Een vrouw in haar bloei
‘La Femme en Fleur’ van Denys Amiel
Amsterdamsche Tooneel-vereeniging

Denys Amiel behoort, evenals Henry Bernstein, tot de toonelschrijvers, die even onverbrekelijk bij het Parijsche seizoen behooren als Sacha Guitry; zijn problemen zijn de problemen van den verfijnden Parijzenaar, die voor de psychologische analyse van oogenschijnlijk conventioneele personages een speciale voorkeur hebben. Amiel is echter de meerdere van Bernstein, omdat hij werkelijk subtiel kan zijn, wat Bernstein maar hoogst zelden overkomt; hij heeft in zijn stuk ‘La Femme en Fleur’ dan ook het hart, waaraan zijn confrater een heel stuk in vijf acten wijdt, zonder dat men op het hart van den schrijver stuit. Nochtans heeft deze subtiliteit haar grenzen: men ervaart dat in het derde bedrijf van ‘La Femme en Fleur’, waar Amiel, na een voortreffelijk doorwerkte verhouding tusschen een moeder en een dochter te hebben gegeven, zich redt in een alleszins onbevredigend slot.

Dit stuk heeft twee dramatische kernen; in zooverre lijkt het op ‘Onschuldige Meisjes’ (verder niet!), waarin men met dezelfde compleetheid in twee acten een probleem vindt gesteld en opgelost, terwijl er nog een derde acte overschiet, die dan gevuld moet worden met een nieuw motief buiten het eerste motief om. Is het de dwang der drie bedrijven, van den ‘avond met een pauze’, die hier den tooneelvorm mede bepaalt? Hoe het ook moge zijn, het derde bedrijf is in gevallen als dit een teeken van verslapping, dat de auteur vergeefs door het invoeren van een nieuwe ‘attractie’ tracht te verbergen.

De eigenlijke dramatische kern van ‘La Femme en Fleur’ is de verhouding tusschen een 37-jarige moeder en haar dochter. De moeder, sedert jaren ongelukkig getrouwd, ontmoet den jongen man, die bijna verloofd is met die dochter; zoowel de oudere (maar in het geheel niet oude) vrouw als de man ‘ontdekken’ elkaar al bij het eerste oogenblik. Maar hun bewustwording zegt neen; de moeder projecteert haar liefde op den schoonzoon in spe, die deze man immers voor haar bewuste ik is. De dochter is in dezen de helderziende; zij voelt in de moeder de concurrente, nog eer van bewuste cocurrentie gesproken kan worden. Zij voelt dat intuïtief, omdat zij gewoon is in de schaduw van haar moeders bekoring te leven. In een zeer sterk geschreven tweede bedrijf stelt Amiel nu eerst de dochter en den man, daarna, in een beslissende en vooral door den dialoog onmiddelijk overtuigende scène, de moeder en de dochter tegenover elkaar. De wijze, waarop de beide vrouwen op elkaar reageeren, is hier met alle meesterschap en ook met alle warmte van een werkelijk doorleefd conflict geobjectiveerd. De romantische moeder wordt door de zakelijker, met minder voorwendselen zichzelf omzeilende Huguette eigenlijk verslagen; Huguette kiest, na de gevoelsrelatie tusschen Pierre, haar ex-verloofde, en haar moeder te hebben doorzien, de realiteit van een ander huwelijk.

Wat nu nog, in het derde bedrijf, volgt, is een soort rehabilitatie van de liefde van de moeder voor Pierre; een probleem, dat los aan het kernprobleem hangt en een ‘uitvlucht’ is, van Amiel wel te verstaan. Hij laat ons nog zien, hoe Valentine en Pierre elkaar vinden, niet dan na een Valentine stevig te hebben laten declameeren (‘ik heb een gevoel, alsof ik een stuk uit een slechten roman heb voorgedragen’, zegt zij niet ten onrechte zelf); maar dit alles doet aan als overbodig, vooral ook, omdat het hier den warmen, geïnspireerd toon der twee eerste bedrijven verraadt. Dat doet den eindindruk eenige schade, die uitgebleven zou zijn, als Amiel niet aan de pauze had gedacht. Misschien moeten wij er ook een rechtvaardiging, van de hoogstaande liaison voor den verfijnden Parijzenaar in zien?

Desalniettemin blijft ‘La Femme en Fleur’ een stuk van qualiteit om het conflict tusschen moeder en dochter, dat Amiel zonder eenige concessie aan sentimentaliteit of rhetoriek voortreffelijk heeft weten te belichamen in de botsing van Valentine en Huguette.

 

* * *

 

Was ik gisteren in staat de twee opvoeringen van ‘Le Coeur’, de Nederlandsche en de Fransche, met elkaar te vergelijken, ik moet mij ditmaal dat genoegen ontzeggen, omdat ongesteldheid mij belette de opvoering onder auspiciën van de Alliance Française te zien. Van de vertooning, die de Amsterdamsche Tooneelvereeniging onder regie van Albert van Dalsum geeft, kan zeker bijzonder veel goeds gezegd worden, vooral van de beide eerste acten.

In de laatste ‘toegevoegde’ acte ontbrak voor mijn gevoel veel van de spanning, die het voorafgaande kenmerkte; waarschijnlijk ook, omdat men als toeschouwer een andere, noodzakelijker afwikkeling had verwacht; de opheldering tusschen Valentine en Pierre, bovendien nog al lang uitgesponnen, doet de aandacht verslappen, nadat Pierre zich in een nog even aardig genuanceerd gesprek met Valentines echtgenoot van zijn maatschappelijke verplichtingen jegens dien echtgenoot heeft bevrijd.

Het stuk heeft twee groote vrouwenrollen, die hier gespeeld worden door Loudi Nijhoff als de moeder en Tatia Wijma als de dochter. Van deze beide is de voortreffelijke creatie van de nog vrijwel onbekende actrice Tatia Wijma zeker de grootste verrassing geweest; deze Huguette was in haar hardheid en wreedheid, onderbroken door de gevoelsontladingen van een meisje, dat zich in een toestand van bijna onnatuurlijk inzicht moet handhaven, dè concurrente, waarop Amiel zijn stuk zeker heeft geschreven. Uitmuntend was zij niet alleen in de groote scène met Valentine, maar ook in het gesprek met Pierre, dat trouwens ook een van Amiels knapste en gevoeligste dialogen genoemd moet worden. Sober en genuanceerd was hier het tegenspel van Paul Storm, dien ik na zijn groote rol in Gogols ‘Revisor’ niet meer zóó op dreef heb gezien als gisteravond.

Ik kan het niet helpen, dat ik daarnaast Loudi Nijhoff als Valentine maar een gedeeltelijk succes vind. De rol is in het nadeel tegenover de Huguette-figuur, omdat de dochter op het juiste moment verdwijnt en de moeder dan nog de verlegenheid van Amiel in het derde bedrijf moet spelen. Maar ook afgezien daarvan: er was in deze interpretatie telkens een teveel aan ‘ethischen’ nadruk; tegen het slot brak er zelfs een galmende spreektoon door. Deze Valentine wordt aldus, te zeer naar een pretentieuze cultuurlady toegespeeld, die, dunkt mij, door Amiel zeker niet zoo bedoeld is, als is zij geabonneerd op concerten en moderne romans. Overigens was alleen in het derde bedrijf dit bezwaar heel overwegend; in de eerste bedrijven viel er in het spel van mevr. Nijhoff veel te waardeeren.

Paul Huf was uitstekend als echtgenoot; het is altijd een speciaal genoegen om naar zoo'n rolletje van hem te kijken en te luisteren. In de eerste acte vertegenwoordigden Herman Haye, Ans Koppen en Ben Groenier (de laatste vooral zeer verdienstelijk als een slim domoortje) de moderne jeugd, verslaafd aan jazz en wagens; Sara Heyblom was met succes een heel jeugdig gekleede vriendin van de moeder.

Een geheel gevulde schouwburg heeft langdurig geklapt. Loudi Nijhoff en Tatia Wijma ontvingen bloemen.

M.t.B.