Grazige weiden

Eerste vertooning in Den Haag
De anthropomorphe Godsvoorstelling

HEDENMORGEN heeft in het Apollo-theater voor genoodigden een eerste vertooning plaatsgehad van de negerfilm ‘Green Pastures’, die, na aanvankelijk door de keuringscommissie te zijn verboden, bij herkeuring voor openbare vertooning is toegelaten. Er was een zeer talrijk publiek opgekomen, waaronder verschillende protestantsche en katholieke geestelijken. De vertooning werd met groote aandacht gevolgd.

 

Met bijzondere voldoening kunnen wij constateeren, dat door de herroeping van dit ongemotiveerde verbod, waarop wij in ons avondblad van 7 Mei hebben aangedrongen, eerherstel is verschaft aan een film, die alleszins de aandacht van het Nederlandsche publiek verdient. Ik schreef naar aanleiding van de vertooning te Brussel over het karakter van deze anthropromorphe Godsvoorstelling o.a. het volgende:

 

In de negerfilm ‘Green Pastures’, door den schrijver van het gelijknamige tooneelstuk, Marc Connelly, in samenwerking met William Keighley gemaakt, die men ook als een documentair van de negerpsychologie zou kunnen beschouwen (al blijft het de vraag of men de anthropomorphe Godsvoorstelling van negers in het filmbeeld werkelijk kan vangen), heeft men een voorbeeld van een primitief Christendom, zooals dat ook uit de negrospirituals naar voren komt. Inderdaad; maar sedert wanneer is de primitieve Godsvoorstelling oneerbiedig? Wie heeft het recht ons de kennismaking te ontzeggen met een conceptie van het Oude Testament, zooals die uit de fantasie der Zondagsschool (al dan niet van negers) wordt geboren?

Het Oude Testament is nu eenmaal rijk aan tafereelen, die de kinderziel bezig houden om het tafereel zelve; het is een van die heilige boeken, die overloopen van driftige vitaliteit, en het ligt daarom voor de hand, dat het kind en de neger, die niet in historische kategorieën denken, maar de gegeven materie allereerst gebruiken als stof voor de nabije verbeelding, uit de gestalten van het Oude Testament niet in de eerste plaats godgeleerde conclusies trekken. Zij aanvaarden zelfs de Godsvoorstelling en het mysterie van de schepping met alle contradicties, die daarin liggen opgesloten; alles is voor hen waarheid en plastiek in eenen. Het interessante van zulk een conceptie is, dat de twijfel er nog geen rol in speelt hoegenaamd; ook datgene, wat wij vergeestelijking noemen ontbreekt, want de primitieve behoeften houden met een ‘geestelijken achtergrond geen rekening. Daarom is God in de film “Green Pastures” een eerwaardig mensch (wij zouden zeggen: iemand met de stralende autoriteit van een zéér deftigen mensch, onaantastbaar door zijn gekleede jas, almachtig doordat hij de beschikking heeft over een onbeperkt aantal “trucs”, alziend door een wonderbaarlijk snelle verplaatsbaarheid); daarom is de engel Gabriël hier een ietwat sloome manager in een wit gewaad; daarom is het drama van het Uitverkoren Volk hier een gevolg van een mislukte “truc” van God, die ten slotte moet worden geboet door het lijden van Christus. Er is in dit alles niets oneerbiedigs, want het kinderlijke kan niet oneerbiedig zijn voor wie het begrijpt; een hemel, waarin visch gebakken wordt, en engelen met hoezen om de vleugels loopen, is in deze conceptie normaal; hij is een teeken van kinderlijken eerbied voor het Allerhoogste, dat niet te verheven is voor goed gebakken visch en in het beschermen van vleugels tegen stof een bewijs van goed gedrag zal ontdekken. De primitieve voorstelling van het neger-Christendom wortelt in de moraal van goed en kwaad, die elkaar op zeer menschelijke wijze bestrijden; en “Green Pastures” is meer dan wat ook een film over hardnekkige moralisten, die de overal op de loer liggende immoraliteit met hùn middelen trachten te verdrijven.

Primitief en kinderlijk is het ontbreken van een bewust gedacht verleden; alles geschiedt in een onmiddellijk nabij heden, zooals men dat ook in de middeleeuwsche schilderkunst kan zien (zonder dat het tot dusverre in een vrij land verboden werd daarnaar te kijken). De historie van Noach (een van de voortreffelijkste stukken uit deze film, vooral ook door het prachtige spel van den neger-Noach!) wordt dus een historie van ons; daarom is de humor, die ten opzichte van het verleden zoo dikwijls wordt stopgezet, een zeer essentieel bestanddeel van dit gedeelte. Noach, met God discussieerend over de hoeveelheid whisky, die hij mee aan boord van de Arke mag nemen, is aandoenlijk in zijn allermenschelijkste vroomheid, die van de zwakheid des vleesches niet verstoken is. De vroomheid wordt hier niet gezocht in een uitgestreken gezicht en een rapport met louter tienen, maar in een bizondere toewijding aan de zaak des Heeren; men denkt bij het bezoek van God aan den negerpredikant Noach (de superpredikant bezoekt den onderpredikant!) onwillekeurig aan het bezoek van de goden aan Philemon en Baucis, die voor hun goed gedrag en smakelijk souper in boomen werden veranderd; God schenkt, na Zich tegenover Noach met een kleine “donder- en bliksemtruc” te hebben gelegitimeerd, aan dezen braven sterveling inzicht in zijn groot regenplan. Dat is naïef, zooals hier de heele schepping een naïeve aangelegenheid is; maar aangenomen, dat de anthropomorphe Godsvoorstelling zulke naïeveteiten accepteert, omdat zij aan de vergeestelijking en den twijfel geen behoefte heeft, dan is er in deze regeling van zaken een diep respect te ontdekken voor den wil des Heeren’.

* * *

 

Ook de Hagenaars zullen nu van a.s. Vrijdag af in de gelegenheid zijn met hun eigen gezond verstand de al-dan-niet-juistheid van die opvatting te beoordeelen. Laten de aanstootzoekers rustig thuisblijven; niemand zal hen dwingen zich te ergeren, als zij meenen, dat de anthropomorphe Godsvoorstelling der negers ergernis geeft.

 

Onze filmcriticus komt op de film als kunstuiting a.s. Zaterdag terug.

M.t.B.