‘Demonstratie’48

Herfst 1933. Op het proces te Leipzig leert men de wereld, wat een demonstratie is. Een demonstratie is het b.v., als men Van der Lubbe door een dikke glasruit laat wandelen, zonder dat hij zich bezeert. Een demonstratie, als men een gynaecoloog inviteert om de man Van der Lubbe te onderzoeken. Een demonstratie, als men een graaf zo hard kan laten brullen, dat een hangend hoofd zich opheft. In het algemeen blijkt een demonstratie dus te zijn een vertoning van een handeling, die niet klopt met de wijze waarop men gewoonlijk handelt, of die niet zo gebeurd is als zij in werkelijkheid gebeurd is. Quod erat demonstrandum behoort men dus voortaan te vertalen door: wat men te vertonen had of wat vertoond had kunnen zijn. Met een zonderling woord vatten verschillende arische talen deze dingen samen als recht. Eigenlijk is het te betreuren, dat de gerechtelijke demonstratie niet altijd zulk een vol-

[p. 550]

strekt theoretisch karakter draagt; want doorgaans streeft men onder juristen nog te zeer naar het aanvoeren van bewijsmateriaal, dat bij een zuivere demonstratie in deze zin nauwelijks doel heeft. Onze Nederlandse rechtbanken laten b.v. beklaagden onderzoeken door beroepspsychiaters. Waarom onthoudt men ons telkens het schouwspel van een zuivere demonstratie, zoals die van de heer Luger te Leipzig, waarbij de storende factoren van deskundigheid en twijfel vrijwel zijn uitgesloten? Het in dubiis pro reo kan men (dit is een direct voordeel) op deze wijze al aanstonds uitschakelen; de twijfel wordt, waar de deskundigheid niet langer in aanmerking wordt genomen, een juridisch niet meer gangbaar begrip.

Door het recht in de banen der demonstratie te leiden zou men tenslotte tot algehele uitschakeling van het fictionalistisch begrip ‘werkelijkheid’ kunnen geraken. De onmiskenbare voordelen voor de rechtspraak hieraan verbonden, behoeven wel niet uitvoerig geschetst te worden. De jurist wordt in de strengste zin des woords onafhankelijk van alle invloeden, die niet direct met het apparaat der rechtspraak zelf te maken hebben; pas dan zal men werkelijk van onafhankelijke rechters kunnen spreken. Ongetwijfeld geeft het proces te Leipzig slechts een aanwijzing in deze richting; er is nog steeds een onjuiste toepassing van het werkelijkheidsbegrip te constateren, waarbij al buitengewoon hinderlijk is het primitief-balkanese rechtsgevoel van de Bulgaar Dimitroff, dat zich nauwelijks aan de begrippen der komitadjis schijnt te hebben ontworsteld. De aanwijzing is er echter, om gevolgd te worden, en het is mij daarom niet volkomen duidelijk, waarom ook door Nederlandse journalisten tegen de procedure in Duitsland wordt geprotesteerd. Zij moeten liever waarderen, dat men bij onze oostelijke buren consequent tracht toe te passen, wat hier nog steeds hoogst dilettantisch werd beoefend. Kan juist langs deze weg niet bereikt worden, dat het recht gezuiverd wordt van allerlei z.g. ‘realistische’ bijmengsels?

Dit is voorzeker slechts lekenopinie, en de leek heeft nu eenmaal weinig invloed op de ontwikkeling der rechtswetenschap. Maar après tout was Napoleon ook een leek, en toch

[p. 551]

heeft hij zijn machtige geest laten inwerken op de juristen, die aan zijn Code Civil timmerden. Misschien zou ir Mussert, die volgens Carel Scharten een geschikte dictator voor ons zou zijn, aan zijn napoleontische plannen nog bemoeienis met de rechtspraak in deze zin kunnen toevoegen. De man van formaat immers schept zijn eigen recht, want schept zijn eigen werkelijkheid: de demonstratie van hetgeen zich had behoren af te spelen. (Aangezien ook de romanpsychologie van de heer Scharten op dit principe gebaseerd is, behoeft het ons niet te verbazen, dat hier de litterator de dictator als verwante geest begroet.)

Conclusie nemend stel ik vast, dat men hier te lande de ‘Anregungen’, die het proces te Leipzig aan de juridische faculteiten kan geven, nog steeds voorbijziet. En dat, terwijl de dilettantische, fictionalistische verknoeiing van het proces Dreyfus, dat door toepassing der zuivere demonstratie in veilige banen geleid had kunnen worden, nog tamelijk vers in het geheugen ligt.