E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Bandoeng, 17 januari 1939

Bandoeng, 17 Januari '39

 

Beste Menno,

Kan je aan Ed. Hoornik (laten) vragen of hij en zijn vrienden mij de dichtbundels willen sturen die van hen verschenen zijn, behalve: Van Hattum, Frisia non cantat, Hoornik, Geboorte en Mok, Kaas- en- Broodspel. Ik wil nl. in het Bat. Nwsblad artikelen schrijven over deze ‘werkelijke jongeren’, maar voel me onvoldoende gedocumenteerd. Ik ken het adres van geen van deze heeren, vandaar dat ik mij tot jou wend. Aad v.d. Veen kan je hierin wschl. helpen.

Je schreef me dat Leopold graag iets van me zou hebben voor de Vrije Bladen. Kan je mijn Scheepsjournaal daarvoor gebruiken? Iets meer dan 32 blzn., maar met veel kans dat het gauw is uitverkocht. Jan's desapprobatie ervan kan ik nog steeds niet beamen; ik kreeg het ding laatst in handen en vond er veel aardigs in; en Samkalden, die jou zoo bovenaan stelt, heeft ervan genoten, beweert hij.

Zentgraaff is bezig materiaal tegen me te verzamelen. Hij informeerde overal in Batavia en heeft nu Nix onlangs trachten uit te hooren. Volgens Nix heeft hij niets losgelaten, maar de arme man is grenzeloos naïef en in geen enkel opzicht tegen de ouwerottigheid van Z. opgewassen. Volgens Nix had Z. een ex. van het L.v.H., vol roode uitroepteekens en strepen! Misschien dat hij binnenkort nòg een kritiekje schrijft? Maar er is een maar: de man weet zelf hoezeer dit de verkoop bevordert; en hij denkt in geen andere termen dan al of niet verdienen. Wat hij vooral van Nix wou weten, is: of ik geld had, wat en waar ik verdiende, enz. Misschien meent hij - hij is er stom genoeg voor, dwz. volkomen geïdiotiseerd door wantrouwen en ondervinding op ‘indisch peil’ - dat hij binnenkort zal kunnen aantoonen dat ik ‘door Moskou word betaald’ of zoo. Enfin, afwachten.

De heele redactie van K. en O. is hier in Bandoeng bij de P.I.D. (Indische Gepeoe) geroepen om een waarschuwing te ontvangen van den Procureur Generaal over mijn artikel Gorilla of Mensch, je weet wel. Over dat zinnetje van ‘de gorilla-gemeenschap van het Derde Rijk’ was de P.G. gevallen, zei de heer die ons de boodschap overbracht: die zin overschreed de grenzen van wat de P.G. toelaatbaar achtte als kritiek en was beleedigend voor een van de bevolkingsgroepen hier in Indië (de nazi-mofsche dus). En ook over het ‘versje’ was de P.G. gevallen. Ik vroeg of het was over sommige zinnen eruit, maar het was: over het heele versje. Bewaar dat versje dus als goud. Overigens schijnt deze P.G. - Marcella genaamd, wat een beminnelijke naam is - zelf anti-duitsch te zijn, en de politieman die als zijn mond fungeerde scheen de zaak zelf nogal humoristisch op te vatten. We zaten er dan ook met ons vijven naar te luisteren.

Overigens valt die K. en O.-historie me niet mee. De brave Koch, die uiterst beminnelijk is en doet, en op wien je onmogelijk boos kunt worden, saboteert rustig alle copy die hem niet bevalt, en na de Z.-rel bevalt niets hem zoo weinig als polemiseeren. Tot zijn excuus moet ik erbij zeggen dat zijn vrouw een lieve maar oude dame is (ouder zelfs dan hij), die hartkloppingen krijgt, hoofdpijnen enz. als haar man wordt ‘aangevallen’. En daar de laatste hartklopping zoowat 6 uur geduurd heeft, kan ik me voorstellen dat hij het te duur betaald vindt. Ik laat hem dus rustig saboteeren. Maar mijn plezier is er nu óók af, en ik wist toch al niet te best wat ik voor deze heeren moest schrijven, maar nu weet ik het nog minder en het kan me al niet meer interesseeren ook. De beteekenis van het blaadje is goed, want het is verkwikkend dat er nog één zoo'n blaadje bestaan kan in Indië, maar de qualiteit van de copij is toch jammerlijk middelmatig.

Ik kijk met spanning uit naar Werk en zal er zoo gauw mogelijk in 't B.N. over schrijven. Dat ligt me beter dan de samenwerking met de K.-en O.-ers. Van Jan's officierschap las ik natuurlijk vele malen; ook in de indische kranten die niet N.S.B.-ig zijn werden er groote artikelen aan gewijd. Verwey zal me binnenkort wel net zoo hard vervelen als jou, - wanneer ik het tenminste ter bespreking toegestuurd krijg. Ik verveelde me nu net vorstelijk met de lawine poëzij in het Dec.-nr. van G.N.; wat een idee om zóóveel zangers bij elkaar te zetten!

Bep en ik waren nu een goede week in Batavia. Ik heb daar in het archief gescharreld in de papieren over Dirk van Hogendorp, maar niet al te veel gevonden, hoewel toch een paar grappige dingen. Maar het prettige is: dat ik nu tenminste weet dat het niet meer is dan dit, en dat ik het doorgekeken heb. Ik lees met genot Ethica van Spinoza, hoewel ik van wat hij vertelt maar bitter weinig ‘geloof’. Maar de methode en de manier van ontwikkelen zijn verrukkelijk: dit boekje zou voor mij nu kunnen worden wat voor anderen de Imitatio Christi is. Daar geef ik je de interessantste opstellen over vakfilosofen en groote filosofen en stelsels en snufjes voor cadeau, en de stijl is ‘als van gisteren’.

Ik sprak in Bat. nogal veel met den adjunct-archivaris, Vermeulen, een jongen die pas van Leiden komt, erg aardig en zoo - maar sjonge-sjonge, wat een opgekweekt diertje nog, boordevol vooroordeelen, volkomen onmachtig tot zelfstandig oordeelen of denken! Huizinga de cultuurdrager van Nederland, ‘springlevend’ nog! (ja, vergeleken met de andere knarren zal dat wel zoo zijn); Herfsttij hèt meesterwerk van de eeuw; jij, erg geestig, maar zoo studentikoos, en eig. een journalist toch, en géén serieuze cultuurdrager; enz. enz. En dat geestige van je is nòg geen compliment, want ze bàrsten ook van de lol om zekeren ex-student Kamp (?), nu burgemeester, die daverende moppen heeft geschreven over leidsche zeden - en die voor mij wel de meest zoutelooze lulhannes is waarvan ik ooit luim en kortswijl in handen kreeg. Jong, conservatief, geborneerd en onzelfstandig, maar... methodisch! ernstig! vol wetenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel! Je moet maar denken: het is goed dat de Universiteit ze nog zóó maakt, want zoo zijn ze op hun aardigst. Wat zouden ze voor ignobele bierdrinkers zijn als de Univ. er niet nog dit van gemaakt had? Aldus ook de bittere nabetrachting van Bep. - Tot nader. Hartelijk gegroet door je mede-grappenmaker

E.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie