Logos en Mythos

Het verschil tusschen quasi-mythisch en mythisch denken
De Portugeesche Paulus

Teixeira de Pascoaes, Paulus, de Dichter Gods. Uit het Portugeesch vertaald door A.V. Thelen en H. Marsman. (J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1937).

Een van de (dikwijls critiekloos van man op man overgebrachte) postulaten van het West-Europeesche denken is de superioriteit van den logos boven den mythos, of anders gezegd: van het logisch denken boven het mythisch denken. De trots van den logischen geest heeft zich het triomfantelijkst uitgevierd in de werken van den ‘panlogist’ Hegel, die godsdienst en kunst tot voorloopige (overwinbare) vormen van den geest verklaarde en het denken, dat zichzelf denkt, aan den top der hiërarchie glorifieerde. Deze grootsche conceptie van den Duitschen geest heeft de intellectueelen der negentiende eeuw, voorzoover hun denken niet aan den godsdienst gebonden bleef of in een afwijzende houding tegenover iedere metaphysica volhardde, beheerscht, en de suggestie ervan is nog geenszins verdwenen, Het Collegium Logicum als de verkondiging van de Zuivere Rede is een magisch werktuig; men denke slechts aan de vereering van professor Bolland, die een dergelijken invloed op het geestelijk leven van Nederland kon uitoefenen, dat de critische stem van een Dèr Mouw was als die eens roependen in de woestijn. De trots van het logische denken kon immers niet geknot worden door scepticisme en solipsisme, zoolang dat logische denken de magie van de verovering ter beschikking had. Men kan den invloed van Hegel op de Europeesche cultuur moeilijk begrijpen zonder de psychologie van de verovering te begrijpen; iedere conquistadore heeft, reeds op grond van de landstreken die hij binnen het bereik van zijn cultuurvormen brengt, een geweldig prestige verworven, waaraan geen sterveling zich geheel kan onttrekken. Zoo maakte Hegel als veroveraar des geestes de ‘terra incognita’ van het denken, voor het eerst na het verval der Christelijke leerstelligheid, weer tot een sluitend geheel; het is teekenend voor zijn prestige, dat zoowel conservatieve staatsphilosophen als de radicale Marx van dit prestige zijn uitgegaan en er eigenlijk nooit geheel van zijn losgekomen, hoe krachtdadig de laatste zich ook mocht verzetten tegen den ‘sophist’, die zijn leermeester was. Zoolang de idee dezer verovering Europa beheerschte (met Europa bedoel ik nu niet alleen de studeerkamers der vakphilosophen, maar het geestelijk leven als totaliteit), kon ook de magische ban van Hegel nooit volkomen gebroken worden, zelfs niet door de groote ‘tegenfiguur’ Nietzsche.

De nieuwe veroveraars.

Thans echter zijn andere veroveraars ten tooneele verschenen, die minder omslag maken met de logica en iedere geestelijke activiteit eenvoudig afhankelijk maken van nieuwe mythen: het Volk, den Bodem, het Ras, het Bloed, den Staat. Ik behoef hun namen niet nogmaals te noemen, want zij behooren volstrekt niet thuis in de studeerkamers, maar gaan dagelijks over de tong der publieke opinie, voor zoover die zich althans uiten kan. Het fascistische denken heeft nu de idee der verovering als suggestieve macht, en dat te meer, omdat het (men leze de geschriften van Mussolini, Mein Kampf en Der Mythus der 20 Jahrhunderts er maar op na) zich nu wil laten gelden als een betere vorm van logisch denken, die in de plaats komt van het verouderde demo-liberale, cultuurbolsjewistische geredeneer met wetenschappelijk-critische argumenten. De veroveringstechniek van dit nieuwe fascistische denken berust niet zoozeer op de mythe alleen, als wel op de chaotische vermenging van logische en mythische elementen; de mythe (b.v. die van het Ras en van den Staat) wordt eenerzijds gebruikt als quasi-logos, quasi-wetenschap, terwijl anderzijds de aanspraken van het logische denken, zoodra die voor de heerlijkheden van Ras en Staat hinderlijk kunnen worden, verdacht worden gemaakt als uitvloeisel van een ‘Joodschen’ of ‘communistischen’ geest!

U[it de] zonderlinge vermenging van elementen, [waar]bij iedere precieze, critische ondersche[idin]g tusschen de begrippen natuurlijk wordt ontweken, is ook de verwarring te verklaren, die bij de overgebleven aanhangers van het logische denken, bestrijders dus van de nieuwe veroveringssuggestie, heerscht; zij weten niet, wat zij daarin moeten bestrijden, het misbruik van den mythos, of het misbruik van den logos. De oudere generatie, groot geworden in een rustiger tijd dan de onze, zoekt het probleem dus in de tegenstelling van mythos en logos (Huizinga); volgens haar opvatting is het mythische denken bezig het logische te verdringen, en daaruit komen dan alle rampen voort, die onze beschaving met den ondergang bedreigen. Deze probleemstelling is ondenkbaar zonder twee axioma's (verzwegen of geformuleerd): 1e. het fascistische en nationaal-socialistische denken is werkelijk mythisch; 2e. het logische denken van de negentiende eeuw was werkelijk een overwinning op de mythe. Deze twee axioma's verwerp ik. Kenmerkend voor het fascistische, subs. nationaal-socialistische denken is niet de mythos, maar de brabbeltaal van halfbeschaafde geesten, die het mythische met het logische op zijn tijd verdedigen, maar op een anderen tijd evengoed het logische met het mythische; dat is het procédé van Mein Kampf b.v., waarin darwinisme, katholicisme, anti-semitisme, racisme en nog veel andere -ismen elkaar genoegelijk rendez-vous geven zonder een spoor van critisch besef (als ik dat zoo mag zeggen zonder in de gijzeling te raken). 2e. Het logische denken, zooals dat door de negentiende eeuw ten troon werd verheven, heeft het mythische denken nooit overwonnen, doch alleen in abstracties verdund; de heerschappij van het begrip, d.w.z. van het abstracte woord, is in de plaats gekomen van de heerschappij van het beeld, d.w.z van het concrete woord. Dat feit is op zichzelf belangrijk genoeg, en niemand heeft het recht uit deze opmerking de gevolgtrekking te maken, dat ik mythisch en logisch denken klakkeloos gelijkstel; zoo heeft het logische denken b.v. een geheel andere verantwoordelijkheid voor het denkend individu in het leven geroepen; maar ik wil er in dit verband slechts den nadruk op leggen, dat de absolute tegenstelling van mythos en logos een fictie is, en een zeer gevaarlijke fictie, omdat zij het karakter van de nieuwe veroveringssuggestie in een onzuiver licht stelt. Het denken van Bloed en Bodem is geen zuiver mythisch denken, het denken van den Geest en het Universum was nooit zuiver logisch denken; en wel om deze eenvoudige reden, dat de begrippen ‘mythisch’ en ‘logisch’ zelf reeds woorden zijn, taalteekens, die een schijn-scheiding trachten te maken op een gebied, waar geen volstrekte scheiding te maken vàlt.

Het zuivere mythische denken.

Wanneer wij (en nu kom ik tot het eigenlijke chapiter van dit opstel) het mythische denken werkelijk perse zouden moeten beschouwen als iets ‘lagers’, iets dat overwonnen kan en moet worden door het logische denken, dan zouden wij moeten beginnen met het grootste deel van de Spaansche en Portugeesche literatuur te verwerpen als iets minderwaardigs, voorloopigs, infantiels. Het probleem zoo stellen beteekent al de belachelijkheid van deze oplossing inzien. Het mag bij sommige Germanen gewoonte zijn om neer te zien op de latijnsche volken, die eigenlijk ‘niet denken kunnen’, en aldus de ontwikkeling van het geheele menschdom te laten culmineeren in het Germaansche West-Europa: ik meen, dat ik zulk een denkwijze hier niet behoef te weerleggen, want zij is bij al haar logische pretentie volkomen mythisch, en als zoodanig geenszins ‘verheven’ boven het mythische denken van b.v. Teixeira de Pascoaes, den schrijver van Paulus, de Dichter Gods (Sào Paulo). Wanneer wij ons logische denken stellen tegenover het mythische van Pascoaes, dan zullen wij dat op andere gronden moeten doen; want het mythische is bij Pascoaes volkomen compleet, en houdt op zijn beurt het logische in! Wie dit zeer boeiende boek over den apostel der heidenen leest4, zal zich gaan realiseeren, wat werkelijk mythisch denken is.. terwijl hij, Mein Kampf lezend, slechts een voorbeeld onder oogen krijgt van pseudo-mythisch en pseudo-logisch denken vereenigd in de synthese van den hutspot. Hij zal langzamerhand gaan inzien, dat het niet aangaat dezen Portugees als een ‘lager’ stadium te behandelen en voor hem genezing van zijn mythische dwalingen te verwachten door een logische kuur; want de eigenzinnige logica van het mythische denken moge een nuchteren Hollander zoo nu en dan doen denken aan warhoofdigheid en ‘kolder’, hij zal, als hij een goed lezer is, toch spoedig genoeg opmerken, dat Pascoaes zich van dit kolderkarakter zijner mythische logica tot op zekere hoogte bewust is! De mythos is hier dus niet het embryo van den logos, maar een ander accent van het denken; een denken dus, waarin alle consequenties van het beeld (in de taal dus: van het concrete woord) schaamteloos en openhartig worden getrokken, terwijl die consequenties in het Noordelijke, zg. logische denken veelal worden ontdoken. Dit toegeven aan het beeld, omdat het een schaamteloozer en openhartiger wijze van denken is voor bepaalde temperamenten dan de ontduiking in de abstractie van het ‘zuivere begrip’, is niet alleen karakteristiek voor Pascoaes en zijn Paulus, maar voor een groot deel der Spaansche en Portugeesche literatuur. Ik moet natuurlijk oordeelen op grond van vertalingen en autoriteiten; maar ik behoef slechts den naam Unamuno te noemen om de gedachte op te roepen aan een denker, die tot het bittere einde toe tevens een ‘beelder’ bleef, zonder in de au fond kunstmatige scheiding van het Noorden ooit voldoening te kunnen vinden.

Het werk van Pascoaes is echter een veel zuiverder voorbeeld van mythisch denken, dat in zichzelf volkomen gesloten is en de logica in zich opneemt zonder daardoor het beeld ook maar een seconde ontrouw te worden. Zijn stijl is zoo consequent beeldend en mythisch, dat zij ook alle kenmerken heeft, die wij gewoonlijk als fouten plegen te bestempelen; hij is rhetorisch (maar beeldend rhetorisch), hij is bezwerend (vervalt dus in herhalingen, omdat het logisch bewijs van 2 × 2 = 4 in deze sfeer geen geldigheid heeft en het overbrengen van zekerheid dus door overstelpen met beelden moet geschieden), hij is chaotisch (want beelden liggen naast elkaar of gaan dwars door elkaar heen zonder principieel aan de causale verbindingen van net z.g. logische denken te gehoorzamen), hij is pathetisch (want omdat Pascoaes zich verzet tegen de logische conceptie van het leven en met name van de geschiedenis, heeft hij de neiging om zijn mythische conceptie weer absoluut te stellen en tegenover de logica de pretentie te verkondigen van een mensch die ‘in de eerste plaats fantasie is’). De mensch der ‘zuivere logica’ is voor Pascoaes de getemde mensch, het ‘ongevaarlijke dier’; en zijn Paulus, die een anti-logische fantasie, een moedwillig-mythische schepping is, vertegenwoordigt dan ook voor alles de ongetemdheid en het gevaarlijke, zoowel in de sfeer van het dier (hij is schuld aan den dood van Stephanus) als in de sfeer van den engel (want na het visioen van Damascus ‘verandert de macht van den haat met één slag van aard, maar niet van spanning - zij verandert van richting’). Als zoodanig is hij de vijand der ‘intellectueelen’, oftewel van ‘de mannequins der Atheensche literatuur’, zooals pascoaes ze noemt.

Katholiek en ketter.

Deze Paulus-conceptie moet alle historici tot wanhoop brengen, dunkt mij; want de historici zijn meestal vrienden, zoo niet geloovige aanhangers van het logische denken en zij streven dus naar objectiviteit. Pascoaes is moedwillig subjectief, hoe conscientieus hij ook het Boek der Handelingen moge volgen, als deed hij dat om de logici des te heftiger uit te dagen, door hun een royaal remise aan te bieden, hoewel zij (en hij) beide op winst spelen. Hij zwelgt in die subjectiviteit; ‘denken is niets dan in beelden zien’ verkondigt hij ergens, en elders: ‘weten en zijn is hetzelfde’; ‘ik geloof aan God, dus bestaat God’. Alle voorwendselen van een objectieve geschiedschrijving, zooals die door de auteurs van de ‘vie romancée’ zoo voorzichtig worden gehanteerd, versmaadt Pascoaes in zijn Paulus-biographie, die dus met hetzelfde recht een roman kan worden genoemd, de roman van den metaphysischen hartstocht; maar dat wil allerminst zeggen, dat hij niet op de hoogte zou zijn van zijn materie! Men kan de antieke wereld in den toestand van gisting en ontbinding niet zoo scherp individualiseerend en beeldend beschrijven, als men haar niet eerst, hoe dan ook, door heeft gedacht; men kan ook Paulus niet als een metaphysischen held verbeelden zonder aan de zuiverheid van zijn geloof te hebben getwijfeld (zij het dan ook mythisch getwijfeld), wil men niet in het beeldgenre van het religieuze bidprentje vervallen. Deze Portugeesche en katholieke verheerlijker van den christelijken geloofsheld, d.w.z. van het wonder der fantasie, dat Nero en Lucretius versloeg, na door hen voorbereid te zijn, is tegelijk ook een ketter, die in Paulus het eeuwige metaphysische verlangen wil belichamen en daardoor op sommige plaatsen dichter staat bij Paulus' vijand Nietzsche dan bij de kerk van Jacobus en Petrus, die haar officieele Paulus-conceptie niet in twijfel getrokken wenscht te zien. Of, zooals Pascoaes het uitdrukt: ‘De lijkensmaak der romeinsche orgie sloeg op het Christendom over en gaf het dit vale en taaie, waardoor het voor Nietzsche en alle morgenvogels onverteerbaar werd.’ Het mythische latijnsche denken is katholiek en kettersch tegelijk; het is een lyrische verheerlijking van de christelijke impulsen, die niet schroomt om de kerk een ‘hiërarchische bureaucratie’, den hemel ‘een uitvloeisel der hel’, God ‘een oneindigen droom van den duivel’ te noemen.

 

De logische mensch van het Noorden kan zich die combinatie van factoren niet voorstellen, tenzij in den jovialen, gemoedelijk afgeronden vorm van een Anton van Duinkerken, wiens ‘ketterij’ nooit verder gaat dan de gestelde grens; maar in het mythische denken van Pascoaes zijn katholiciteit en ketterij één, onscheidbaar. Katholiek is voor dezen dichter (want hij is voor alles: dichter) de synthese en het drama van heidenschen beeldenrijkdom en christelijken geloofshartstocht (Pan en Jezus); omdat de synthese tevens dramatisch is, is het katholicisme hier tevens ketterij. De heidensche goden zijn verslagen door den christelijken God, maar Hij kon zich niet realiseeren zonder hen op te slorpen en hun beelden om te zetten tot christelijke beelden; de Paulus van Pascoaes, die de antieke wereld doortrekt, werd voorbereid door den ‘Caesar van het canaille, van de vormlooze massa der Toekomst’; hij ontmoet overal de goden van het heidendom als onttroonde machthebbers, die eens bezield waren en nu in bezielde verrotting nog voortvegeteeren, in De Natura Rerum van Lucretius hun allerlaatste consequenties trekken. ‘Het Heidendom was een Feestgelag bij het geluid der pansfluiten en schalmeien, bestrooid met de rozen van het voorjaar, die het voorhoofd der gasten omkransten. Het Christendom is het Avondmaal, het lichaam en het bloed van Jezus in de gedaante van brood en wijn.’ Zoo belichaamt het mythische denken een tegenstelling in beelden, die door den Noorderling ten onrechte voor symbolen worden gehouden; ten onrechte, want symbolen zijn producten van het abstraheerende, logische denken, dat achteraf zijn rekening met het beeld wil vereffenen. Voor Pascoaes is het beeld primair, en de abstractie hoogstens een begeleidend verschijnsel; dier en engel zijn de twee polen van die bezieldheid, zooals Paulus wandelt tusschen zijn verleden Stephanus en zijn heden Timotheüs. De historie heeft in dit boek een zeldzame plastische tegenwoordigheid, juist door het ontbreken van iedere goedkoope vergelijking met het heden; het visioen van Paulus' reizen is het visioen van een verleden, dat met al zijn rhetoriek, pathetiek, herhalingen en ‘kolder’ een zeldzaam diepen en oorspronkelijken indruk achterlaat. Het legt de critiek niet het zwijgen op, zooals het hutspotdenken der dictatoren dat gaarne zou doen via hun politie-apparaat, maar het stimuleert de critiek om zich voor alles op de betrekkelijkheid van de tegenstelling logisch-mythisch te bezinnen.

Ik zou onrechtvaardig zijn als ik dit artikel besloot zonder een woord van groote bewondering voor de prachtige vertaling van A.V. Thelen en H. Marsman. Ik kan niet vergelijken met het origineel, maar de soepelheid en elasticiteit van het Nederlandsch zijn onovertrefbaar. En daarbij ontbreekt een nauwkeurige textueele verantwoording aan het slot niet, zoodat ons een herhaling van die andere Portugeesche vertalingstragedie wel bespaard zal blijven.

Menno ter Braak.

4Ik verwijs voor een karakteristiek van den inhoud en enkele representatieve citaten naar het Zondagsblad van 5 Dec. j.l.