Vondels Maria Stuart
Het spel van de gemartelde majesteit
Bij het Hofstadtooneel

‘MARIA STUART of Gemartelde Majesteit’ verscheen in 1646, zoogenaamd ‘te Keulen in d'oude druckerye’ maar in werkelijkheid bij Vondels uitgever Abraham de Wees, die ook de boete voor den dichter betaalde, toen het gerecht hem wegens zijn papisterij veroordeelde tot een straf van honderd tachtig gulden. Uit deze aan Vondel opgelegde boete blijkt al, hoezeer het stuk de aandacht trok en de toenmalige publieke opinie verontrustte. Vondels biograaf Geeraert Brandt, die de bemoeiingen van schout en schepenen afkeurt (omdat de ‘vryheit van schrijven’ er door in het gedrang komt), is weinig te spreken over dit nieuwe bewijs van duidelijke sympathie voor het ‘Roomsche geloof’. ‘De lydende personaadje, Maria Stuart, zagh men hier afgebeeldt als t'eenemaal onnoozel’ (onschuldig), en zonder vlek. De verfoejelyke misdaaden van overspel, en 't vermoorden van haar' gemaal, Koning Hendrik Darlay, werdt in dit treurspel geloochent, en haar schandelyk huwlyk met den moorder Botwel verschoont... Ook werdt 'er Elizabeth, Koningin van Engelandt, met vuile verwen afgemaalt, als een styfster van 't ketterdom, die Mariaas bloedt dronk, en als een Herodias, al hieldt ze zich bedroeft, haaren moedt koelde.’

Brandt betrekt dus onmiddellijk dit treurspel in de sfeer der protestant-katholieke polemiek, en in zijn qualiteit van protestant beschouwt hij ‘Maria Stuart’ als een idealiseerend, tegen de historische gegevens indruischend drama. Hij heeft daarin natuurlijk gelijk, maar de hekeldichten van protestantsche zijde, die op de publicatie van ‘Maria Stuart’ volgden, waren niet veel historischer; men moet er den nadruk op leggen, dat in dezen tijd de geschiedenis volgens hedendaagsche begrippen weinig invloed had op de oordeelvorming der strijdende godsdienstige partijen. Want Vondel idealiseert zijn Maria Stuart tot een ‘Koninglijcke Kruisheldin en gekroonde Martelares’, omdat hij de rol van een Koningin en Katholieke vrouw slechts vermag te zien onder het aspect van een wereldorde, die in de koninklijke waardigheid het goddelijk gezag belichaamt; daarvoor moeten alle andere argumenten wijken; ‘het godtlijck Recht verbiet Gezalfden aen te roeren’, zooals Melvin in zijn discussie met de Graven betoogt.

Deze heele discusssie in het derde bedrijf behoort tot het gebied der toenmalige polemiek over recht en gezag, op grond van den religieuzen beginselstrijd; tegenover het beroep van de Elizabeth-partij op het abstracte ‘Heiligh Recht’, dat geen Majesteit kent, stelt de Maria-partij, dat de Majesteit boven de menschen is verheven en behoort tot de sfeer van ‘Godts almogentheit’. Dit argument is bij Vondel, die een diep en religieus gefundeerd respect had voor de hooge heeren, altijd het argument, dat den doorslag geeft, en naar psychologische motiveering behoeft men hier waarlijk niet te zoeken; had Maria Stuart nog meer zonden begaan, dan Brandt haar verwijt, het zou in Vondels oogen haar rol in het goddelijk bestel niet hebben veranderd. Vorstenmoord is een vergrijp jegens God en de goddelijke orde.

In het Voorbericht deelt Vondel trouwens mede, dat hij, om aan de eischen der Aristotelische tooneelwetten te voldoen, alleen een tegenhanger voor Maria's volstrekte volmaaktheid kon vinden in den laster, die men over haar verspreid heeft, ‘op dat haer Christelijcke en Koninglijcke deughden, hier en daer wat verdonckert, te schooner moghten uitschijnen.’ Van de smetteloosheid van zijn voornaamste personage gaat hij dus uit als van een axioma; van een werkelijk conflict kan dan ook geen sprake zijn, omdat Maria Stuart al bij voorbaat gerechtvaardigd is. Verheerlijking eenerzijds en polemiek jegens de belagers anderzijds vervangen dus het eigenlijke drama, omdat het ware geloof voor den bekeerden Vondel de gecompliceerdheid van de menschenwereld vervangt.

De situatie is voor Vondel eenvoudig: het rijk van het Licht en het rijk der Duisternis bestrijden elkaar op aarde; Maria, de katholieke, staat in dienst van het Licht, Elizabeth, de kettersche, in dienst van de Duisternis, van Lucifer. Daaruit volgt ook de karakterteekening der andere partijgangers; zij, die het met Maria houden, zijn ‘goed’, want zij staan in het Licht, zij, die het met Elizabeth houden, zijn ‘slecht’, want zij staan in het Duister, zij zijn onder de bekoring geraakt van de booze macht, die afvallig werd van God. Op dit schema berust de geheele Vondeliaansche psychologie, die daarom ook geen aarzelingen kent in het verdeelen van licht en schaduw. Als het treurspel van Maria Stuart begint, heeft de ontwikkeling zich eigenlijk al voltrokken; de partijen zijn al uitgezet, de duivelsche ‘staetzucht’ heeft Elizabeth al tot de misdaad gebracht. Zooals het in de reien aan het slot van het derde bedrijf wordt gezegd: ‘geluckigh Engelant’, dat zich in dienst van het Licht stelde, is ‘elendigh Engelant’ geworden, waarover de machten der duisternis heerschen. Ook in de Triomf van Maria Stuart, die het stuk bekroont, komt dit motief weer naar voren, maar nu ter verheerlijking Gods.

Een tragedie, waarvan de hoofdpersoon bij het begin al gezuiverd is van alle onzekerheid en gereed staat de hemelsche zaligheid in te gaan, heeft meer van een mysterie-spel. ‘Maria Stuart’ zou men dan ook met die omschrijving kunnen karakteriseeren, want het mysterie van het geloof staat voortdurend in het centrum en de ketterijen, die Vondel door de aanhangers der Duisternis naar voren laat brengen, verdrinken, in de volstrektheid van het Licht der martelares.

* * *

 

Men heeft dit stuk weer ten tooneele gebracht in het jaar der Vondel-herdenking; het opent de rij, en ik wil er direct aan toevoegen, dat men het zich moeilijk beter had kunnen voorstellen. Ed. Verkade heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt om zijn reputatie als regisseur te ververschen; hij heeft ‘Maria Stuart’, dat hij vroeger bij het Vereenigd Tooneel ook gebracht heeft, in een vertooning gegeven, die een voornamen, grooten stijl had. Zorgvuldig heeft Verkade voor een teveel aan realisme gewaakt; hij hield vast aan een strakke, eenvoudige lijn, in de tooneelbouw aangegeven door een verhooging, in den vorm van een halven cirkel vooruitspringend, en een statig gordijn, dat deze verhooging van de rest van het tooneel kon afsluiten. Deze oplossing voldeed uitstekend. De personages werden nu in een sfeer van beslotenheid gehouden, die bij het karakter van het stuk zeer goed past. Of de triomf van Maria Stuart (die men ook weg zou kunnen laten) volkomen geslaagd was, laat ik in het midden. Dit slot blijft hachelijk, want tusschen subliem en suikerzoet is de afstand hier niet groot. Men kan het in dezen stijl van wit en blauw op beide manieren opvatten, al naar men gestemd is.

Maar afgezien van dit detail: de opvoering is er een, die den geest van het treurspel of mysteriespel alle recht doet wedervaren. In de eerste plaats ook door het prachtige, sobere spel van Vera Bondam als Maria Stuart, dat men het ideale Vondelspel zou mogen noemen; het is een vertolking, die men even onvoorwaardelijk kan prijzen als haar Candida; hetgeen op zichzelf al iets zegt voor de veelzijdigheid van deze actrice. Naast deze groote rol treden de andere figuren bescheiden op den achtergrond. Ed. Palmers als de biechtvader had even met premièrestrubbelingen te kampen, maar was overigens op zijn plaats. Henk Schaer, die als voordrachtskunstenaar reeds bewezen heeft over een bijzonder verzorgde dictie bij het verzenzeggen te beschikken, komt een woord van speciale lof toe voor zijn knappe interpretatie van den lijfarts; zijn verhaal van Maria's einde was geschakeerd en toch zeer beheerscht. Van Fie Carelsen zagen wij een sobere Kenede; Hans van Meerten was als Melvin haast iets te sober, van tijd tot tijd; Gerard Arbous en Bob Oosthoek speelden de beide graven met het juiste accent; iets minder voldeed Gerhard Alexander als de slotvoogd Paulet. Maar weer een groot succes waren in deze opvoering de reien, waarin zoowel Joekie Broedelet als Tine van Opscholten en Adrienne Canivez excelleerden; omdat het stuk telkens als het ware naar de reien wordt toegebogen, was dit een factor van groote beteekenis voor het welslagen van het geheel. De muziek, gecomponeerd door (?) en uitgevoerd door leden van het Residentie-orkest onder leiding van Alex de Jong, voldeed zeer goed als ondersteunend element.

* * *

De première ging voor een vollen Schouwburg, geheel gevuld met leden van de Volksuniversiteit, die de spelers langdurig hebben toegejuicht; Verkade, De Jong en Karel Brückman, van wien het décor afkomstig was, moesten ten tooneele verschijnen; er werden voor eenige spelers bloemen opgedragen.

Voor den aanvang der voorstelling heeft prof. R. Casimir enkele minuten het woord gevoerd bij wijze van inleiding en ter herdenking van het feit, dat Vondel 350 jaar geleden werd geboren; hij beschouwde Vondel achtereenvolgens als middeleeuwer, als humanist, als man der Hervorming, als katholiek, als staats-, als gelegenheidsdichter, als Groot-Nederlander, als edel mensch, als voorstander van de vrijheid en als voorstander van de wettige overheid, om met het beeld van den Oranjeboom te eindigen.

M.t.B.