Menno ter Braak
aan
Jo Planten-Koch (Assen)

Den Haag, 27 mei 1934

Lieve Jo

Hoewel ik je pas gezien en gesproken heb en één blik meer zegt dan een heele brief (tenminste voor mij in dit levensstadium) wil ik toch je verjaardag niet laten passeeren zonder een levensteeken. Hartelijk gefeliciteerd, en het beste met alles! Ik vind het een prettige traditie, dat we elkaar met verjaardagsbrieven blijven beschenken. Allerlei dingen drijven uit elkaar, maar er zijn dagen, dat je met een zekere voorliefde de balans van je verleden opmaakt. En wat je voor mij beteekend hebt, zeg ik je op je verjaardag... niet, omdat je het wel weet, maar ik suggereer je door dit vel papier, dat ik er nu aan denk.

Ik ben sedert de dag, dat ik je voor het eerst in den huiskamer in Neede [onleesbaar] zag, buitengewoon veel veranderd, en daarom zou je nu ook voor mij niet meer dat kunnen zijn, wat je toen was: een soort ver en toch dichtbij ideaal, waar ik au fond erg schutterig en benauwd tegen over stond; en toch was ik met al die schutterigheid zoo aan je verbonden, dat ik er haast nooit over kon spreken en altijd maar brieven moest schrijven en nog eens brieven. Esprit de l'escalier als teeken van verwarring. Dat is alles voorbij; en het is heel erg prettig, dat wij uit die eigenaardige relatie een goede vriendschap hebben overgehouden, tenminste dat vind ik. Toen je laatst bij ons was, had ik ronduit het gevoel, dat het zoo in orde was. Ant vond je erg aardig en wil je graag eens wat langer hier hebben. Waarbij ik me natuurlijk van harte aansluit.

Ik geloof, dat mijn gevoelens voor jou destijds voor een deel romantisch waren; het was een tusschenvorm tusschen twee manieren van voelen, en als zoodanig misschien naar beide kanten (de ‘vriendschappelijke’ en de ‘amoureuse’) maar half reëel; maar juist daarom, denk ik, voor mij van des te meer beteekenis. Ik herinner me nog heel goed, dat ik de vier maanden, die ik in Berlijn passeerde, voortdurend beleefde met de bijgedachte, dat ik alles aan jou zou kunnen vertellen (wat ik waarschijnlijk, zooals meestal, niet gedaan heb). Ook weet ik nog precies, dat je een witte blouse aan had, toen ik je voor het eerst weer sprak, na Berlijn. Zulke gevoelens komen, geloof ik, alleen maar voor bij romantici, die behoefte hebben aan iemand, die zij kennen en toch niet kennen. Het kennen was voor mij even noodzakelijk als het niet-kennen. Het feit, dat jij getrouwd was en ouder dan ik, maakte mij daarom soms razend, terwijl ik officieus soms blij was, dat het zoo was. Dit laatste durf ik mezelf en jou nu wel ronduit toegeven. Eenheid van tegendeelen: kennen en niet-kennen. Ik heb dat nooit weer zoo gehad, ik zou het nu ook niet meer zoo kunnen ondergaan. Maar ik proef het om zoo te zeggen nog op de tong.

Deze verwarde stamelingen moet je maar voor lief nemen, hoor! Ik heb weer veel te veel afgekalkt deze week en vind het prettig nu eens ongestyleerd herinneringsbeelden langs me heen te laten gaan.

Veel hart. gr., ook van Ant, en toch speciaal veel liefs van

je Menno

 

Origineel: particuliere collectie

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie