Hildebrand geanalyseerd

‘Teun de Jager’ en zijn haat-liefde voor Sijtje
Dr G.J. Geers in Den Gulden Winckel

‘Den Gulden Winckel’ brengt ons deze maand iets nieuws: Hildebrand gezien in het licht der psycho-analyse. Dr G.J. Geers heeft n.l. ontdekt, dat men met de psycho-analyse gewapend den schrijver van de ‘Camera Obscura’ kan ‘doorlichten’; ja, zelfs is Beets volgens Geers een bijzonder interessant geval als auteur van het welbekende romantische verhaal ‘Teun de Jager’. Deze vertelkunst staat, aldus Geers, ‘in direct contact met de diepste lagen van ons psychisch systeem’. Wij twijfelen er geen oogenblik aan, maar helpt deze psycho-analytische mythologie ons verder? Een ‘psychisch systeem’ is mythologie, en ‘de diepste lagen’ ervan zijn het niet minder; zij zijn aan de geologie ontleend, en op de psyche toegepast verliezen zij hun beteekenis. Dat belet dr Geers niet om Teun de Jager tot in zijn diepste lagen te controleeren. Teun is een melancholicus, die met de doodsgedachte verkeert, en zijn droom van de patrijzen en het bloedige hoofd zijner verloofde Sijtje ‘zit goed in elkaar’ (is dit als compliment bedoeld? Het schijnt zoo).

Aan de droomcensuur ontsnapt.

Hildebrand schrijft ergens in dit verhaal:

 

‘En behalve hare grootmoeder en het ongelukkige kind, had Sijtje niemand liever dan Teun den Jager, en indien zij het hart had gehad om ooit aan haar grootmoeders dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn om zich voor te stellen Teun de Jagers vrouw te worden. Zooals de zaken nu stonden, plaagde zij Teun en Teun haar, uit alle macht, en verder kwam het niet’.

‘Deze woorden ‘en verder kwam het niet’ zijn de sleutel tot de ondergrondse gevoelens die het verhaal beheersen, zegt Geers. Op het eerste gezicht lijken ze niet eens waar: behalve dat ze elkaar plaagden, wisselden ze ook wel eens een zoen of beter gezegd ‘het gebeurde wel, dat Teuns lippen, haar blank aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten’. En toch, ‘verder kwam het niet’ zegt het verhaal en dat blijft waar, want zij beiden en zeker Teun wilde wel verder. Wat gebeurt er in zo'n geval in de mens? Ik zal niet antwoorden met uitspraken van de psycho-analyse, maar met verzen van een dichter die gestorven is, voordat die wetenschap ontdekt werd: Jacques Perk - wiens psychische geschiedenis nog steeds niet uit zijn verzen ontcijferd is - zingt in ‘Het Rijk der Tranen’:

 
Ik ben ontzield: gij hebt mij stug en wreed
 
op mij terug, en dus tot haat gedreven.
 
Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:
 
ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,
 
en wilde minnen, daar ik dichter heet!

‘Maar niet alleen dichters, ook jagers en alle andere mensen willen “minnen” en kan dat niet, dan worden ze op zich zelf teruggedreven en “dus tot haat”: men hoort wel, dat Perk even beslist in zijn uitspraak is als de om die beslistheid wel eens gesmade Freudianen. En Teun de Jager bewijst dat ze gelijk hebben: hij haat Sijtje in zijn droom, d.w.z. als het onbewuste spreekt en hij doodt haar. Eigenlijk is de droom zo duidelijk niet: Teun had de vorige avond aan Sijtje beloofd twee patrijzen te zullen schieten en “anders nooit geen zoen meer”. En zo droomt hij van patrijzen, waarschijnlijk bij het kraaien van zijn haan - de droom dient als behoeder van de slaap, want de patrijzen kraaien ook: de gewone truc om het Ik te misleiden omtrent de betekenis van het slaapstorende geluid. Teuns wens wordt in die droom vervuld: met veel moeite schiet hij die patrijs en.... die patrijs blijkt Sijtje te zijn. Deze bloedige wensvervulling, tenslotte toch aan de droomcensuur ontsnapt, verstoort dan de slaap, ondanks de vondst van het onbewuste om door een tafreel van de golvende zee het Ik weer in slaap te wiegen.’

Maakwerk of niet?

Op deze manier had menig lezer ‘Teun den Jager’ nog niet bekeken! Ook de rest van het verhaal wordt door dr Geers op deze wijze ‘doorlicht’, met de bedoeling aan te toonen, ‘dat de psychologie van “Teun den Jager” geen maakwerk is’ en dat ‘Beets hiervoor uit zijn eigen onbewuste geput (moet) hebben’. Maar heeft hij dat niet in ieder geval moeten doen, ook als hij ‘maakwerk’ wilde leveren? En bewijst de toepasbaarheid der psycho-analyse op dit verhaal (zij is, tusschen haakjes, altijd toepasbaar), dat Beets uit zijn eigen onbewuste putte, zonder vooraf uit de romantische cliché's van zijn tijd te hebben geput? De heele romantiek is psycho-analytisch te duiden; ik geloof niet, dat de analyseerbaarheid van ‘Teun den Jager’ voor de originaliteit van Beets pleit speciaal zooals dr Geers het voorstelt, en ik geloof nog minder, dat de psycho-analytische methode, schoolsch toegepast met mythologische termen, in dezen iets anders zal kunnen bewijzen dan wat wij al wisten: dat de bewuste Beets, als alle menschen, door zijn bewuste uitlatingen zijn onbewuste verraadt. Om uit te maken wat in zijn fantasie origineel en wat ontleening was zullen echter genuanceerder termen noodig zijn dan die van dr Geers, die voor het schema der romantiek het schema der schoolsch toegepaste psycho-analyse in de plaats stelt. Toch kan het idee op zichzelf misschien stimuleerend werken; wat denkt men b.v. van Teun den Jager als de idealiseering van den proletariër zonder klassebewustzijn door den kleinburger Hildebrand? Ook dat zal opgaan.

M.t.B.