[p. 33]

Gesmokkelde brieven van Yvo. K. Pannekoek

A 2/17, 12-5-'43

Amsterdam en omstreken!

Beestachtig bedankt voor jullie goede zorgen en voor alle goede berichten; 't is ellendig om in een cel te zitten, vooral de eerste tijd nogal somber en veel dus met gedachten, die eerder alle kwade mogelijkheden - en dat waren er nogal wat - dan de goede nagaan. Nu zit ik hier in een voor dit formaat grootst mogelijk paradijs, volkomen gerustgesteld - behalve over jullie reizen naar Duitsland - te spinnen als een tevreden monnik. Zelfs in dit soort situaties blijf ik een enorm verwende donder.

Maar nu een chronologisch verslag: Woensdagmorgen veertien April om negen uur, ik lag nog in bed te lezen en te ontbijten, werd er heel bedeesd gebeld; een klein meisje met een mandje aardbeien, leek mij. Achter de deur stonden inderdaad twee bedeesde en nogal nerveuse jongemannen, die vroegen of ik dr. P. was; als dapper soldaat en als een man antwoordde ik, ja! Daarop verschenen van onder een voor de buik gehouden hoed op eens twee revolvers en klonk het woord ‘politie’, waarop de revolvers weer onder de hoed verdwenen en wij drieën naar binnen gingen. Daar werd mij bevolen mijn handen omhoog te doen, op een toon alsof het van mij een fout tegen de etiquette was, dit niet allang gedaan te hebben en werd ik gefouilleerd; volkomen onzin want ik had alleen een pyama aan.

Onderwijl was ik langzamerhand wat boos geworden en vroeg, of ik niet eerst even hun politiepenningen mocht zien. Aan dit volkomen onzinnige verzoek haastten zij zich te voldoen, met het gevolg dat zij opeens merkten dat ik mijn handen niet meer in de hoogte had. Na enig tegensputteren vonden zij het goed dat dat dan maar zo bleef. Dan wassen en aankleden, waarbij alles wat ik hanteerde gecontroleerd werd op revolvers, tenslotte zelfs door zes verlegen voetbalprollen, die allen van de politie bleken te zijn. Omdat er nergens revolvers waren en omdat ik niets zei, waren ze tenslotte nogal opgelaten en bijna voorkomend. Toen Euterpestraat, wachten in de kamer van een vent, die Voûte opbelde: ‘Ach Herr Bürgermeister, kommen Sie heute Nachmittag um drei bitte mal hier’.

[p. 34]

Dan verhoor op de gang, kort maar slim; ik schreef daar al over. Toen confrontatie, toen geboeid en naar hier toe. Als je toch gevangen wordt genomen, zijn boeien volmaakt onwezenlijke dingen, maar allerlei mensen hier waren er diep van onder de indruk; mij liet het koud.

Aan het leven hier was ik natuurlijk direct gewend. Zowat veertien dagen heb ik in een cel gezeten met zon en verder alleen een communistisch gemeenteraadslid, die twee en een half jaar ondergedoken, sabotage heeft geleid en zeker de kogel krijgt; we konden 't goed samen vinden, 't was goed zwijgen met hem en goed redetwisten en hij had veel interessante verhalen, was een groot bewonderaar van Gorter, die hij goed gekend heeft, handelsreiziger, werkloos, gemeenteraadslid, Tribuneredacteur, Rusland geweest, etc. De laatste dagen was daar nog een Blaricummer bijgekomen, die o.a. een vrijwel geslaagde ontvluchtingspoging uit een cel in de Euterpestraat had gedaan en waarom ik me de hele dag rotlachte, omdat hij vrijwel precies zo was als het klassieke beeld der Blaricumse psychopaath, zoals Ch. R. dat pleegt af te schilderen. Als intermezzo hadden we nog vier en twintig uur lang een even klassieke mof, nazi, Deutscher Christ, flikker (zijn delict), paranoid en hypomaan, le plus horrible des horreurs, inderdaad met geen pen te beschrijven; ik doe hem wel eens voor, al zal het niet zo gauw zijn, dunkt me, als jullie wel denken.

Wat nu de verwennerij door het lot betreft: door het stomme toeval is mijn cel gaan baden met cel 2/17, waardoor ik daar al wat mee spreken kon. Later luchtten wij toevallig in hokken naast elkaar en bleek daar toevallig v.d. B. in te zitten; daar begint de wetmatigheid, die jullie verder kennen en die mij, verwend mens, in deze cel heeft gebracht, waarin een ideaal leven wordt geleid, met voldoende eten, veel lezen, 's middags op de luchtplaats uren in de zon zitten, laat opstaan en laat naar bed (in plaats van resp. 6.30 en 8.30!) en een wonderbaarlijke mogelijkheid voor privacy, gezien het feit dat ieder maar twee vierkante meter voor zich heeft. De cel-genoten zijn aardig, blijmoedig zonder halfzacht te wezen, en 't grote verschil met de gijzelaarsmentaliteit is, dat deze kerels allemaal tenminste iets reeëls gedaan hebben, omdat ze dat lollig of nodig vonden en dus ook geen hogere verklaringen nodig hebben voor hun verblijf hier.

't Paradijs heeft zich gekristalliseerd om een aviateur L., die twee jaar geleden met V. - H. kent het verhaal - geprobeerd heeft met een raceboot naar Engeland te gaan en daarbij een vuile femur schotwond heeft opgelopen, waarmee hij anderhalf jaar in het Luftwaffe-lazarett heeft gelegen en de laatste vijf maanden hier; sinds kort mag hij een beetje lopen, onder onze leiding, doet gymnastiek

[p. 35]

en wordt door mij gemasseerd; ik kom hier met ijzeren handen vandaan, als 't nog lang duurt. Hij is Christian Science en doet ook verder nogal aan N. denken, is alleen minder naïef en veel intelligenter. Wou op school niet werken, zestien jaar oud weggelopen naar Canada en daar vijf jaar voor zichzelf gezorgd, toen hier terug, allerlei examens gedaan en aviateur geworden. Voor zijn verzorging heeft hij bij zich gekregen een R.K. student uit Utrecht, die daar in December staking heeft georganiseerd, verder een oninteressant mens, nogal dom; ik repeteer hem interne en psychiatrie, voor mij heel leerzaam. Hij heeft een goed karakter, daar is alles mee gezegd. Tenslotte nog dr. S. uit B., voor Medisch Contact zaken, ook R.K. - 't ziet hier zwart van de bijbels - maar een prachtige kerel en een zeer amusant mens, die hier zes weken zit en binnenkort waarschijnlijk voor een paar maanden als Arzt naar Vught gaat. Een zeldzaam specimen: een betrouwbaar Zuiderling.

De eerste avond hebben wij eens en voor al over God gekibbeld, daarna nooit meer. De eerste nacht heb ik overigens niet kunnen slapen, wat me nog nooit in mijn leven gebeurd is, niet om God, maar gedeeltelijk door een tot barstens toe gevulde pens na drie weken honger en door 't opwindende vooruitzicht eindelijk eens te kunnen schrijven, want dit is bijna de gehele vrijheid, van hieruit bezien, deze mogelijkheid van contact met jullie, het is in ieder geval de voornaamste component van 't paradijsachtige bestaan hier.

Laat H. zich geen zorgen maken, ik heb een leventje als een prins, waarschijnlijk meer plezier van de zon dan hij en hoogstens last van een merkwaardig soort schuldgevoel, om 't zo veilig en rustig hier zitten, terwijl jullie daarbuiten allerlei risico's lopen. Ook wel spijt om er niet bij te zijn, in deze opwindende dagen, waarvan we hier alleen iets merken door het aanslibben van iedere dag groter contingenten van uitgeraasde gevangenen: stakers, saboteurs, etc., plotseling in hun élan gestuit, om hier te gaan zitten schimmelen. Hoe de Hollandse bewaking is weten jullie al, de Duitse is bijna voortdurend correct en vaak vriendelijk, op het zakkige af, zodat het bijna de indruk van aanpappen maakt; ze zijn weinig zelfbewust en in ieder geval hebben ze onze flikker-mof vanuit onze cel in een strafcel gezet.

