Menno ter Braak
aan
Jo Planten-Koch

[1939]

[van deze brief zijn alleen fragmenten bewaard gebleven]

 

...grepen te worden, dat jij ongemerkt ‘mijn noodlot’ was geworden, zoo is het inderdaad. Geleidelijk heeft jou heele persoonlijkheid me in bezit genomen. Terwijl je je tegen een dergelijke agressieve inbezitneming altijd zelf hebt verzet! Vaak had ik het gevoel, dat jij bezig was mij tegen jezelf te verdedigen, waardoor je, krachtens die verdediging, mij steeds weer nieuwe stof gaf, om me aan je te hechten. Als er iets is, dat ik in je waardeer, dan is het je voortdurend verantwoordelijkheidsgevoel, waardoor je het je toch onnoodig...

 

...en toch is het zoo, al komt het chronologisch voorloopig nog uit. Die voortdurende druk van onoverkomelijkheden, van altijd op minuten en seconden bedacht zijn, altijd en overal een houding moeten aannemen, maakt de denk- en voelwegen oud, vergeef het. Ik ben oud in dingen, waarin ik zoo graag jong zou willen zijn. Ik ben jong in dingen, waarvoor jeugd van geen enkel belang is. Mijn polemische houding in de litteratuur is, goddank, niets. Maar wat doet het er eigenlijk toe! Ik zou jong willen zijn...

 

Origineel: particuliere collectie

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie