Briefwisseling Menno ter Braak - W.E.M. Povel

W.E.M. Povel
aan
Menno ter Braak

Amsterdam, 18 januari 1935

Amsterdam, 18 Januari 1935

 

WelEdel Zeergeleerde Heer,

Tot U wend ik my op aanraden van den Heer Chr. De Graaff te Amsterdam met het beleefde verzoek eens voor een proefbespreking in de literatuurrubriek van Uw blad in aanmerking te mogen komen.

U zult my misschien willen toestaan, dit verzoek, dat ik met geen enkele referentie kan ondersteunen, want ook de Heer de Graaff heeft nog geen proeven van myn werk gezien, tenminste met eenige persoonlyke motieven te omkleeden.

Tot nog toe heb ik geen boekbesprekingen voor dagbladen of tydschriften geschreven. - Te Berlijn heb ik het geheele gymnasium doorloopen met het doel, aan een Duitsche universiteit in de Letteren te gaan studeeren. Geldelyke omstandigheden noodzaakten my naar Holland terug te keeren, waar ik de studie voor de M.O.-Acte opnam en enkele jaren geleden de Acte A. behaalde. Dit deel ik U slechts mede, om U tenminste een zekere waarborg voor mijn technische kennis van de materie te geven. Het andere, dat voor U van meer belang is, kan men in een brief niet aantoonen: dat ik meen ook meer dan een uiterlyke kyk op literaire werken te hebben en daarover ook een verantwoorde beschouwing te kunnen geven.

Hiervan zoudt U terecht bewyzen willen zien, die ik U helaas niet geven kan, omdat ik pas sinds kort bezig ben in Duitschland een uitgever voor myn laatste boekje te zoeken.

Ik ben thans vyfentwintig jaar en ben steeds gedwongen geweest naast myn studie kantoorwerkzaamheden waar te nemen, zonder dat ik van deze studie en een eigen, bescheiden productiviteit afstand heb willen doen. Maar U zult begrypen, dat ik met alle inspanning tracht een kans te verwerven, die my gelegenheid geeft my met meer vrucht aan deze dingen te wyden.

Nu kom ik by U, op een ongunstig tydstip misschien, omdat ik my beter tot U had kunnen wenden, wanneer ik eenmaal een grootere practische ervaring en een kleine reputatie had verkregen. Zeer wel weet ik, dat Uw dagblad aanspraak op medewerkers van eenige bekendheid kan maken, en evengoed begryp ik, dat U in myn leeftyd en beperkte ervaring weinig aanmoediging tot een proefneming zult vinden. En nochtans zou ik U met groote ernst willen vragen, my een kans te geven. Wyst U my een boek ter bespreking of een opgave ter behandeling aan. In ieder geval bestaat toch de mogelykheid, dat myn werk Uw instemming zou kunnen vinden.

In afwachting van Uw welwillende beslissing teeken ik met de meeste hoogachting,

Uw dw. W.E.M. Povel

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie