Job zonder geloof

Een trilogie afgesloten?
Lach- en tranenspel van het leven

Arthur van Schendel, De Grauwe Vogels. - (J.M. Meulenhoff, A'dam z.j.)

Het zou mij niet verbazen, wanneer uit het verloop der dingen bleek, dat Arthur van Schendel met dezen nieuwen roman, De Grauwe Vogels een trilogie had afgesloten. Want dit boek draagt in de eerste plaats het karakter van een afsluiting. Motieven uit de beide vorige tragedies, Een Hollandsch Drama en De Rijke Man, keeren hier terug, zij het in een geheel zelfstandig verband; men wordt vooral telkens herinnerd aan het conflict Gerbrand Werendonk - Floris Berkenrode, maar ook speelt het thema van den rijken ‘verkwister’ Kompaan door deze nieuwe noodlotsconceptie heen; en tenslotte (dat is hoofdzaak) vindt men hier die noodlotsconceptie tot de laatste consequentie, het ongeloof, doorgetrokken. Er is, zoo komt het mij voor, geen verdere ontwikkeling, in deze lijn meer mogelijk; de trilogie van het Nederlandsche protestantisme is voltooid, en Van Schendel heeft een werk bestaan, dat tien jaar geleden nog geen sterveling had kunnen verwachten, (ook niet van hem). Het is een van de zeer zeldzame wonderen, die de Nederlandsche litteratuur van onzen tijd te aanschouwen geeft: de ontwikkeling van den apollinischen kunstenaar tot het formaat van den tragediedichter.

Dat men De Grauwe Vogels als een afsluiting en de drie romans van de laatste jaren als een trilogie ervaart, is geen gevolg van een opzettelijke bedoeling. Er bestaat geen directe samenhang tusschen de deelen dezer trilogie, het eene verhaal grijpt niet op het andere terug, het andere zet het eene niet voort; en ook zou men zich nog meer verhalen kunnen denken nà dit laatste. Mijn veronderstelling, dat Van Schendel in deze richting niet verder zal gaan, komt alleen voort uit het besef van een ‘ondergrondsch’, immanent verband, dat sterker is dan uitwendige constructies. Er was immers, na Een Hollandsch Drama, de tragedie van het sparen, en De Rijke Man, de tragedie van het geven, nog één stap te doen: te erkennen, dat de krachten, waardoor de personen dier beide boeken worden gedreven, niet voortkomen uit geloof, maar uit een levensgevoel, waarvoor de woorden ‘geloof’ en ‘ongeloof’ veel te zwakke benamingen zijn. Dien stap doet Van Schendel in De Grauwe Vogels; zijn held, Kaspar Valk, is een ongeloovige, van jongs af, en hoezeer hij ook beproefd wordt, hij keert niet tot het geloof terug. Hij is een ongeloovige, d.w.z. hij schuift zijn gevoel van kleinheid en afhankelijkheid niet af op een God, een Albestuurder; hij legt zich neer bij het feit, dat wij niets weten van den ‘wil’, die deze wereld regeert, hij erkent het geloof als een kracht.. voor anderen, die niet berusten kunnen zonder die berusting door een hoogere autoriteit gewaarborgd te weten. Deze Kasper is dus ook geenszins het type van den ‘modernen’ ongeloovige (subs. vrijdenker), die in het ongeloof een nieuwe rechtvaardiging zoekt; een dergelijk type moet (men zou dat uit de geaardheid van Van Schendels oeuvre trouwens wel op kunnen maken) voor den tragicus al heel weinig aantrekkingskracht hebben. Het is hem er niet om te doen het geloof omver te werpen door een reeks van protesten, ideologische, philosophische, psychologische, historische protesten; want al die protesten onderstelt hij bij voorbaat als gegeven.... en als een andere spelvariant van het Noodlot. Kasper Valk is een ongeloovige om deze simpele reden: hij heeft geen behoefte aan het geloof om te kunnen zijn, wie hij is; hij is een even plichtsgetrouw man als Gerbrand Werendonk, wiens heele bestaan gewijd wordt aan de afbetaling van een schuld, die als een vloek op het geslacht der menschen ligt, maar hij is dat zonder gebed, zonder overgave aan de hoogere instantie.

Geloof en ongeloof als spelvarianten.

‘Toen hij nog klein was, alleen in den tuin of langs de wegen, had hij gevoeld dat er met hem gedaan werd wat hij niet wilde’. Met dezen eersten zin van De Grauwe Vogels is het probleem van geloof en ongeloof, zooals Van Schendel het stelt, reeds gegeven. De privé-wil van Kasper bestaat slechts in de schaduw van het Noodlot, of Toeval, of hoe men het noemen wil; het is hier niet om een naam te doen, maar om een houding tegenover het onbegrijpelijke. Zooals de goden van den Olympus afhankelijk waren van de Moira, de geheimzinnige macht, die nu eens met hen schijnt samen te werken, dan weer met hen schijnt te spelen, zoo is ook de God der Christenen in Van Schendels tragische levensconceptie afhankelijk van een diepere, ondoorgrondelijke kracht, waaraan men geen naam kan geven zonder hem te vermenschelijken. Wil dat zeggen, dat Van Schendel tegen den christelijken God in opstand komt? Neen; maar hij maakt Hem, mutatis mutandis, tot een Olympiër. Van Schendel is geen theoretische natuur, ook geen rebel; het probleem van het geloof boeit hem niet om het ongeloof, dat er op volgen kan, wanneer men ontgoocheld is, maar om de ‘blinde’ macht, die in geloof en ongeloof beide werkt. Daarom is Heiltje, Kaspers vrouw, een door en door geloovige persoonlijkheid, zooals Kasper zelf een door en door ongeloovige persoonlijkheid is; en hun lotsverbondenheid spreekt het duidelijkst daar, waar zij elkaar naderen in de beproevingen, die de ‘blinde’ macht hun oplegt. ‘Waar ik aan geloof is iets, dat niet wreekt en niet straft’, zegt Kasper, ‘dat blind en doof is, den mensch niet hoort en niet telt.... Het is me soms of ik een orde zie in het toeval. Ik noem het maar toeval omdat ik niet weet waar het vandaan komt.’ Gelooven aan iets, dat blind en doof is, heet bij vele menschen al ongeloof; maar waarom zijn Kasper en Heiltje, die door slag op slag getroffen worden en den vloek van een stompzinnig toeval (een geweer dat bij ongeluk afging) achter zich aan sleepen, verbonden door hetzelfde lot? Omdat het ontkennen bij den één en het aanvaarden bij den ander van geen belang zijn in de groote slagschaduw van de Moira, die goden en menschen gelijkelijk volgens geheimzinnige wetten drijft. Iemand verwerpt het Godsvertrouwen: en hij blijft in de macht van de Moira. Een ander aanvaardt het Godsvertrouwen: en hij blijft in de macht van de Moira. Het beslissende is de Moira, die met geloof en ongeloof speelt....

 

Tot deze erkenning moest Van Schendel komen, dat kon men uit Een Hollandsch Drama en De Rijke Man al concludeeren; want de tragedie van Gerbrand Werendonk was niet zijn geloof, maar zijn plichtsbesef in dienst van een schuldeischer, waaraan hij volgens menschelijke begrippen geen schuld had, en de tragedie van Kompaan was evenmin zijn geloof, maar zijn verkwisting in het belang van menschen, aan wie hij volgens dezelfde menschelijke begrippen niets behoefde te geven. Hun geloof was voor alles gehoorzaamheid aan het Noodlot, en daarom kwamen zij ook in conflict met het koor der geloovigen, dat het gedrag van den ‘held’ kan bejubelen of critiseeren, maar van hun diepste motieven niets begrijpt. De ‘held’ nu van De Grauwe Vogels, Kasper Valk, is een ongeloovige; dat wil eigenlijk niets anders zeggen, dan dat Van Schendel nu ook het laatste voorwendsel versmaadt, waarmee hij Gerbrand en Kompaan nog als ‘sociale wezens’ zou kunnen verontschuldigen. De grootheid, waar Kasper voor buigt, is niet de grootheid van God, ook al wil hij bij tijd en wijle in dien naam communiceeren met de anderen:

‘Hetzij lot, hetzij bestuur, het ligt eender verborgen voor mijn kennis. Als het God is, ik heb hem niet gekend, dat is waar, ik heb niet geweten wie hij is en van zijn recht of onrecht kan ik niet spreken, want is ben klein in mijn onwetendheid. Groot is hij, wie hij ook zijn mag, ja, groot. Geen mensch die voor die grootheid niet buigen moet. Als het God is, hij heeft een macht die de menschen en de wormen maakt, die ze vertrapt of verheft en dan weer nieuwe maakt, die den goddelooze slaat en vernedert of hem geluk en rijkdom geeft, al naar het hem invalt. Als het God is, hij laat den een met rust door het heele leven, hij vervolgt den ander met slag op slag, gebrek bij het begin, gebrek bij het eind. Waarom? dat zal niemand zeggen, jullie (het “koor” der protestanten, M.t.B.) zoo min als ik. Mag het verstand ons verlicht worden, daar willen wij op hopen. Maar ik denk dat het om niet zal zijn en dat nooit een mensch zal begrijpen waarom in de wereld de dingen loopen zooals ze doen. Waarom voor den een het leven een lachspel is, voor den ander een tranenspel (ik spatieer hier tweemaal het woord “spel”, M.t.B.), waarom de een alle dagen zit waar gelachen, de ander waar gehuild wordt. Mogen jullie het weten, mij blijft het verborgen waarom bij mij in huis altijd de slagen vielen. Daar zal ik ook niet naar vragen, het is toch niets dan tasten langs wanden zonder deur of venster. Aan mij is het alleen om te werken, niet om te spreken of naar raadsels te zoeken. Ik zal mijn plichten doen zooveel ik kan en zoolang ik kan, en dan voorbij gaan. Al is het laat, ik heb nog te werken, voor mijn dochter.’

Het protestantisme ‘pur.’

Terwijl ik deze prachtige regels afschrijf, dringt het nog sterker tot mij door, hoezeer Van Schendel in deze laatste biecht van zijn ‘held’ met die woorden zijn driedeelige tragedie afsluit. Er is geen soberder slot denkbaar; in een ‘lach- en tranenspel’ zijn geloof en ongeloof opgeheven, goedgemaakt beide, alsof er geen godsdienstoorlogen en ketterverbrandingen hadden bestaan. Dit is de afsluiting ook van het protestantisme, dat zijn ‘protest’ eindelijk verwezenlijkt in de aanvaarding van het geloof als een kleine, toevallige variant van het meest volstrekte niet-weten; dit is het protestantisme ‘pur’, los van de toevalligheden van Luther en Calvijn, aan zijn veelgesmade verdeeldheid ontstegen tot een grootschheid, waarbij vergeleken de historische eenheid van het katholicisme kinder....spel wordt. In de sfeer van het protestantisme de Hollandsche tragedie te hebben geschapen; dat is de grootheid van Arthur van Schendel, die het protestantisme tegelijk vertegenwoordigt en overwint. Op dit punt raakt hij dien anderen protestant, die verder in niets op hem lijkt: André Gide.

 

En nu zal het koor weer vragen, waarom deze ongeloovige Kasper, die geen God meer had, niet liever aan den boemel ging dan ‘zooveel hij kon en zoolang hij kon zijn plichten te doen’. Die vraag zal bewijzen, dat het koor geschapen is om te bejubelen en te critiseeren, maar niet om te begrijpen. Want voor Kasper doet zich dat probleem niet voor; hij is niet ongeloovig om aan de plak te kunnen ontsnappen: hij is wie hij is.... en daarom is hij de ‘held’ dezer tragedie. Er zijn echter andere spel-mogelijkheden onder de ‘grauwe vogels’ van het Noodlot: Van Schendel belichaamt ze in Kaspers halfbroer Thomas, zoon van denzelfden goddeloozen vader, maar van een andere moeder, in alles aan hem verwant, maar tevens zijn ‘aap’, zijn parodie; het is dezelfde tegenstelling, die in Een Hollandsch Drama op naam staat van Gerbrand Werendonk en Floris Berkenrode, alleen zijn de factoren verschillend. Thomas wordt door Kasper bij ongeluk in het gezicht getroffen, als hij hem het geladen geweer wil afnemen, dat Thomas spelenderwijs op Heiltje had gericht. De getroffene wordt blind, en Kasper neemt hem in huis, om den vloek met menschelijke middelen te deigen. Maar de vloek is sterker dan menschelijke middelen; ook Thomas, de kankeraar en drinker, wordt gedreven door het Noodlot, dat hem tegen zichzelf in opstand brengt, zijn hand richt, als hij een van Heiltjes kinderen in het water stoot (of niet stoot, wie weet het?), hem eindelijk brengt tot den moord op Heiltje, die ‘op hem had laten schieten’. Hij kan niet ontkomen aan de wrok, d.i. het omzetten in oorzaak en schuld van wat niets anders was dan de ‘blinde’ kracht Toeval; tegenover de van nature geloovige Heiltje is deze Thomas de ‘omgekeerd-geloovige’, de godslasteraar, die verteerd wordt door de behoefte aan ‘omgekeerde gerechtigheid’, waarvoor hij zelf geen formule zou kunnen vinden, wier ware karakter hij onder allerlei gemopper en kwade buien verbergt, tot de verstandsverbijstering hem rijp maakt om met de verroeste bijl die ‘omgekeerde gerechtigheid’ aan Heiltje te voltrekken.

Zoo blijft Kasper, de man die in zijn jeugd de planten zocht om de planten, maar door een zijsprong van de Moira een kweeker werd met kwetsbare kassen en een gezinshoofd met een kwetsbaar, door een toeval steeds met den vloek belast familieleven, alleen achter met een dochter, die hem ook ontvallen zal. Gingen mijn gedachten onder het lezen van De Rijke Man onwillekeurig naar Don Quichote, thans dwaalden zij even toevallig en dus noodzakelijk naar de geschiedenis van Job op den mesthoop. Hier staat een Job zonder God en zonder geloof, maar met dezelfde weldenkende vrienden en dezelfde levenstragedie.

Menno ter Braak.

Korte inhoud van het besproken boek

Kasper Valk, opgevoed door twee juffrouwen, die zich den ouderloozen jongen aantrekken, voelt zich door toedoen van een leeraar aangetrokken tot de plantkunde. Hij zal voor dat vak academisch worden opgeleid, maar door het overlijden der dames wordt hij aangewezen om zijn eigen brood te verdienen. Hij kiest het beroep van kweeker, omdat de voorliefde voor de planten hem bijblijft. Hij vertooft zich met Heiltje, een meisje van een boerderij waar hij werkt; bij een stoeipartij tusschen haar en Kaspers halfbroer Thomas gebeurt dan het ongeluk, dat het gansche verdere leven dier drie menschen zal bepalen; een geweer gaat bij ongeluk af, Thomas wordt in het gezicht getroffen en komt spoedig grootendeels blind uit Indië terug. Kasper neemt hem bij zich in huis, hoewel Heiltje zich instinctief daartegen verzet. Langzamerhand voltrekt zich de vloek, die over Kaspers leven ligt; tot eindelijk Thomas, krankzinnig geworden, Heiltje met zijns veders bijl vermoordt. Kasper blijft alleen achter met de eenige dochter, die hem is overgebleven.