[p. 828]

I

1.

Er zouden minder boeken geschreven worden, wanneer men iedere schrijver wettelijk kon verplichten zijn vorige boek eerst in enkele aphorismen samen te vatten. Waarom moet men iemand toestaan opnieuw te beginnen, eer hij beseft, wat hij gedaan heeft? En hoe kan hij beseffen wat hij gedaan heeft, indien hij niet in staat is zijn geschreven verleden te herleiden tot drie, vier gezichtspunten? Geen boek is zo belangrijk, of de schrijver zelf moet het (zodra het werkelijk achter hem ligt) kunnen ontdoen van de guirlandes en arabesken, die hij eens niet missen kon, maar nu missen kan.

Niemand kan zich geheel onttrekken aan het verlangen naar het definitieve, dat het schrijven van een boek vergezelt. Ik heb alleen bijzondere bewondering voor die boeken, die mij voor een ogenblik de wereld definitief begrijpelijk maken; en de boeken, die ik heb geschreven, begon ik met de stille hoop, dat zij mij aan het einde zulk een definitieve wereld zouden schenken. Het heeft mij altijd een voorrecht geschenen, op een boek te kunnen terugzien en te kunnen zeggen: ik heb geen wensen meer, ik ben voor enkele maanden definitiever, verzekerder dan een dorpspastoor, ik heb geen gelegenheid meer om aan mijn eigen vormgeving te ontsnappen. Maar ik ben niet voldoende verslaafd aan het litteraire of philosophische zelfbedrog om dat voorrecht te kunnen genieten; te spoedig zie ik weer als guirlande en arabeske, wat mij onder het schrijven als ‘waarheid’ aandeed; en aan een gevoel van onbehaaglijkheid bespeur ik het eerst, dat de fixering van mijn ideeën weer evenmin volledig is geweest als vroeger. Dan begint het water weer tegen de dijken te klimmen; er ontstaan barsten, die eerst onschuldig schijnen, plaatselijk ook onschuldig blijven, maar hier en daar zich verbreden tot duidelijke scheuren. De gefixeerde begrippen worden overstroomd. Een nieuwe indijking kan beginnen.

[p. 829]

Voor het definitieve is bij ons geen plaats. Het bestaat in ons alleen als een regulatief element, het verplicht ons telkens weer tot accuratesse: steeds geserreerder, steeds aphoristischer, weg met de woordenvloed! Het vorige is altijd nog te veel geweest. Het moet herleid worden tot minder om vruchtbaar te kunnen zijn.

Er is maar één manier om als schrijver niet tot de verslaafden aan het woord te behoren: zichzelf voortdurend op toegeeflijkheid jegens het woord betrappen, zichzelf steeds met zichzelf te bestrijden. Voor de litteratuurvrienden en andere woordslaven is men daarmee geclasseerd als negativist. Wij zullen zien, waar de ‘slavernij’ woont! Voorlopig moge het voldoende zijn er op te wijzen, dat negativisme ten opzichte van het woord nog geen negativisme ten opzichte van het leven betekent.

Soms vraagt mij iemand, wat ik ga schrijven of bezig ben te schrijven: een roman, een novelle, of weer een essay? Bij de meesten komt de gedachte aan niet-schrijven nauwelijks meer op; zij overwegen die mogelijkheid hoogstens als pauze; dat men zich zou kunnen afwenden van het schrijven lijkt hen niet mogelijk, waar het een schrijver betreft, die nog in de kracht van zijn leven is. Dit gebrek aan verbeeldingskracht illustreert duidelijker dan wat ook hun houding tegenover het woord, dat zij hebben leren waarderen als een onafscheidelijke kameraad van de maatschappij, overal aanwezig waar de mens aanwezig is en overal uitgebuit waar een verbaal talent zich voordoet als het non plus ultra der menselijkheid. Alsof het leven te kort zou worden gedaan door het uitblijven van mijn romans, novellen, essays! Alsof ik zelf geen recht van bestaan meer zou hebben zonder al deze romans, novellen, essays!

Had ik niet de behoefte mijzelf nogmaals in te dijken om des te beter het geweld van de stroom te kunnen voelen, om te weten waar ik sta, en welke actie ik kan voeren

 

Fragment, dat evenals het vorige, de indruk maakt bedoeld te zijn als begin van een boek (vermoedelijk uit 1934).