Henk van Houten
aan
Menno ter Braak

Rotterdam, 16 februari 1931

In haast

 

Waarde Menno,

Toen ik zooeven een kopje boven 'n Belgisch telegram, over het verloopende Carnaval, ontleende aan den titel van je boek, dat mij zoo sympathiek is en waarover ik je nooit veel heb gezegd omdat mij dit moeilijk zou vallen, zag ik twee uiterst koele oogen van een bord erwten-soep af, door een bos voorjaars-katjes neer, de mijne vinden en hoorde ik een niet weinig geringschattende stem zeggen: die stukjes kan ik toch ook wel schrijven. Ik bedoel ons gesprek over Hopman's opvolging een week geleden. Die ‘stukjes’ kun je ongetwijfeld schrijven en goed. Ze zullen zelfs je eigen kritiek kunnen doorstaan, wat heel wat zegt! En je zoudt ook ontdekken, dat er in Hopman's baantje dingen zijn te doen, die niet beneden je eigen peil liggen. En ik weet, wat het kùnnen betreft, dat je die ook volkomen zult áan kunnen en nog veel meer. Voor die streep onder veel is echter een mits noodig. Over dit Mits nu niet, want dan zou er in dit kattebelletje iets van 'n preekje komen, wat niet de bedoeling is.

Dat ik het door het telegram-hoofdje ontstoken contact graag even aangrijp, is om dit te zeggen, (met alle besef van de weinig elegante houding, welke over een nalatenschap spreekt, terwijl de erflater nog tot deze wereld hoort): Hopman, hoewel op 't bureau, maakt 'n zeer zieken indruk. Hij houdt zich op, zegt, dat het goed gaat en wordt bestraald. Van zijn ziekte weet ik niets; ik zou alleen denken, met zulk een uiterlijk kàn het haast niet lang duren. Ik deel dit mede, opdat je, indien je woorden van Maandag gemeend waren, tijd tot nadenken zult nemen. Man, denk alstublieft na, voor je een poging zoudt ondernemen om op Hopman's plaats te komen. Het spreekt vanzelf - dit om voorgoed even alle onduidelijkheid weg te nemen dat, mocht je volharden, ik natuurlijk alle lansen bij v.d.H. voor je wil breken. Je zult van mij niet verwachten, dat ik met dédain over je journalistiek spreek en evenmin bedoel ik weer koelheid in je oogen en geringschatting in je stem uit te lokken als ik je afraad aan een courant te gaan werken. Omdat -dit wordt het lastigste van dit epistel - omdat bij al mijn natuurlijke genegenheid voor de vluchtige dingen des levens, ik besef, dat het wezenlijkste van wat jij te geven hebt, (hier moet het Mits weer tusschen), boven de journalistiek vèrre uitgaat en ik bang ben, dat op den duur de journalistieke wijze van werken je eigen talent tòch zal aantasten. Ik kan dit in een brief niet allemaal schrijven: hij zou 'n boekdeel worden. Je begrijpt me, hoop ik, wel en wilt, wat er bemoeizieks in dit briefje is, slikken als ik je zeg, dat het waarlijk is ingegeven door (niet vluchtige) belangstelling voor je begaafdheid, die ik zeer bijzonder acht. Oef.

Henk v.H.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum. Briefhoofd Redactie de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie