. Ik heb dit alles ‘rijpelik’ overwogen. Het eenige wat ik kan doen, is hoofdstukken maken van groepen, om den zooveel tijd (maar toch in chronologische volgorde). Dat is voor 't oog prettiger, geeft wat rust, wat romeinsche cijfers en wat wit.

Ik heb bij Q. geinformeerd naar prijzen. Dit schreef ik je ook al. Misschien kan ik het geld ervoor opbrengen. Smoel houden om de smaak van Lubbes is zoo vernederend.

Wat nu je inlichten betreft over het archiefdiploma, goed, dus géén halen! Maar nu die leeszaalkwestie. Ik zou daar natuurlijk wel serieus op willen ingaan, maar weet niet hoe, of liever, zou dan van jou nog even moeten hooren waar 't eigenlijk op neerkomt. Is 't een werkje waarbij je 't publiek moet bedienen, dus zooiets als boeken-kelner, dan lokt 't me niet erg aan. Is 't menschwaardiger: bv. boeken nazien, uithalen, catalogiseeren, etc., dan wel. Ik zou dan kunnen probeeren bij dien Greve examen te doen. Maar als je 't vervelend vindt, ga dan niet met hem praten vóór je precies weet waar dit vak toe leidt.

Iets anders is: Dr. F.W. Stapel. Vraag daar Fredje Batten eens naar. Die man kent mij half van Bandoeng nog en schijnt belang in me te stellen; misschien dat hij werk voor me heeft. Ik kan hier Fredje over schrijven natuurlijk, maar vindt het serieuzer als jij me representeert. Haast is er niet, bij dit alles. - Ik kan ook eerst mijn getuigschrift van 6 maanden hier halen, dan naar Europa komen, dan verder zien; - misschien zelfs maar probeeren als arm schrijver te leven, - wat het eerlijkste is, après tout, al is 't dan hard. Ik weet met dit alles eig. niet waar ik aan toe ben, en mijn blindedarm die nu weer spookt - ik ben er nu vrijwel zeker van dat het dàt is - en die misschien binnen zeer kort een operatie noodig maakt - brengt daar geen orde in. Verder was er vandaag weer sprake van dat Bep een maand of 3 eerder zal gaan met Alijntje, weer op een noorsche of deensche boot. Hààr zielsverlangen is om dan eerst wat in Sestri bv. (bij de Van Schendels), of anders in Frankrijk wat uit te blazen van de hollandsche broeierigheden die haar hier vooral last bezorgd hebben.

Over Huizinga kan je heel best gelijk hebben en ik ongelijk. Ik oordeel tenslotte als ‘buitenstaand’ lezer, jij als betrokken vakman. Het Herfsttij vind ik véél minder dan de Cult. Hist. Verkenningen, omdat die ‘vizie’ van H. dan toch maar van bijeengeplakte citaten leeft, - zoo ongeveer als mijn Man van Lebak. Verdienstelijk lees- en kies-werk, met een juist of subtiel of sterk oordeel. In de C.H.V. proef ik den man zelf, schrijvend over zijn vak. Een groote geest is het niet, een man van smaak die Holland ‘eert’, wel. Nu kan je Romein 10 × sympathieker vinden; het blijft een feit dat het werk van Huizinga, om de stijl misschien, een persoonlijkheid suggereert van hooger orde of van meer qualiteit. (Huet tegen Jorissen of Japikse of zoo.) Maar nogmaals, dit zijn indrukken, en het kan zijn dat een ernstig onderzoek hier niets van overlaat. Eén ding weet ik zeker: hoe weinig meeslepend, hoe precieus ook, H. heeft stijl, Romein niet.

Ik heb Q. geschreven dat hij mijn ‘Supplement op de Man van Lebak’ moest uitgeven. Zonder honorarium voor mij, 12 ½% als de kosten zijn goedgemaakt, anders vul ik het tekort aan. Ik heb genoeg van al het gesoebat en geschipper, en dit boek heeft haast. Over 4 of 5 dagen denk ik hem de copy te sturen (tenzij ik plotseling geopereerd word!).

Ik zal die Reinaert bestellen bij H. Mayer. De door jou genoemde editie van de Historiën is wel erg onvolledig, niet? Ik zal eerst eens uitkijken of ik hier in een 2e h. winkel geen andere vind; zùlke dingen vind je hier nu nog weleens. - Ik ben op 't oogenblik overigens alweer heel wat meer benieuwd naar je Luther, en nog meer naar Mefistofelisch. Voor vanavond houd ik op, omdat ik die verdomde Multatuli-schrijverij van me nog moet nazien. Gister was ik blij dat het af was, vandaag merk ik weer - alleen voor 't nakijken - hoè weinig tijd ik heb. (Gister was Zondag, vandaag Maandag.)

Later meer en beter. Werkelijk nieuws van hier is er niet. Bep wil er wat bijschrijven. Het beste en een hand van steeds je

E.

 

[E.d.P.-d.R.:] Ik vind dat we te weinig over Ant hooren. Ik schrijf ook wel niet, maar mijn kreten en zuchten dringen toch zoo af en toe in het proza van Eddy door. Dus, als Ant er zelf niet toe komt, laat dan een volgend epistel van Menno aan haar gewijd zijn. Onze plannen veranderen 3x per dag; gister schreef ik als afzendersadres op een brief: duP. West 9a Batavia?, en had toen het gevoel dat ik weg moest voor het onherstelbaar werd. Maar nu is er weer een idee van een terugreis met oponthoud in Makassar - dat we dus tegelijkertijd zouden moeten uitvoeren -, vanwaaruit we de Toradja's kunnen bezoeken, boven komen drijven. Enfin, we telegrafeeren wel op de dag dat we vertrekken, nu of over vijf jaar.

We zitten ook te overwegen of ik zoo'n leeszaalbaantje niet zou zoeken (en me dus laten opleiden), maar dat zou erg van de uren afhangen, met het oog op Alain; wil je eens aan Greve vragen of het geregelde kantooruren zijn of ingewikkelde dienstroosters? En ook: of het niet mogelijk en zelfs uit specialistenoogpunt nuttig zou zijn om één van die twee jaren opleiding, de volontairsepisoden dus waarschijnlijk, in buitenlandsche bibliotheken door te brengen? Vergeet dit vooral niet te vragen; in Parijs, in Grenoble, of in verschillende plaatsen of landen? Het zou ons de toekomst zeer verzoeten als zooiets mogelijk was. Eddy heeft op het Archief een heerlijk pamflet uit de tijd van v. Hogendorp gevonden, waarin over de Engelschgezinde partij gesproken wordt als over de Aglomans. Het klinkt menscheneterig maar hij bedoelt Anglomanen.

Hartelijke groeten en speciaal aan Ant, Bep

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie