Nietzsche en zijn moeder

Een ontroerende correspondentie over den zieke
‘Mass und Wert’, Nov.-Dec.

Binnenkort zal Erich F. Podach in een boek ‘Der Kranke Nietzsche’ een volledige publicatie brengen van de brieven van Nietzsches moeder aan Franz von Overbeck, die zij tusschen 1889 en 1897 (het jaar van haar dood) geschreven heeft.

Mass und Wert, het nieuwe tijdschrift voor vrije Duitsche cultuur onder leiding van Thomas Mann, brengt nu in de tweede aflevering een selectie uit deze correspondentie, die een bizonder ontroerend beeld geeft van de sympathieke moederfiguur in haar verhouding tot den gevallen titaan. Reeds op deze enkele brieven afgaande, mag men wel constateeren, dat de moeder een veel spontaner, natuurlijker gevoel beeft gehad jegens Nietzsche dan de pretentieuze Elisabeth Förster - Nietzsche met haar eerzucht om den broeder te annexeeren voor haar moraalprincipes en rancunes. De brieven van de moeder zijn daarom zoo ontroerend, omdat zij een voorbeeld geven van werkelijke (zeldzame) zelfverloochening; deze vrouw heeft geen ander levensdoel meer dan haar ‘Herzenskind’ te verzorgen, ook als langzamerhand de hoop op herstel verdwijnt en de trieste werkelijkheid van de absolute ongeneeslijkheid tot haar doordringt.

Eerst is zij vol hoop; ieder teeken van beterschap vervult haar met vreugde; zooals dat meer gaat is zij een weinig in oppositie tegen de wreede doktoren; een simpel Godsgeloof (hetzelfde, dat Nietzsche, met den hamer philosopheerend, vernietigde), helpt haar om aan het herstel te blijven gelooven. Zij is een beetje boos op prof. Binswanger, die de geschriften van Nietzsche qualificeert als ‘Schöngeisterschriften’ en geen tijd heeft om die te lezen. Zij verheugt zich erover, dat de symptomen van hoogmoedswaanzin langzamerhand afnemen en dat Nietzsche zich in gezelschap soms zoo goed gedraagt. Aanvankelijk heeft Nietzsche nl. zijn geheugen nog voor een deel tot zijn beschikking; ‘er erinnert sich an alles, was er erlebt hat oder gelesen, und geht mit viel Verstand und Urteil auf jede Einwendung und Bemerkung meinerseits ein.’ Hij phantaseert nog op de piano en weet nog over Italiaansche muziekprogramma's te vertellen; zelfs de ‘Meistersinger’ speelt hij; ‘da heisst es schliessen und auf die Veranda und vorlesen, denn Wagnersche Sachen lass ich ihn gleich gar nicht spielen.’

 

Maar langzamerhand, in 1892, verdwijnen ook deze laatste opflikkeringen van Europa's grootste intelligentie. Nietzsche speelt met vijf portemonnaies; als hij op de wandeling iemand ontmoet, moet zijn moeder hem vermanen ‘sein hübsches ernstes Professorengesicht zu machen’; hij herhaalt stereotiepe zinnen: ‘Ich bin tot weil ich dumm bin’. En de schrijfster van deze brieven moet bekennen, dat de wreede artsen gelijk hadden; haar eenige troost is nog het kind, dat weer kind geworden is, en zegt: ‘Meine Mutter. Du hast einde gute Sache in Deinen Augen’.

* * *

 

Het interessante nummer opent met een belangrijke studie van Oskar Goldberg over de Grieksche mythologie. Thomas Mann geeft opnieuw een fragment uit ‘Lotte in Weimar’. Ernst Krenek beantwoordt in een boeiend artikel de vraag ‘Ist Oper heute noch möglich?’ Heinz Politzer heeft poëzie, Oskar Maria Graf proza bijgedragen. Konrad Falke maakt kantteekeningen bij de ‘Hakenkreuzigung der Kunst’, Ernst Weiss schrijft over Kafka's dagboeken en brieven.

M.t.B.