Op 1/7 zat ik tussen twee medische studenten, beiden hoofddaders van het Bevolkingsregister-complot, beiden krijgen de kogel. Ik seinde veel met hen af, 't leken me aardige kerels, wat primitieve idealisten, maar vrolijk en volkomen onsentimenteel, ondanks het feit dat ze geslagen zijn, tot zij bekenden en daarna een maand lang dag en nacht aan hun bed geboeid hebben gelegen; nu nog steeds 's nachts. Zij worden éénmaal per week een half uur gelucht en kregen deze week voor 't eerst een boek, wat een van hen zo hard

[p. 36]

weigerde, dat we horen konden: ‘Dat verdom ik, dit wil ik niet hebben, dat is mij te pro-Duits. Ik lees mijn leven lang geen Duits boek meer.’ Tegen een mof dit alles.

Overdag droom ik maar zo'n beetje, wel aangenaam, vooral door 't extra eten uit S., B. en R., waar legioenen vrouwen, moeders, zusters, boeren en patiënten en sinds kort, ook jullie, bijdragen aan leveren. Hiervoor nogmaals enorm bedankt, vooral de chocoladerepen deden ons tegen het plafond springen. Het enige reëele is een zeer grondige ochtendgymnastiek in de luchtcel: als ik hier nog een maand zit - en veel korter zal het niet zijn - kom ik dik en bruin er uit te voorschijn.

Maar 's nachts begint het echte leven, dan ben ik altijd even vrij en vannacht beloonde ik E. voor haar trouw, wandelde over de Prinsengracht, die dik in 't groen staat - waar of niet? - naar jullie toe en trof haar thuis, kirrend van tevredenheid dat zij toch lekker weer eens haar zin en haar J. gekregen heeft. Ik heb je vannacht al geluk gewenst, ik doe het niet nog eens over. Ik vond hem er prachtig uitzien. Met grootvader had ik tweemaal contact. Bedank hem hartelijk voor alle moeite, die hij voor me deed en 't vele plezier dat hij me daardoor veroorzaakte. Dat is nog een voordeel van dit paradijs, dat je werkelijk uitsluitend met de happy few te maken hebt, een zeer select en bijzonder geselecteerd gezelschap en helemaal niets met de halve en de hele zachten, zoals jullie dat moeten. Groet en feliciteer H. en G. van me. Wie is R.? Ik ken hem niet.

Ik had me voorgenomen een samenhangende brief te schrijven, maar het wordt toch weer een warboel, er is ook veel te veel. Vertel Ch. dat K.L. hier zit; ik heb geen contact met hem. Dat F. het goed maakt, is het grootste pak van mijn hart. Als het niet zo was, zou ik er nauwelijks naar verlangen om vrijgelaten te worden in een ontluisterd Amsterdam. Hier in de cel heb ik pas ontdekt dat ik zo'n bijzonder sentimenteel mens ben, niet alleen hier. Ik heb met ontroering ‘Het huisje aan de sloot’ gelezen - dat wordt hier nog altijd uitgedeeld - en erg aan haar moeder moeten denken. Ik hoop weer gauw bij jullie te komen eten en zo.

Het is vijf uur, de rust is afgelopen, ik moet Franse les geven, conversatie, literatuur, land en volkkunde, een aardige recapitulatie van voorbije genoegens, een cel, gestoffeerd met stukjes Méditerranée, rosée, bouillabaisse, Toulon, Opéra, Montaigne, Quais, etc. etc. Een bijzonder prettige dag loopt op 't einde, vol actuele genoegens door jullie verschaft.

Ik kreeg de blauwe linnen broek - op de waslijst vermeld - niet en 't was toch zo'n goed idée. Was dat om de ceintuur, waarmee ik me op kon hangen? Verder heb ik alleen nog maar scheerzeep, en,

[p. 37]

als het kan, een kwast nodig. Geen vitaminen meer en geen boeken, daarvan hebben we genoeg. Groeten aan allen!

 

Y.

Ik ken de eigenaren der prentbriefkaarten niet meer, verdeel ze maar onder elkaar en zo.

 

14-5-'43

Amsterdam en omstreken!

Gisteren ben ik verhoord, ik was nerveus als voor een examen, maar of ik geslaagd ben, of een aantal maanden heb gekregen laat zich moeilijk voorspellen. Verhoor door het lymphoom, die zeer vriendelijk en zeer slim was en begon met te zeggen dat mijn geval ‘überhaupt ohne Wichtigheit’ was en ik ‘gewissermaszen ohne meinem Wissen hinein bezogen war’.

In dubio, of dit slim of vriendelijk was, ben ik maar zeer op mijn hoede geweest en heb de lijn van het vooronderzoek - nergens vanaf te weten - koppig doorgetrokken, ondanks het feit dat Kleyn (het lymphoom) voortdurend zei: ‘Aber die Andern haben doch gesagt’, etc. Over een bepaald punt, dat ik niet toe wilde geven, zei hij: nou ja, dan scheiden we er mee uit, dan geven we U veertien dagen de tijd om na te denken en dan gaan we door, waarna ik - om ongeveer twaalf uur - beneden in de Euterpestraat in een cel ben gestopt. Paranoïd als je in het gevang wordt - in de zin van: aan alle kleinigheden grote betekenis toe te kennen voor je Prozess - lijkt mij dit een dreigement tegenover iemand, die je van plan bent spoedig los te laten, zoals jullie veronderstellen, en niet tegenover iemand, die je nog een jaar houden wilt. Dit nu is heel vervelend: je zit hier veel rustiger met nog een jaar voor de boeg, dan met het idee misschien morgen, misschien over een week of over een maand vrij te komen. Je bent vol verwachting en ongeduldig. Daarom heb ik me maar weer ingesteld op één jaar.

In die cel heb ik heerlijk geslapen tot vijf uur - misschien wel veertien dagen -, toen is het verhoor verder gegaan met de woorden: waarom geeft U dit nu niet toe, verder klopt alles met de verklaringen van de anderen. Dit was voor mij natuurlijk een reden om dat ene ook te ontkennen, waarop het verhoor snel afgelopen was.

De man Smit, die de kapiteinsrol heeft vervuld en A. heet (ooit van gehoord? kunstschilder en criticus) heeft mij zo grondig gedisculpeerd, dat ik af en toe met zijn disculpatie in tegenspraak was, maar ik heb een beestachtig slecht geheugen. Maar er is een ander bij, die bij zijn arrestatie een mof overhoop heeft geschoten, waar ik minder gerust op ben, vooral omdat die nog verder verhoord moet worden. Ik ben dus enigszins, maar niet geheel gerustgesteld, vooral omdat K.L. ook nog verhoord moet worden. Het protocol van het

[p. 38]

verhoor was voor mij zeer gunstig geformuleerd. Nog enkele bijzonderheden: S. heeft er mee te maken, maar is niet gepakt. De arts, die H.'s patiënten leverde, was veertien dagen afgestudeerd en spoot Luminal Na in.

Het was heerlijk om weer eens buiten te rijden, gewone mensen gewoon bezig te zien, en te kunnen controleren dat de bomen precies even groen waren, als ik gedroomd had; ik voorzie nu al, hoe opgewonden ik zal zijn als ik er uit kom.

Snel even een paar practische opmerkingen: de blauwe broek is aangekomen, precies tegelijk met het mooie weer. Kunnen jullie me nog m'n lichte zomerschoenen sturen. Kijk eens of er bij mij post gekomen is en stuur die ook, zonder enveloppe, als het van enig belang is. Verder geen verlangens, ik ben wat roezig in 't hoofd van een middag in de brandende zon.

Mon coeur vous embrasse tous,

Y.

 

16-5-'43

Fragment

Na het godsdienstig gekibbel is nu het politieke gekomen, de R.K. jongeling en de aviateur blijken aanhangers van Franco te zijn. Dit is mij volstrekt onbegrijpelijk, en ik zou op basis hiervan een nieuwe definitie van aardige mensen willen maken: mensen die van nature, of qua temperament links staan, zonder lid van een politieke partij te zijn. Deze godsdienstigen, nationalisten en Oranjeklanten zijn, hoeveel je er mee gemeen hebt, toch volslagen vreemden; hoewel ze mij als personen sympathieker zijn dan het comm. gemeenteraadslid, zijn ze mij verder vreemder. Zo ontdek ik hier, met m'n sentimentaliteit, m'n klassebewustzijn.

..Doordat er nu 2 dagen achter elkaar foto's van me zijn gemaakt, behoor ik nu, voor mijn gevoel althans, definitief tot de troep misdadigers waarmee ik tot nu toe ieder gevoel van solidariteit hardnekkig heb onderdrukt: hoe aardig ik hun actie op zichzelf ook vind, ik had mezelf zo van eigen onschuld overtuigd, dat ik niets meer met hen te maken had. Dit is dus nu veranderd, van zelfstandig mens ben ik iemand geworden, die met een groep berecht zal worden, en dat is geen prettig gevoel, hoewel de zaak zeer interessant zal zijn om van dichtbij mee te maken.

 

A 2/17, 20-5-'43

Brave J.

Vooreerst weer heel veel dank van ons allen hier aan allen daar, maar vooral aan E. voor de werkelijk fenomenale koekjes, waarmee we gisterenavond een soort afscheidsavond hebben gevierd, met de fles en de kaas. Maar ook de brief was aangenaam, vooral omdat hij een sfeer oproept, alsof daarbuiten niets wezenlijks veranderd is:

[p. 39]

nog altijd is dit buitengemeen fraaie handschrift buitengewoon slecht te lezen, vooral onder de ongunstige condities hier, haast en schrikachtigheid. Maar ik heb toch wel een algemene indruk uit jouw overzicht gekregen, die maakt dat ik mijn rust hier des te meer apprecieer.

Ik vind het bijzonder prettig dat je mijn moeder hebt gesproken: dat zal haar veel goed gedaan hebben, ook al omdat een onaangename zekerheid voor haar veel beter te verdragen is dan welke hoopvolle onzekerheid ook. Ze moet ook vooral het gevoel krijgen dat wat ik al of niet gedaan heb, bijzonder nuttig is geweest; niets vind zij erger dan een ‘acte gratuit’.

Overigens word ik hier, na eerst bijna communist geworden te zijn, nu zo Rooms-Katholiek als de pest, ken de catechismus al bijna uit het hoofd, weet alles af van doodzonden en dagelijkse zonden en ken bijna de zoete, de droeve en de glorierijke geheimen van de rozenkrans. Dit zal vooral Ch. R. veel genoegen doen. 't Was bijzonder prettig je vader opeens zo dicht bij te hebben (zij het dan ook met een medium dat niet helemaal goed snik is), maar ik zou niet graag willen dat hij nog meer voor me deed, nu er zoveel anderen die taak van hem over kunnen nemen.

Mijn collega uit B., die ik iedere dag meer ga waarderen, krijgt alle studieboeken, die hij hebben wil, doordat zijn vrouw gewoon bij het brengen van de was, zonder commentaar boeken voor hem afgeeft; zij heeft nooit toestemming gevraagd aan de Euterpestraat, want dat verdomt ze. Misschien kunnen jullie, aanstaande Vrijdag ook eens proberen, of dat met mij ook gaat, maar liefst met een klein en bijvoorbeeld Duits boekje, vanwege de beperkte ruimte. 't Kan best zijn dat het geweigerd wordt, omdat de Duitse S.S. een beetje tegen ons is ingenomen de laatste tijd: zonnen en baden zijn weer verboden; maar de Hollandse S.S. is op onze hand, draaft zelfs voor ons, zodat het misschien nog wel in orde komt. De beste manier van omgaan met deze mensen is, om ze zonder eergevoel grenzenloos te belazeren, waar ze bij staan. De techniek is gedeeltelijk van de collega, gedeeltelijk van de Blaricumse uitbreker afkomstig en geeft diepe en innige bevrediging. Trotse koppigheid daarentegen, de eerste veertien dagen toegepast, leidt tot verzuring en ontevredenheid bovendien.

Juist komt de kameraad van het gerecht terug, hij is er enorm goed afgekomen door een beiderzijds elegant spel van slimheid en fatsoen. Dit heeft de stemming in de cel aan de rand van feestelijkheid gebracht, zoals je begrijpen kunt. Vanwege het gas kregen we geen warm eten, maar daar staat tegenover dat sommige anderen geen electriciteit hebben en weer anderen wat veel water, dat maakt alles goed.

[p. 40]

Iedereen schrijft zo opgetogen over J. dat ik er eigenlijk wel eens uit wil om hem te zien; is hij werkelijk bijzonderder dan alle andere gewone pas geboren kinderen? 't Kan natuurlijk best.

Maak maar een of ander geluid tegen hem, namens mij en wees gegroet J., vol van genade, de Heer zij met je, en hoe is jouw positie, goed waarschijnlijk, nu de Universiteit weer bestaat? Is M. bij W. gekomen? K. is toch niet gek geweest en naar Duitsland? Een oomachtig kusje voor E. en ook verder alle goeds van Yvo.

 

Eind Juli, B 3/20

Braves,

Na een paar dagen enig commentaar op jullie bezoek, waar ik totaal niet op gerekend had en dus niet op voorbereid was. Heb ik erg vreemd gereageerd? Naar mijn idee moeten jullie het gevoel gehad hebben dat zeer dure suikerwerkjes soms hebben, die opgevreten worden door een uitgehongerde vagebond - als voedsel en niet als lekkers.

Bij Ch. was ik eigenlijk pas gewend. Bovendien had dat bezoek de minimum toelaatbare lengte (één uur) en zij was alleen; want het allermoeilijkste voor de uitgehongerde is, om van twee borden tegelijk te moeten eten, vooral als die dan zo verschillend zijn als bijvoorbeeld J. en mijn moeder. Nu ik weer weet, hoe jullie er uit zien en ongeveer hoe ik met jullie moet praten - na zes weken conversatie met dorre klieren - snak ik er naar om jullie zo spoedig mogelijk weer te zien, maar dan liefst alleen, of wees niet boos, als je om beurten door mij genegeerd wordt.

Deze situatie dus en de neiging tot esprit de l'escalier, die ik toch al sterk heb - en waar soms wel eens iemand van profiteert - hebben gemaakt dat ik duizend dingen vergeten heb te zeggen, die belangrijker zijn dan de tien, die ik wel gezegd heb! Zo bijvoorbeeld heb ik geen van jullie bedankt voor het ongelooflijk vele, wat jullie voor me gedaan hebt en nog doet. Het is een merkwaardige sensatie, om enkele vrienden die je op je levensweg argeloos geplukt hebt en als bloemen om je heen gezet, om af en toe eens met genoegen naar te kijken, of er enkele honingdruppels uit te puren, in de ure des gevaars opeens te zien veranderen in een agressieve vuurspuwende vesting, die een activiteit ontwikkelt, waar je zelf nooit toe in staat geweest zou zijn. Ik hoop heel oud te worden en iedere dag van mijn leven iets aardigs tegen jullie te kunnen doen, om deze schuld voor een deel althans af te kunnen betalen.

Wat de details betreft, ik vond mijn moeder zeer mat en zonder enig begrip, zomin voor de ernst als voor de niet-ernst van de situatie; trekt zij het zich zo aan? Tenslotte komt het toch alleen maar neer op een wat omslachtige manier van tewerkstelling in

[p. 41]

Duitsland en dat is niet zo erg. Ik had over het algemeen de indruk dat jullie nogal medelijdend waren, vooral H. Ik verzeker jullie nog eens, dat het werkelijk nergens op slaat. Het leven hier is natuurlijk niet prettig, maar het is verre van ondraaglijk en afgezien van een toenemende weekheid tegenover vrienden, word ik hier hard en koppig (zo blijf ik b.v. koppig de oude Yvo). Ik weet nu zeker dat ik overal tegen kan en dat ik in spannende situaties zo kalm ben, als een acteur - thath 's exactly how I felt on that bloody Friday. En nog eens: van buiten gezien lijkt het hier binnen veel erger dan het is, wanneer je ogni speranza bij de poort hebt laten varen, wat voor mij geen tegennatuurlijke daad is! Ik beschouw dit als een ballingschap en ben niet ongeduldig (meer). Mijn stemmingskleur is grauw, ik ben Woensdag twee uur lang gelukkig geweest maar in de cel ben ik niet ongelukkig, afgezien van de veertien dagen na mijn vrijspraak, toen ik werkelijk met mijn hoofd tegen de muur had kunnen lopen van wanhopige hoop. Troost mijn moeder hier mee. Ook smeekte ze mij om alsjeblieft voorzichtig te wezen; ik geloof niet, dat ik me op dit punt iets te verwijten heb.

J. verblufte mij door zijn gedecideerd en doortastend optreden; als dit door het vaderschap veroorzaakt wordt, wil ik spoedig vader worden. H. leek mij minstens zo aan exprit d'escalier te lijden als ik: om in van te voren met zorg geprepareerde beelden te spreken, waar rechte taal toelaatbaar is, ca me ressemble tellement! Ik geloof, dat ik hem even ontroerd heb zitten bekijken als hij mij.

Maar het meest vertederd was ik misschien wel tegenover Ch., die, toen ik haar ontving met excuses, dat ik de eerste keer nog zo onder de indruk was, dat ik haar eigenlijk niet behoorlijk te woord had kunnen staan, op haar ontroerende kleine-meisjes manier zei: ‘O, maar ik dan, ik was nog helemaal van streek’. Zo heb ik jullie zitten bekijken als een zéér oude man en als een heel klein kind, en pas na één slapeloze nacht en vele dagen was dit voedsel een beetje verteerd, maar er zijn grote brokken gesprek, die ik onmogelijk meer reproduceren kan.

 

Weteringschans

(Aan G., 8 jaar.)

Slimme Schurk! je zult wel tot de zeer weinige jongetjes in Holland behoren, die een brief krijgt uit de gevangenis, en op W.C.-papier. Maar ik moet je even waarschuwen dat het niet voldoende is om een schurk te zijn, je moet ook slim wezen, anders kom je ook hier terecht net als de domme oom Yvo. Lees je nog veel om wijs en slim te worden? Wij niet, wij krijgen maar vier boeken in de week, die zijn in 2 dagen op, en als we dan nog onze nagels gebeten hebben, dan vervelen we ons zo enorm, dat jouw verveling als je zegt:

[p. 42]

Mam, ik vervéél me zo! daarmee vergeleken zo groot als een vlo vergeleken met een olifant. Een vlo hebben wij hier ook, het is een domme boerenjongen die Geurt heet, maar geweldige honger heeft. En verder hebben we een postbode, een glazenwasser en het hoofd ener Christelijke School. Zo kamperen we met z'n vijven in een kleine cel, slapen 's nachts op stromatrassen op de grond en overdag vertellen we elkaar hoe post geboden, hoe glazen gewassen en hoe een Christelijke School gehoofd wordt, en soms ook hoe mensen beter worden gemaakt. En dat allemaal achter tralies, net als apen in Artis. Ik hoop gauw weer los te zijn. Tot ziens en een poot door de tralies.

 

Oom Yvo

 

Vervolg van de kronieken tot op heden, Zondag. Acht uur v.m. gedouchet, cel gedweild en opgeruimd, ontbeten en zit nu op bed in de stralende ochtendzon te schrijven, een echte rustige vacantiedag, want we zijn nog maar met z'n tweeën. De cel heeft alleen ochtendzon en weerkaatsing van avondzon op een stuk kantongerecht, dat maakt het 's ochtends en 's avonds vrolijk zonder de onverdraaglijke hitte overdag. We zien de populieren van de Weteringschans en het gymnasium en horen straatrumoer en gisterenochtend om acht uur veertien het Unica-fluitje. Ik floot terug maar kreeg geen antwoord. Goed. Dit is het milieu, nu de geschiedenis.

Tot Pinksteren fluctueerde de celinhoud nogal, zonder belang rijke aanwinsten, alleen met alleraardigste lessen in practische psychologie van vriend B., die iedere nieuweling even apart nam en mij daarna fluisterend zijn bevindingen mee kwam delen. Het ergste judicium was: dat is een domme man. Een verlopen Haagse kantoorbediende werd beschreven als: een schlemiel, ƒ10 in de week, maar toch een heer, begrijp je wel. Een paar dagen voor Pinksteren constitueerden we ons definitief met de Christelijke schilder, 'n Christelijk schoolhoofd, B. en ik en twee zeer waardevolle aanwinsten: T., die advies geeft in distributiezaken en P., die bij moeilijkheden met werk in Duitsland alle inlichtingen geven kan. T. is vrij, van P. weet ik niets. Dit was een alleraardigst gezelschap en wij waren al zeer tevreden, toen wij Zaterdagochtend allen een pot stroop kregen, en ik bovendien bezoek van de P., een geschoren man, die vrij rond loopt en beschaafd praat; het was een sensatie.

Maar alles zonk in het niet, toen we 's avonds, met het brood, het Pinksterpakket kregen, als volkomen verrassing, omdat de hoofdbewaker de reinigers alles heel stil - op hun sokken - voor de deuren had laten neerleggen, zodat niemand iets gehoord had. Het was ongelooflijk goed verzorgd en ook daarvoor moeten jullie nog duizend maal bedankt worden. We hebben natuurlijk alles in een

[p. 43]

pot gedaan en daarna verdeeld en er zullen ook buiten de cel zeer weinigen geweest zijn, die zo een exorbitant Pinkstermaal hebben gehad als wij, met wittebrood, paling, roastbeef, salami, een keur van kazen, chocolade, etc.

B. was volkomen door het dolle heen en krijste als een opgewonden straatjongen. Die avond en de Pinksterdagen heeft hij aan één stuk door sterke verhalen verteld uit zijn kosthuis. Niet alleen zal er in dit Huis van Bewaring nooit zo daverend gelachen zijn, maar ook ik zelf heb zelden zo gehuild van het lachen, vooral om een verhaal van Jaap Zwik, blinde Toon en de blote kont, dat alleen al om de couleur locale (in elke betekenis begrepen) volkomen onreproduceerbaar is. Zo was ik vrolijk, goed doorvoed en tevreden, toen het proces kwam, weer typisch iets voor de verwende Y. Over het proces een ander maal. De avond voor het proces (Donderdag) werd ik overgeplaatst naar deze cel, waar ik tot mijn groot verdriet drie suffe zakken vond.

In onze vrolijke ziekenzaal hebben de ter dood veroordeelden hun laatste dagen doorgebracht.

Toch even een ding hierover: mocht één van jullie T.L. of zijn vader spreken, vertel hem dan hoe ongelooflijk goed K. zich gehouden heeft, zowel tijdens het proces als vooral later, toen ik afscheid van hem nam, hij was toen zo rustig, beheerst en zeker van zich zelf, als alle geloofshelden, die hier in mijn dagelijkse lectuur voorkomen; maar zonder enig pathos of grote woorden; een voorbeeld voor de anderen.

Over 3/20 niet te veel. Drie vervelende mensen, waarmee niet te praten viel. Had ik mijn B. nog gehad, dan was de crisis veel minder erg geweest. De sfeer hier werd bepaald door de ergste pest, die er is: een infantiele, halfzachte egoïst, waarvan ik de funeste invloed pas ontdekt heb, toen hij weg was en ook al een beetje na een door mij perfide geleide ruzie, die in een grote huilbui van deze weke schoft geëindigd is en als een weldoend onweer de drie anderen veel vrolijker maakte.

Nu zit ik alleen, maar met een wat domme postbode, die communisten onderdak heeft verleend en nogal meevalt; ik ben weer rustig en vrolijk en slaap tien tot twaalf uur per dag, wat me de laatste zes weken niet meer gelukt was, vooral, blijkt nu, onder invloed van de halfzachte, die mij ontzaglijk nerveus maakte, zonder dat je precies kunt zeggen waardoor.

Wat de lectuur hier betreft: Reyneke van Stuwe, Bosboom Toussaint, etc. Merkwaardig is, hoe ondraaglijk veel er in boeken gegeten wordt. Voor gevangenen moest er lectuur bestaan, waar deze indecente beschrijvingen niet in voor kwamen: het tegendeel, een soort culinaire pornografie, zou dan ook wel ontstaan, denk ik. Het

[p. 44]

was aardig om in Shackleton's Zuidpoolboek precies dezelfde stemming beschreven te vinden, van kerels, die avonden lang zich bijvoeden met verhalen over het bakken van koekjes, etc. en wat ze zullen eten, als ze weer terug zijn. Overigens nogmaals zeer bedankt voor alle heerlijks, dat jullie meebrachten en dat naar mijn berekening, het calorisch tekort van plus minus zes dagen goedmaakte (voor drie man). (Overigens heb ik de laatste maand practisch geen last van honger meer.) Wanneer het gaat zoals tot nu toe, dan volgt op deze bijvoeding weer een belangrijke ontwikkeling in mijn zaak, waarbij ik fit moet zijn.

Verdere lectuur: de Bijbel. Ook zonder Nietzsche zou ik dit een verward en duister boek vinden, het Oude Testament niets anders dan een vervalste Joodse geschiedenis om het bestaan van God te bewijzen, het Nieuwe Testament gewoon vervelend. Aardig zijn alleen de beide boeken Samuel, voor zover ze over David gaan - hij is overigens het enige talent in de Bijbel - simple et clair - en de gelijkenis Richteren 9:8-15. Van David is ontroerend 1 Sam. 18:31-33. Esther, n'en déplaise L, is ook leesbaar. Gek zijn de politieke redevoeringen van Mozes, met actueel oog gelezen, met hun voortdurende recapitulaties van wat God en hij tot nu toe gedaan hebben. De vervalsersrol die Nietzsche aan Paulus toeschrijft in het Nieuwe Testament kan ik niet ontdekken. Nu ik eenmaal schrijf, zou ik door kunnen gaan, maar ik moet ophouden.

Enkele practische dingen. Koop voor mij Herderschee, acute infectieziekten. Iets anders heb ik niet nodig. Misschien Diderot, als dat kan. Vertel de moffen, dat iemand, die vier maanden zit en hongert, niet veel waard is voor werk in Duitsland. Zeg dat ze me reiniger moeten maken (lichaamsbeweging, extra eten, pakjes van huis, brieven!). Laat B. een uur zakengesprek aanvragen, Ch. kreeg dat ook. Ga ik naar Vught, stel je dan in verbinding met apotheker J. in de.... (regel onleesbaar) uit A 2/17, zij weten allicht het een en ander. De P. wil ik graag zien bij nader overweging! En ik heb zin om te roeien, 't is zulk afgelazerd mooi weer. Enfin. God bless you all en tot ziens hier.

 

Yvo

Proces

N.B. Dit verslag is in hoofdzaak voor mij zelf: jullie mogen het ook lezen, maar verder niemand. Wees er voorzichtig mee en verstop het!

Vrijdagmorgen vroeg - zeven uur dertig - uit de cel gehaald, zonnige frisse morgen. Achter K.L. en Br. aan naar andere vleugel, daar met gezicht naar de muur opgesteld, tussen de celdeuren - ik naast de cel, waaruit A. komt, na daar twee maanden bijna onaf-

[p. 45]

gebroken aan handen en voeten geboeid op zijn bed gelegen te hebben. Hij fluistert me toe: 't is niet mijn schuld, dat je hier bent - ik: daar heb ik nooit aan getwijfeld. Bovendien is het niet erg, ik kan er tegen. Schreeuwende Duitser, dat we niet praten mogen. We worden twee aan twee geboeid en in file opgesteld: voor mij R., aan mijn linkerpols de rechterpols van B., achter mij K.L.

In overvalauto's als sandwich op een bank: soldaat - twee geboeiden - soldaat. Naar het Koloniaal Instituut. Gedurende dit transport en gedurende het hele proces worden wij door de groene politie en soldaten met veel, maar zakelijk respect behandeld en hier en daar met onverholen bewondering bekeken. In het Koloniaal Instituut in een wachtkamer neergezet, een soort gaderobe met wasbakken, de hoofddaders geboeid, de anderen los. Het is verboden te praten, maar er wordt direct druk gefluisterd, binnen een paar minuten hardop gepraat en zelfs geschreeuwd en veel en hard gelachen.

De meesten hebben deze twee maanden alleen gelegen, niemand gesproken, alleen een beetje met elkaar kunnen seinen of heel hard naar elkaar schreeuwen. Af en toe komt er een Duitser, die het spreken verbiedt, maar zich direct omdraait om het weer toe te staan, ten slotte zijn geduld verliest en brult: ‘Scheiszbande! Ihr dürft nicht sprechen mit einander!’ Even pauze: ‘Aber ihr könnt doch flüstern? Und lachen Sie nicht so laut!’

In dit kamertje is de kenmerkende sfeer van het proces ontstaan tussen deze mensen, die elkaar voor het grootste deel niet kennen: een gevoel van saamhorigheid en trots, dat er tussen al deze mensen niet één was, waar over je je behoefde te schamen. Hieruit - en niet uit de begrijpelijke nervositeit - kwam de grote vrolijkheid voort, die volkomen natuurlijk was en de moffen voortdurend verbaasde. Het enige pijnlijke was het binnendragen van de volkomen in elkaar gestorte H., vooral pijnlijk om de wee-vriendelijke manier waarop hij door de Duitsers vertroeteld werd. Zij vroegen ook - es sind so viele Aertze hier - of iemand een diagnose wilde maken. ‘Akuter Haft-psychose’ schreeuwt A., en op hysterische grondslag, zou ik er bij willen zeggen.

Na ongeveer een half uur naar binnen in de ‘rechtzaal’, aan de straat uitziend op de snijzaal. Een hoefijzer van tafels. Rechts de advocaten, links enkele Sachbearbeiter en een verzameling stukken van overtuiging, tafels vol. Middenin rijen banken, waar wij op neer gezet worden in volgorde van de processtukken. Rechters en Anklage-Vertreter komen binnen, gewone ceremonie, eedaflegging etc. Kort verslag van het gepleegde feit, waarom dit beschouwd wordt als te zijn gericht tegen de bezettende macht en waarom dus de rechtbank competent is. Dan een voor een opstaan bij het afroepen

[p. 46]

van onze namen, dan de Vernehmung zur Person, voor de rechtbank, maar vooral voor ons, een gelegenheid, om met elkaar kennis te maken.

Eerst A., een beetje verstrooid lijkt het en ontzettend slecht Duits pratend, beide opzettelijk? Hier herinner ik me weinig van: ik geloof dat de voorzitter van de rechtbank niet veel vragen heeft gesteld, zich bepaald heeft tot de levensloop en de verhouding tot Duitsland. ‘Ich habe ein groszes Teil meiner Bildung Deutschland zu verdanken’, dat zeiden alle intellectuelen (behalve K.L. en ik). Prettig is zijn - A's - gedetacheerde en vrijwel verneukratieve toon - joyeux et indifferent.

Dan R. Medisch student, vol jood, leefde van handel in tegeltjes, bonnen en persoonsbewijzen. Heeft veel aan Duitsland gehad, vooral aan Duitse philosophen, vooral Nietzsche, is tegenstander van het nationaal-socialisme, omdat hij practisch fascist is. Voorzitter begrijpt dit verschil niet, maar vraagt niet verder. Het is een merkwaardige vent, un costaud, met dikke ronde kop en iets in zich zelf gekeerd-nadenkens over zich, niet onsympathiek, maar zeker niet helemaal normaal. Hij praat soms heel uitvoerig met de voorzitter, op een toon alsof ze nu samen eens zullen proberen uit te vissen, waarom hij bepaalde dingen gedacht of gedaan heeft.

3. C. een Duitse halfjood, in 1939 onder dienst in Duitsland, mocht tenslotte niet naar het front en heeft zich dat erg aangetrokken, mocht in Wenen niet doorstuderen - medicijnen - is dat toen in Amsterdam gaan doen, tot dat niet meer mocht. Handelt ook in tegels. Is anti-nationaal-socialist om het onrecht, dat hem is overkomen. Een onsympathieke vent; week en verward en de enige, die grote woorden gebruikt.

4. K. (corpslid overigens) weinig pregnante figuur, levensloop lijkt, ceteris paribus, op 3. Wordt ten onrechte als halfjood beschouwd en mag daarom geen medicijnen studeren. Tegels.

5. H. Een echte Zaankanter, witblond, goedig maar koppig, met een langzaam maar zeer goed verstand. B. moet ongeveer zo geweest zijn als jonge arts. Voorzitter vraagt: ‘Sie sind mit Leib und Seele Artzt, nichtwahr?’ Antwoordt een beetje overdonderd: Ja. Dan wordt een brief voorgelezen van H. uit Utrecht - Als Deutscher und alter Parteigenosse etc. etc. en verder niets dan lof over het karakter en capaciteiten van H. die zeker op waarheid berust, al is het dan iets overdreven. Eindigt met: het is zeker, dat deze jongeman een zwaar misdrijf heeft gepleegd, maar hij behoort tot het soort, dat te winnen is voor de idee van het nationaal-socialisme en dan één van de meest waardevolle vrienden van Duitsland zal worden. Op grond daarvan clementie etc.

Een identieke brief later voor 6: B. Nu al is het duidelijk, uit

[p. 47]

de toon en de gang van het verhoor, dat deze twee, die toch ook tot de hoofddaders behoren, als uitzonderingen behandeld zullen worden. Hij heeft veel wedstrijd geroeid, ook in Duitsland, nog in 1938. Is tegenstander van het nationaal-socialisme, wil een democratie, anders dan tot nu toe, op Geistes-Aristokratische Grundlage (Ortega Y Gasset) B. idem. Dit is een prachtkerel, een slimme, vrolijke, agressieve vent, assistent bij R. Beide hebben ongeveer een week na de aanslag hun arts-examen gedaan. H. is zelfs gearresteerd - met revolver in de nek - tijdens het onderzoek van een zwangere vrouw, en is later, al was zijn examen niet volledig - toch tot arts bevorderd.

7. M. Hiervan herinner ik me niet veel. Hij is een aardige vent, niets bijzonders, maar energiek en met lol in de buik, 't type van de zeer goede Hollander, evenals zijn tweede vader v.D. trouwens - maar allebei met een kantje: lid van de Kennemer Golfclub. Hij is Mr. in de rechten en op een of ander kantoor.

8. R. een heel jonge vent (19?), zwager van H. Een fatsoenlijk mens, niet helemaal zelfstandig tegen de situatie opgewassen, lijkt me. Hier heb ik duidelijk een inzinking van de aandacht gehad, want mijn geheugen is hier zeer onvoldoende.

9. J. knecht en koerier van A., vroeger los werkman? Over hem straks meer.

10. H., een Dostojewski-figuur, autodidact, magazijnbediende? Heeft zichzelf Duits geleerd om philosophen te kunnen lezen, is communist geweest, maar waarschijnlijk onder invloed van R. voor de partij bedankt. Ging veel om met dit groepje studenten (2, 3 en 4) en wilde schrijver worden. Is nu in de gevangenis totaal ingestort, kan niet staan, lopen, zitten, beeft, heeft overal pijn, kijkt met grote angstige ogen rond, praat verward en op verkeerde momenten, is doodsbang om gefusilleerd te worden, zoekt aldoor hulp en steun bij de moffen en praat voortdurend en tegen iedereen Duits.

11. Br. Een pracht mannetje in een soort extatische toestand, lijkt met zijn magere hoofd en hals uit zijn wijde gevangeniskleren op een zelfportret van Greco. Praat Duits met een Spaans accent. Heeft in Spanje een poosje bij Franco gezeten, ook aan de linker zijde, is daar bijna gefusilleerd door de communisten, tenslotte het land uitgezet. Politiek volgeling van Ortega. Voorzitter:

‘Sie beschaffen sich Ueberwiegend mit Mystik?’

- Ja. -

‘Haben Sie Auch Deutsche Mystiker gelesen?’

- Ja, die en die en die.

‘Auch etwa Alfred Rosenberg?’

Br. raakt hiervan kennelijk even in de war, beaamt dan maar en noemt haastig nog een paar namen.

[p. 48]

‘Auch Sie haben also für ihre Ausbildung Deutschland viel zu verdanken?’ - Een wat weifelend ja van Br.

De Voorzitter is een dom en beperkt, maar fatsoenlijk man, die dit verhoor met veel belangstelling leidt en erg zijn best doet om het waard te zijn, rechter over dit illuster gezelschap te mogen wezen. De beide bijzitters zien er niet sympathiek uit, maar ook niet afstotend, zij zijn zuiver decoratief en hebben nooit een woord gezegd. De Anklagevertreter is een bijzonder onaangenaam mens, in uiterlijk en in manier van doen geknipt voor deze Henkersrolle.

12. K.L. Ik herinner me niets van wat hij gezegd heeft, alleen zijn grote rust en zelfverzekerdheid en de onwil, om veel over zich zelf te zeggen, wat de anderen eigenlijk niet hadden.

13. Yvo. Vanaf het begin al weer dezelfde welwillende toon als tegenover H. en B. Voorzitter:

‘Nur ein Paar Fragen: Allen hebben gezegd dat ze zoveel aan Duitsland gehad hebben voor hun ontwikkeling, alleen U niet, is dat waar?’ - Ja - (dit had Kleyn ook al zo verbaasd) - Maar Uw studieboeken dan? - Overwegend Frans, Engels, Amerikaans en Nederlands en voor zover in de Duitse taal, Zwitsers. (Dit is inderdaad zo en toevallig, 't is geen opzet, 't zijn Glanzmann, Bleuler, de Quervain).

- ‘Sie sind nicht Deutsch feindlich?’ - Neen. - ‘U hebt gezegd dat Duitsland U volkomen vreemd was, kunt U dat nader uitleggen?’

Eerst uitgelegd dat ik veel contact met Duitsland gehad had, vader veel zakenrelaties, moeder in Duitsland opgevoed, na vorige oorlog Duitse kinderen in huis, bijvoeding, paar maal bij ouderlijke vrienden in Duitsland gelogeerd, ‘und ich habe das immer als ein vollkommen fremdes Land und fremdes Volk empfunden, wo ich nichts zu suchen hatte und vor allem nichts zu finden.’ De meeste Hollanders waren pro-Duits vóór 10 Mei '40, voor hen was de invasie een slag. ‘Ich bin nie Deutschfreuudlich gewesen, brauchte somit nicht Deutschfeindlich zu werden.’ Deze verklaring wordt schijnbaar met véél, blijkbaar met weinig aandacht aangehoord, want we gaan direct naar het volgende vreemde punt:

‘Den Juden stehen Sie freundlich gegenüber, haben Sie gesagt, aber Sie machen einen Unterscheid zwischen die, die schon längst hier waren und die, die später hinzugekommen sind. Wozu?’ - Dat heb ik niet gedaan, ik heb verschil gemaakt tussen de Hollandse en Duitse joden. Voor zover ik ze ken zijn het vrienden van me en kan ik ze dus moeilijk anders dan freundlich gegenüber stehen en voor zover ik ze niet ken, heb ik geen last van ze, voel me niet benadeeld of bedreigd en heb dus geen reden hun unfreudlich gegenüber zu stehen. De Duitse joden daarentegen, voor zo ver ik

[p. 49]

ze hier heb meegemaakt, waren mij ‘unsympathisch’. - ‘Warum’ - ‘Das ist schwierig zu sagen. Vielleicht etwas.... zu.... zu laut.’ Hier heb ik me werkelijk geweld aan moeten doen om niet Duits in plaats van laut te zeggen.

‘Sie sind Gegner des National Sozialismus? - Ja. - Hebt U het ooit grondig bestudeerd? - Neen. - Hoe kunt U er dan tegen zijn? - ‘Om practische redenen. Vroeger las ik VoVa wel eens, daarin werd gefulmineerd tegen het om politieke redenen benoemen van incompetente mensen op belangrijke officiële plaatsen. Dat was een misstand die weliswaar niet veel voorkwam, maar toch bestond. Ik vond dat zeer goede artikelen en was het er zeer mee eens. Het eerste wat hier gebeurde: opheffen van competent lichaam (Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunde) en instellen van een zuiver politiek lichaam - artsenkamer - worin nur ganz ausnahmsweise ein competentes Mitglied Sitzung hatte - hatte, denn er hat sich zurückgezogen. Ein System wo ein solcher Diskrepanz zwischen Theorie und Praxis besteht, lehne ich ab - vergessen Sie nicht, es ist mein Fach, Theorien in der Praxis zu prüfen. Also nur auf meinem Gebiet weisz ich etwas vom National-Sozialismus aber ich nehme an, es wird auf andere Gebiete dasselbe sein.’ Dit is niet weerlegd en mijn Vernehmung was afgelopen.

14. B. De kleermaker, een aardige vrolijke, inderdaad wat vrouwelijke man maar flink en zonder onuitstaanbare flikkermaniertjes. Merkte op zijn zestiende, dat bij homosexueel was, sprak er met zijn vader over, streed er altijd tegen, was voortdurend, maar zonder resultaat, onder doktersbehandeling. Was bevriend met A: ‘Es bestand jedoch kein Liebesverhältnis, das ist doch sicher, nicht?’ - ‘Ja’ - (deze vraag was van groot belang, omdat de P. een request had ingediend om B. zijn schuld minder zwaar aan te rekenen, omdat hij in zijn handelingen niet vrij geweest zou zijn, waar hij door zijn sterke gevoelsbinding aan A., deze niets zou hebben kunnen weigeren). Blijkbaar heeft B. een dergelijke voorstelling van zaken niet gewild. Verdere bijzonderheden herinner ik me niet. Afgezien van deze homosexuële verhouding is mij opgevallen de sfeer van homoerotiek, die over ons allen lag, een grote wederzijdse bewondering en vrijwel vertedering voor elkaar, precies zoals dat blijkt uit de terroristen-memoires van Savinkov. Goed.

De rest zat achter mij, daarvan herinner ik me niet veel. 15. Van D., vader van M., liberaal, weinig bijzonders. 16. B., ambtenaar bij de distributie. 17. De R., agent van politie, waarom tegenstander N.S. - Om mijn anti-revolutionaire beginselen. De enige tegenstander uit hoofde van beginselen. 18. Juffrouw S., een huishoudster of huisbewaarster uit Naarden, geloof ik. 19. De zuster Van de R., verpleegster in het Binnen Gasthuis?, verloofd met B. 20.

[p. 50]

Haar vriendin, de verloofde van K., naam ontschoot mij, maar een bijzonder aardig levendig meisje. 21. Een vreemd mannetje, een soort kosthuishouder, die protesterend naar binnen werd gesleurd tijdens het proces. Kennis van H.

Hierna werd, meen ik, gepauseerd - wij allen weer terug naar de wachtkamer, waarin weer het zelfde spel van praatverbod, dat met hard schreeuwen en lachen overtreden wordt. Verhalen over de technische moeilijkheden van het seinen met je rechter buurman als je tegen de linker muur geboeid ligt. De meesten hebben, buiten dit seinen, in twee maanden niemand gesproken. K.L. verteld mij zijn arrestatie in het bos van Bredius, waar hij een afspraak had met S., die schriftelijk was overgebracht door R. De notitie daarvan heeft R. niet vernietigd, zodat die bij zijn arrestatie gevonden is, zodat K.L. gevangen is door een kring van rechercheurs, die vermomd waren als vrijende paren en steeds dichterbij schoven, 't moet nog veel gekker geweest zijn dan mijn arrestatie.

Door R.'s stommiteit zijn bovendien nog gepakt: H. en zijn vriend R. plus zuster plus vriendin, het meisje van K. (dat overigens voortdurend naast K. kruipt en hem van boven tot onder afzoent, weer door de moffen wordt weggestuurd, maar direct weer terug is). Br. geeft instructies: denk er om dat we alles gooien op ons Mitleid - trauma. A. praat honderd uit over alles wat de moffen niet te weten zijn gekomen en dat is gelukkig veel; ik ben het even gelukkig weer allemaal vergeten.

R. en C. vertellen dat zij bij mij geweest zijn, met A.; de vierde man, een zekere Alfred, is vrij. (Alfred is inmiddels gearresteerd, waardoor mijn kans op vrijlating gestegen schijnt te zijn).

Nu begint het tweede deel van het proces, die Vernehmung zur Sache. Eerst een getrouw verslag van de aanslag en het resultaat, waarover alles bekend is. (Van een ambtenaar van het arbeidsbureau hoorde ik dat in Amsterdam de uitzending van arbeiders naar Duitsland door persoonlijke oproep nog steeds in de war is; dat werd natuurlijk niet vermeld, evenmin, dat sedert de aanslag elf bevolkingsregisters verbrand zijn). Dan wordt A. gevraagd naar de motieven en allerlei technische details. Er bestond een illegale organisatie om artisten (ondergedoken, geen lid van de Cultuurkamer) te helpen. Toen op grote schaal arbeiders naar Duitsland werden gezonden, vond deze groep (S., Br., A. en nog iemand) dat ook de arbeiders geholpen moesten worden en zo werd het plan gemaakt. R. - ontmoet bij F.B. - zegde de hulp toe van zijn terroristengroepje (2, 3, 4 en 10) en zocht contact met communisten, (waartoe de geheimzinnige Alfred schijnt te behoren) die trotyl zouden leveren. Br. bracht twee artsen aan, die hij van zijn college kende en dezen weer M. en R., de eerste schijnt op 't allerlaatst

[p. 51]

ingevallen te zijn voor iemand anders, die niet kon de avond van de aanslag, en hij was reserve.

A.: We hadden de artsen nodig, omdat we van het begin af gezegd hebben, dat er geen bloed mocht vloeien en de aanslag geen mensenlevens mocht kosten. -

Voorzitter: Nu hebt U heel toevallig deze twee artsen gevonden. Als die nu eens niet gekund hadden, dan had U zonder gezeten en dan.... A. valt in de rede, met een volmaakte zelfverzekerdheid: Dan had ik direct twee anderen gevonden, ‘es gibt so Viele die fruchtbar gern so was mitmachen.’ De uniform bestond alleen uit jas, pet en beenkappen en was gemaakt door B. Verder geen bijzonderheden. Alleen werd hem nog ten laste gelegd, dat de organisatie valse persoonsbewijzen drukte en verspreidde.

R. heeft de zoon van Feitsma in de buik geschoten (hij vervult nu weer zijn SS-dienst, overigens, zoals Kleyn zich haastte om te vertellen) op de avond, dat in Haarlem scherpe repressailles werden genomen naar aan leiding van de vermoordde W.A.-man. ‘Ik deed het om te laten zien, dat wij ons niet laten intimideren door represailles. Ik koos Feitsma, omdat ik hem kende en moreel veroordeel; ik had de vader bedoeld, het spijt mij de zoon getroffen te hebben, maar ik was nogal zenuwachtig, omdat ik het hele huis door moest lopen, eer ik iemand vond. Ik had een waas voor mijn ogen en zag niet, of het vader of zoon was. Het spijt me, een onschuldige getroffen te hebben.’ Verder heeft hij met zijn troepje een gestencild illegaal krantje uitgegeven, ‘Rattekruid’ geheten en in hoofdzaak sabotagewenken bevattend; dan heeft hij bij Halfweg een treinaanslag gepleegd, met trotyl in de masten van de bovenleiding. Deze aanslag heeft de treinenloop een half uur gestremd en geschiedde in overleg met de communisten. Tenslotte heeft hij - toen hij wist dat o.a. A. en H. gearresteerd waren - op de Veluwe een marechaussée neergeschoten, die alleen maar zijn persoonsbewijs wilde controleren. 's Mans laatste woorden waren: ‘Maar meneer!’ Hij is een paar dagen later in Den Haag min of meer bij toeval gepakt door een provocateur, die hem naar Engeland zou helpen.

B. en K. geen bijzonderheden. K. verklaart dat hij bij huisbezoek etc. de funeste invloed op het gezin zag van een vader, die afwezig was in Duitsland en dat hij het daarom tot zijn plicht rekende om het vertrek van de arbeiders te verhinderen. Zij hebben Luminal Na ingespoten, omdat zij morphine nergens konden krijgen. B. verklaarde hetzelfde, maar verder nog, dat voor hem de grootste waarde van de actie vooral daarin lag, dat het een soort aansporing voor de Nederlanders was, zichzelf te blijven en niet zo slaafs zich maar alles te laten welgevallen. Tenslotte nog had hem het sportieve van de

[p. 52]

daad bijzonder aangetrokken. M. en R. geen bijzonderheden. J. heeft alle boodschappen voor A. gedaan, de mensen alles bezorgd, wat zij nodig hadden, de trotyl gehaald uit Laren (Naarden?) en tenslotte de benzol gebracht naar het bevolkingsregister, 's avonds om negen uur dertig, toen het werk daarbinnen zo ver gevorderd was.

Hij wordt opvallend voorzichtig en weinig diepgaand ondervraagd. Tenslotte: ‘Heeft A. U niet met de dood bedreigd, als U iets vertelde?’

‘Ja, hij heeft gezegd, dat hij me dood zou schieten, als ik iets vertelde’. Voorzitter: ‘A. is dat waar?’ A.: ‘Ja, maar dat hebben wij voor de grap allemaal tegen elkaar gezegd.’ Voorzitter: ‘Maar U hebt het dan toch maar gezegd.’ A.: ‘Zonder twijfel’, en haalt de schouders op. H. heeft niets met de aanslag te maken, maar schreef Hetz-artikeltjes in zijn krant en deed mee in Halfweg. Hij jammert erg onder het verhoor en biedt voortdurend zijn excuses aan, over alles en aan iedereen. Br. wordt in hoofdzaak beschuldigd deel uit te maken van de organisatie, H. en B. te hebben overgehaald, en aan A. zijn revolver te hebben gegeven. Die heeft hij gekregen van een Delfts student, die naar Spanje vertrok (dat wil zeggen Portugal) en wien hij het meenemen van een wapen afraadde en daarna voor zich gehouden, om zelfmoord te plegen, als hij ooit gearresteerd zou worden, ‘denn ich hatte ein psychotischer Angst vor dem Gefängnis’. Als voorwaarde had hij gesteld,. dat er nooit mee geschoten zou worden, hij was dan ook niet geladen en A. kon bovendien niet schieten. K.L. heeft een groepje na de aanslag onderdak verleend, hij heeft de uniformen verbrand en de volgende ochtend A. gehuldigd met een schaal bonbons, waarop een lauwerkrans en HELD geschilderd stonden. - ‘Warum haben Sie dass getan?’ - ‘Weil ich die gröszte Bewunderung habe für meinen Freund, der so was gewagt hat.’ - U wist dat hij het gedaan had? - Neen hij heeft het mij pas verteld, toen hij al binnen was, toen kon ik hem natuurlijk niet weg sturen. - ‘Das wäre aber Ihre Pflicht gewesen.’ - ‘Ich glaube, Freunden gegenüber andere Pflichte zu haben.’

Y.P. Veertien dagen voor de aanslag is een poging gedaan gedeeltelijk vanuit mijn huis, die niet is doorgegaan, omdat er teveel maanlicht was en teveel mensen in het gebouw.. Over de vraag of ik van te voren op de hoogte was, is niet gesproken, wel hoe lang ik A. kende, waarbij ik meteen uitvoerig kon vertellen, hoe ik hem leerde kennen en nog enkele onbelangrijke details, tenslotte de kernvraag, of ik hem in uniform, had gezien. - Neen, zeker niet, want er is mij niets vreemds aan hem opgevallen - ik heb hem alleen in de donkere gang gezien. Kleyn komt aandraven met de verklaring van A.: dat ik hem in uniform gezien heb, verrast had gekeken en dat hij mij toen gerustgesteld had en had gezegd dat hij naar een verkleed-

[p. 53]

partij was geweest - ik: ‘daar heb ik niets van gehoord’. - A.: ‘Ik was toen nogal nerveus, 't is mogelijk dat ik niets gezegd heb, 't kan ook zijn dat P. verrast was om mij opeens nog in zijn huis te zien, want hij was steeds uit geweest’. (Dat had ik juist verteld.)

Opeens interrumpeert H. klagend: ‘Herr Vorsitzender, Herr President, sagen Sie den Leuten, sie sollen einander niet schonen, dass habe ich auch erst getan, dass ist so schlecht, man soll einander nicht schonen.’ Met werkelijk ijzige kalmte heb ik hem op zijn schouder geklopt en gezegd dat hij stil moet sijn. Daarna was het verhoor, ondanks een tegensputterende Kleyn, snel afgelopen. B. maakte de uniformen eerst voor een verkleedpartij, ten slotte werd hij toch op de hoogte gesteld - de allerlaatste dag. Van D. wordt er van beschuldigd, zijn zoon een brief te hebben geschreven (bij diens arrestatie gevonden!!!) om hem aan te raden voorzichtig te zijn en op te letten of het gebouw wel goed verduisterd is. De brief eindigt met: Good Luck. Dit werd beschouwd als het geven van een goede raad en dus medeplichtigheid, in ieder geval medeweten. De vader zegt: Ik heb het mijn zoon afgeraden, maar hij is meerderjarig en toen mij bleek, dat hij niet van zijn plan was af te brengen, was er mij alles aan gelegen dat hij zo goed mogelijk zou slagen - ik kan een meerderjarig zoon niets beletten. - ‘Es war Ihre Pflicht ihm anzuzeigen.’ - ‘Ich glaube nicht. Es ist in Holland keine Gewohnheit, dasz Väter ihre Söhne anzeigen’, etc.

(De rest van dit verslag is verloren gegaan.)

(Wordt vervolgd)



illustratie